ECLI:NL:RBMNE:2026:6744

ECLI:NL:RBMNE:2026:6744

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer C/16/609107 / FA RK 26-612
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Voorlopige voorzieningen over exclusief gebruik woning en partneralimentatie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/609107 / FA RK 26-612

Voorlopige voorzieningen

Beschikking van 9 juli 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonend in [plaats 1] ,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: mr. J.X.C. Peters,

tegen

[de man] ,

wonend in [plaats 1] ,

hierna te noemen: [de man] ,

advocaat: mr. G.H. Zijlstra.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van [de vrouw] met producties 1 t/m 6, ontvangen op 25 maart 2026;

de brief van [de vrouw] met producties 7 en 8 van 17 april 2026;

de brief van [de vrouw] met producties 9 t/m 18 van 19 juni 2026;

het verweerschrift met producties 1 t/m 10 met daarin een aantal tegenverzoeken)van 19 juni 2026;

de brief van [de vrouw] met productie 19 van 22 juni 2026;

de brief van [de man] met producties 11 en 12 van 22 juni 2026;

de brief van [de vrouw] met producties 20 t/m 22 van 23 juni 2026;

de brief van [de vrouw] met productie 23 van 23 juni 2026;

de brief van [de man] met productie 13 van 24 juni 2026;

De zitting vond plaats op 24 juni 2026. Daarbij waren partijen met hun advocaten aanwezig.

2. Feiten

Partijen zijn met elkaar getrouwd. Zij woonden samen in een huurwoning aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: Woning).

Partijen zijn nog tamelijk jong. [de vrouw] is 22 jaar, studeert rechten in [plaats 2] en heeft de bachelorfase met succes afgerond. [de man] is net 23 en werkt als zzp-er in de zorg.

[de man] heeft de Woning medio maart 2026 verlaten.

3. Het geschil

Partijen willen scheiden. [de vrouw] vraagt de rechtbank voorlopige voorzieningen te treffen. [de vrouw] verzoekt de rechtbank:

I. te bepalen dat zij het uitsluitend gebruik heeft van de Woning en dat [de man] die Woning moet verlaten;

II. te beslissen dat [de man] partneralimentatie moet betalen van € 1.793 bruto per maand aan haar moet betalen, zulks met ingang van 1 juli 2026.

[de man] wil dat deze verzoeken worden afgewezen. Op zijn beurt vraagt hij de rechtbank:

I. te bepalen dat hij bij uitsluiting van [de vrouw] gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de Woning en de zich daarin bevindende inboedel met bevel [de vrouw] die Woning, onder afgifte van de sleutels aan hem, dient te verlaten en deze verder niet meer mag betreden, behoudens met zijn voorafgaande instemming;

II. [de vrouw] op grond van artikel 822 lid 1 sub b (de rechtbank neemt aan: van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, Rv) te bevelen dat hem de goederen (de rechtbank begrijpt: zaken) ter beschikking stelt die strekken tot diens dagelijks gebruik en die zich bevinden in de Woning, waaronder zijn kleding, zijn persoonlijke documenten en zijn laptop, en hem in de gelegenheid te stellen deze goederen uit de Woning te verwijderen, alvorens aan [de vrouw] het exclusieve gebruiksrecht toe te kennen. Dit alles op straffe van een dwangsom van € 100 per dag dat zij daarmee geheel dan wel gedeeltelijk in gebreke blijft. Het betreft in ieder geval de volgende goederen:

o de volledige herengarderobe van [de man] , bestaande uit zijn kleding die zich bevindt in zijn eigen kledingkast in de Woning;

o circa vier à vijf jassen, waaronder van het merk Parajumpers en één jas van het merk Daily Paper;

o circa acht paar schoenen, waaronder in ieder geval een paar van het merk Adidas, een paar van het merk Nike, een paar loafers, een paar leren schoenen en overige sneakers die zijn eigendom zijn;

o een aantal parfums, waaronder van de merken Gucci, Chanel, Versace en Cartier;

o een aantal horloges en sieraden, waaronder een Apple Watch, een horloge van Michael Kors, een zilveren horloge, een horloge met bruine band, alsmede diverse ringen en armbanden;

o een HP-laptop, gelegen in de tv-kast onder de televisie;

o persoonlijke documenten, correspondentie, brieven, opladers, verpakkingen van digitale apparatuur en overige persoonlijke bescheiden, voor zover aanwezig in de tv-kast;

o een tas met persoonlijke eigendommen die zich in de kleinste slaapkamer bevindt, waaronder boeken, foto’s kaarten en ander zaken met een persoonlijke en sentimentele waarde;

o een PlayStation5, waarvan de exacte locatie in de Woning [de man] niet bekend is;

o al zijn overige persoonlijke eigendommen die zich nog in de echtelijke Woning bevinden;

III. te bepalen dat hij, indien aan [de vrouw] het exclusieve gebruiksrecht van de Woning wordt toegekend, gerechtigd is de Woning nog eenmaal te betreden, om een boedelbeschrijving te maken en de hiervoor onder II. genoemde persoonlijke eigendommen uit de Woning te halen, dan wel hem verlof te verlenen voor het laten maken van een boedelbeschrijving van de inboedelgoederen die zich in de Woning bevinden;

IV. Subsidiair: [de vrouw] op grond van artikel 822 lid 1 sub b Rv te bevelen op een door [de man] te benoemen dag in het weekend de hiervoor onder II. genoemde persoonlijke goederen en goederen die strekken tot zijn dagelijks gebruik, voor zover deze zich nog in de Woning bevinden, aan hem af te geven, dit alles op straffe van een dwangsom van € 100 per dag dat zij daarmee geheel dan wel gedeeltelijk in gebreke blijft.

[de vrouw] voert verweer en wenst dat deze tegenverzoeken worden afgewezen. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader ingegaan worden.

4. De beoordeling

Overeenstemming afgifte zaken

Partijen hebben voorafgaand aan de zitting een afspraak gemaakt over de zaken waar [de man] aanspraak op maakt. Zij zijn overeengekomen dat [de man] de spullen kan ophalen op 30 juni 2026 om 16:00 uur.

Vanwege voornoemde afspraak heeft [de man] zijn (voorwaardelijke) verzoeken sub II. t/m IV. ter zitting ingetrokken.

Woning

De rechtbank zal beslissen dat alleen [de man] de Woning met ingang van 23 juli a.s. mag gebruiken. Zij overweegt daartoe als volgt.

Niet in geschil is dat partijen niet langer samen in de Woning kunnen (blijven) wonen. Zij zijn niet in staat of bereid de gevolgen van deze omstandigheid te regelen, zodat de rechtbank een beslissing moet nemen. In dat licht dient zij de belangen van partijen bij het uitsluitend gebruik van de Woning tegen elkaar af te wegen.

[de vrouw] meent dat zij meer belang heeft bij het gebruik van de Woning dan [de man] . Zij stelt daartoe het volgende. Zij is tijdens het huwelijk psychisch en lichamelijk mishandeld en heeft zich gekleineerd gevoeld. Hierdoor heeft zij trauma’s ontwikkeld, waarvoor zij is doorverwezen naar een psycholoog. Het is van groot belang dat zij beschikt over een rustige woonruimte, zodat zij haar trauma’s kan verwerken en in een prikkelarme omgeving kan studeren, aldus [de vrouw] .

Vanwege haar beperkte inkomen is zij bovendien afhankelijk van een woning in de sociale-huursector. Het is haar (nog) niet gelukt een andere woning te vinden. [de man] heeft meer financiële mogelijkheden om alternatieve woonruimte te vinden. Hij kan met zijn inkomen in de vrije sector terecht. Bovendien heeft zij geen alternatieve woonplek om (tijdelijk) te verblijven, aldus nog steeds [de vrouw] .

[de man] vraagt eveneens om het uitsluitend gebruik van de Woning en meent op zijn beurt dat zijn belang bij het gebruik ervan zwaarder weegt dan dat van [de vrouw] . Daartoe stelt hij het volgende. Hij heeft de Woning in maart 2026 verlaten, omdat er veel spanningen waren tussen partijen. Hij verblijft sindsdien op wisselende plekken en slaapt soms zelfs in de auto. Hij heeft een fulltimebaan in de gehandicaptenzorg met onregelmatige diensten. Het is om die reden van groot belang dat hij kan terugkeren in de Woning, aldus [de man] . Hij heeft zijn mogelijkheden op de woningmarkt onderzocht, maar hij kan geen andere woning vinden. De opvang in zijn netwerk is niet (meer) mogelijk, mede door zijn wisselende diensten die een groot beslag leggen op degenen bij wij hij verblijft. Ook kan hij niet bij zijn ouders verblijven, omdat zij al de intensieve zorg dragen voor zijn gehandicapte broer, die een spierziekte heeft en met wie het steeds slechter gaat. [de vrouw] kan volgens [de man] bij haar ouders in [plaats 1] terecht of ze kan een studentenkamer in [plaats 2] of andere stad huren.

Beide partijen stellen geen alternatieve woonruimte te hebben. [de vrouw] heeft erop gewezen dat [de man] meer financiële mogelijkheden heeft dan zij om een woning te vinden. Het is juist dat zijn inkomen hoger is dan dat van [de vrouw] , maar dat inkomen is niet van dien aard dat het in de huidige woningmarkt eenvoudig is een (huur)woning te vinden. De rechtbank acht het aannemelijk dat koop of huur (in de private sector) voor geen der partijen een reële optie is.

De vraag is vervolgens of partijen andere alternatieven hebben. Volgens [de vrouw] kan zij niet bij haar ouders in [plaats 1] terecht, omdat er spanningen zijn tussen haar en haar vader. Bovendien komt haar zus daar geregeld met de kinderen langs, waardoor het een onrustige omgeving is. Dat is niet goed voor haar studie en de verwerking van haar trauma’s, aldus [de vrouw] .

Welke spanningen er tussen [de vrouw] en haar vader zijn en waarom die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet verwacht kan worden (naar verwachting slechts) tijdelijk bij haar ouders haar intrek te nemen, heeft zij niet onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbijgaat.

Aannemende dat het juist is dat [de vrouw] met traumata te kampen heeft, is de rechtbank van oordeel dat zij geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat een verblijf bij haar ouders een negatieve impact heeft op haar mentale genezing. Dit had wel op haar weg gelegen. Evenmin heeft zij feitelijk onderbouwd dat een zodanig verblijf ten koste zal gaan van haar studie. In dit verband zij opgemerkt dat veel studenten uitwonend zijn en verblijven in studentenhuizen die niet steeds een baken van rust zijn. Het valt niet in te zien waarom een 22-jarige student per se zou moeten beschikken over een driekamer woning met tuin (zijnde de Woning). Daar komt bij dat [de vrouw] tijdens de zitting heeft gezegd, dat zij mogelijk een tussenjaar zal nemen. In dat laatste geval is het verblijven bij haar ouders sowieso geen beletsel voor haar studie.

Hier tegenover staat als zijnde onweersproken vast dat [de man] dan weer eens hier en dan weer eens daar verblijft. Dat een dergelijke manier van leven een negatieve impact heeft op zijn werkprestaties, staat buiten kijf. Verder is het aannemelijk dat zijn wisselende diensten een zodanige wissel trekken op degenen die hem onderdak bieden, dat hun bereidheid dat te blijven doen afneemt. Daar komt bij dat [de man] heeft gesteld, welke stelling niet is weersproken, dat hij de huur voor de Woning betaalt. Gezien deze financiële verplichting – en gelet op zijn alimentatieverplichting jegens [de vrouw] , waarover later meer – is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is dat [de man] zijn werkzaamheden goed kan blijven uitoefenen. Daarvoor is van belang dat hij beschikt over een woning.

De rechtbank is wel van oordeel dat het redelijk is [de vrouw] een termijn te geven om te verhuizen. Zij zal daarom beslissen dat [de vrouw] de Woning uiterlijk 22 juli 2026 dient te verlaten.

[de man] heeft de rechtbank ook verzocht het gebruik van de inboedel aan hem toe te wijzen, zulks onder afgifte van de sleutels. Dat verzoek wijst de rechtbank als onderdeel van het verzoek tot het gebruik van de Woning toe, omdat tegen dat verzoek geen (expliciet) verweer is gevoerd.

Partneralimentatie

De rechtbank zal beslissen dat [de man] per 1 juli 2026 voorlopig een bedrag van € 1.339 bruto per maand aan [de vrouw] moet betalen. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt zij af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet zij eerst beslissen vanaf welk moment de partneralimentatie zal gelden.

De rechtbank hanteert als ingangsdatum 1 juli 2026, omdat partijen hier overeenstemming over hebben bereikt.

Huwelijksgerelateerde behoefte

Voordat de rechtbank toekomt aan het berekenen van het bedrag dat de [de man] zou kunnen betalen, moet zij eerst het bedrag vaststellen dat [de vrouw] nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen (de zogenaamde behoefte).

Zolang partijen getrouwd zijn, zijn zij op de voet van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek verplicht elkaar ‘het nodige’ te verschaffen.

Bij de vaststelling van de behoefte kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die [de vrouw] moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat [de vrouw] daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de huwelijksgerelateerde behoefte genoemd.

De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van [de vrouw] vast op € 2.868 per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.

Voor de vaststelling van deze huwelijksgerelateerde behoefte is in de jurisprudentie een vuistregel ontwikkeld, de zogenaamde hofnorm. Die norm neemt het netto besteedbaar gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar samen van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen hun kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen is.

[de man] heeft bezwaar gemaakt tegen het toepassen van de hofnorm. Volgens hem had [de vrouw] een overzicht moeten maken van alle kosten die zij maakt of gaat maken, mede gelet op de korte duur van het huwelijk. Bovendien acht hij het redelijk bij de bepaling van de behoefte van [de vrouw] uit te gaan van de normen die gelden voor een jongmeerderjarige student op basis van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF-normen). [de vrouw] is immers 22 jaar en studeert op dit moment aan de Universiteit van [plaats 2] . Hoe beide stellingen zich tot elkaar verhouden, is de rechtbank niet duidelijk.

De rechtbank oordeelt anders. Zij is van oordeel dat het binnen het bestek van een voorlopige-voorzieningenprocedure niet van [de vrouw] verwacht kan worden een overzicht te maken van al haar kosten ter onderbouwing van de door haar gestelde hofnorm.

Daar komt bij dat de gedachte achter de huwelijksgerelateerde behoefte is dat partijen worden gebracht in de mate van welstand waarin zij tijdens het huwelijk hebben geleefd. Dat [de vrouw] nog studeert, heeft invloed op die mate van welstand, maar dat betekent niet dat [de man] ’s inkomen geen rol speelt. De rechtbank zal daarom geen aansluiting zoeken bij de WSF-normen voor studerende jongmeerderjarigen.

De rechtbank moet eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden, toen zij nog bij elkaar waren. Hoewel de samenwoning van partijen in maart 2026 is beëindigd en 2026 als peiljaar zou moeten dienen, zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van partijen in 2025. Dat is het laatste jaar waarover partijen tot op zekere hoogte controleerbare informatie hebben gegeven.

Voor het inkomen van [de man] in 2025 gaat de rechtbank uit van de definitieve winst- en verliesrekening en balans per 31 december 2025, waarop een resultaat van € 63.736 bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van [de man] in dat jaar bedroeg daarmee € 3.937 per maand.

Voor het inkomen van [de vrouw] in 2025 gaat de rechtbank uit van het door haar gestelde inkomen in 2024, omdat er geen inkomensgegevens over 2025 beschikbaar zijn. [de vrouw] heeft gesteld – welke stelling niet is betwist – dat haar inkomen € 7.600 bruto per jaar was. Haar netto besteedbaar inkomen bedroeg daarmee € 633 per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2025 bedroeg € 4.570 per maand. Van dat inkomen heeft [de vrouw] volgens de hofnorm 60% nodig. Dat was in 2025 € 2.742 netto per maand. Gecorrigeerd in verband met de inflatie is dat in 2026 € 2.868,- netto per maand.

Behoeftigheid

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of [de vrouw] redelijkerwijs in staat is zelf € 2.868 te verdienen. Als zij daar niet toe in staat is, dan is zij behoeftig en kan zij met succes aanspraak maken op partneralimentatie.

[de vrouw] heeft gesteld dat haar inkomen thans op € 1.500 netto per maand kan worden vastgesteld. Dit is haar netto besteedbaar inkomen. [de man] heeft dit erkend.

Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.868 netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van [de vrouw] van € 1.500, resteert een aanvullende behoefte van (€ 2.868 -/- € 1.500 =) € 1.368 netto per maand. Als [de vrouw] partneralimentatie ontvangt, moet zij daarover belasting afdragen. De rechtbank berekent dat [de vrouw] daarom een bedrag van € 1.867 bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.

Draagkracht van [de man]

Vervolgens moet de rechtbank onderzoeken in hoeverre [de man] in die aanvullende behoefte kan voorzien (draagkracht). De rechtbank stelt vast dat [de man] een bedrag van € 1.339 bruto per maand kan betalen. Zij heeft dat als volgt berekend.

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen. Voor het inkomen gaat zij opnieuw uit van voornoemde winst- en verliesrekening en balans, waarop een resultaat van € 63.736 bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt aldus € 3.943 per maand.

[de man] heeft gezegd dat hij voor het jaar 2026 een lagere winst dan voorheen verwacht vanwege de invoering van de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties. Hij werkt voornamelijk voor de zorginstelling [zorginstelling] en deze stopt per 1 oktober 2026 met de inhuur van zzp-ers. Niettemin gaat de rechtbank in het kader van deze procedure uit van het inkomen dat [de man] thans feitelijk verdient. Het is namelijk hoogst onzeker wat de gevolgen zullen zijn van de door [de man] gestelde ontwikkelingen voor zijn winst uit onderneming. Mogelijk zal hij een nieuwe opdrachtgever vinden, waarvan niet duidelijk is welk inkomen hij daarmee zal genereren, mogelijk zal hij een betrekking in loondienst vinden. Wat hij daarmee zal verdienen is eveneens onduidelijk. Dit gezegd hebbend, de ontwikkelingen en prognoses kunnen wel van belang zijn in de bodemprocedure.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [de vrouw] . Daarvoor maakt zij gebruik van de zogenoemde draagkrachtformule, die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. [de man] wordt geacht vanuit dat woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365 per maand. Deze twee posten vormen samen het zogeheten draagkrachtloos inkomen. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft de draagkrachtruimte over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. De overige 40% mag [de man] vrij besteden (de vrije ruimte). De berekening van de draagkracht ziet er als volgt uit:

60% [€ 3.943 – (0,3 x € 3.943 + € 1.395)].

Een en ander levert een draagkracht op van € 837 netto per maand.

Als [de man] partneralimentatie betaalt, mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt hij minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van [de man] op een bedrag van € 1.339 bruto per maand.

Te betalen partneralimentatie

De voor partneralimentatie beschikbare draagkracht van [de man] is lager dan de aanvullende behoefte van [de vrouw] . De draagkracht vormt dus de bovengrens van de partneralimentatie. Dit betekent dat [de man] een bedrag van € 1.339 per maand aan [de vrouw] moet betalen.

5. De beslissing

voor de duur van de echtscheidingsprocedure

De rechtbank:

bepaalt dat [de man] per 23 juli 2026 gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de Woning en de zich daarin bevindende inboedel, met bevel dat [de vrouw] de Woning uiterlijk die datum moet verlaten, onder afgifte van de sleutels, en deze verder niet mag betreden,

beslist dat [de man] vanaf 1 juli 2026 ten titel van partneralimentatie een bedrag van € 1.339 bruto per maand aan [de vrouw] moet betalen,

wijst af dat wat meer of anders is gevraagd.

Deze beschikking is genomen door mr. M.E. Heinemann, rechter, in samenwerking met mr. E.M. Satumalaij als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van [de man] .

Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van [de vrouw] .

Bijlage 3: Behoefte o.b.v. 60% norm

Bijlage 4: brutering behoefte.

Bijlage 5: draagkracht van [de man] .

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.E. Heinemann

Griffier

  • mr. E.M. Satumalaij als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand