[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (de raad), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit dat de gemeenteraad in zijn vergadering van 15 december 2025 heeft genomen waarbij de ‘Ontwikkelingsvisie Kraaijbeek, Bijdorp, Bloemenoord, Budding’ (ontwikkelvisie) is vastgesteld. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het raadsbesluit en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van een beslissing op het bezwaar.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoeker meent dat het raadsbesluit in strijd is met de eigen Woonvisie en de regionale Woondeal. Hij wijst erop dat de gemeenteraad in de ontwikkelvisie inhoudelijke en normerende keuzes heeft gemaakt die richtinggevend en bindend zijn voor vervolgbesluiten.
4. Het raadsbesluit is een politiek-bestuurlijke keuze van de gemeenteraad over de door hem gewenste manier voor de verdere ontwikkeling van de inbreidingslocaties Bijdorp, Bloemenoord, Budding en Kraaijbeek. Het raadsbesluit is niet gericht op rechtsgevolg en is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar of beroep open staat. De raad zal het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren.
5. Omdat het bezwaar tegen het raadsbesluit evident geen kans van slagen heeft, moet het verzoek om voorlopige voorziening als “kennelijk ongegrond” worden afgewezen.
6. De raad hoeft geen griffierecht of proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: