ECLI:NL:RBMNE:2026:6760

ECLI:NL:RBMNE:2026:6760

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer UTR 26/7724
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Woningsluiting. De burgemeester heeft niet goed gemotiveerd wat de wettelijke grondslag is van de woningsluiting. Ook heeft de burgemeester niet voldoende toegelicht waarom de woningsluiting noodzakelijk is. Hierbij had hij het tijdsverloop moeten betrekken. Tot slot is evenmin onderzoek gedaan naar de evenwichtigheid van de maatregel. Dit alles maakt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

de burgemeester van de gemeente De Bilt

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/7724

(gemachtigde: mr. A. Aïssal),

en

(gemachtigde: mr. P.H.J. Ermers).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woongroen uit Zeist (de verhuurder).

De burgemeester heeft op 8 september 2026 besloten om de woning van verzoeker te sluiten om de rol van deze woning binnen het drugscircuit te doorbreken en te voorkomen dat deze woning opnieuw wordt gebruikt voor activiteiten in strijd met de Opiumwet. Het besluit tot sluiting van de woning bevat echter meerdere motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken. Zo heeft de burgemeester niet voldoende toegelicht op basis van welke wettelijke grondslag de woning gesloten wordt, heeft hij de noodzakelijkheid van de sluiting niet voldoende onderzocht en toegelicht, heeft hij het tijdsverloop sinds de doorzoeking van verzoekers woning niet kenbaar bij zijn besluitvorming betrokken en heeft hij ook de impact van de sluiting op verzoeker niet goed onderzocht en zijn belangen niet kenbaar gewogen.

Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter van de burgemeester geen handvatten aangereikt gekregen waaraan zij het vertrouwen ontleent dat de geconstateerde gebreken in bezwaar gerepareerd zullen worden.

De sluiting van een woning raakt verzoeker in een fundamenteel recht, het woonrecht, en moet zorgvuldig gebeuren en goed worden gemotiveerd. Omdat daar in dit geval geen sprake van is, valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit. Daarom verlengt de voorzieningenrechter de eerder getroffen ordemaatregel tot een week na het besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter zal hierna uiteenzetten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 8 september 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker aan de [adres] [plaats] per 14 september 2026 gesloten voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het besluit van 8 september 2026 in een uitspraak van 12 september 2026 bij wijze van ordemaatregel geschorst.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 september 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Verder waren op de zitting aanwezig mr. [A] en mr. [B] , handhavingsjuristen bij de gemeente De Bilt. Beoordeling door de voorzieningenrechter

Hoe toetst de voorzieningenrechter het verzoek?

2. De voorzieningenrechter heeft een ordemaatregel getroffen. Zij bekijkt nu of de daarbij getroffen voorziening verlengd moet worden. Daarvoor geeft zij een voorlopige beoordeling van de kans van slagen van het bezwaar van verzoeker. Daarnaast weegt zij enerzijds de belangen van verzoeker bij schorsing en anderzijds de belangen van de burgemeester bij de sluiting. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter erover is dat woningsluiting in bezwaar standhoudt, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoeker bij het schorsen van het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

Wat is er gebeurd?

3. Uit een bestuurlijke rapportage van de Politie-eenheid Midden-Nederland van 5 augustus 2026 blijkt dat de politie omstreeks januari 2026 is begonnen met een onderzoek naar drugshandel. Daarbij werd een persoon geobserveerd die als tussenpersoon in drugshandel optrad. Deze tussenpersoon heeft contact gehad met verzoeker. De politie maakt uit de tapgesprekken op dat verzoeker aan deze tussenpersoon een blok cocaïne heeft verstrekt en dat de tussenpersoon dat blok heeft doorverkocht voor € 16.000,-. De tussenpersoon is volgens de politie aantoonbaar in de woning van verzoeker geweest.

Op 23 juni 2026 is de woning van verzoeker doorzocht. In de woning zijn onder andere de volgende spullen aangetroffen die de politie in verband brengt met drugshandel:- Meerdere GPS-trackers;- Meerdere ongebruikte telefoons Samsung A20E;- Meerdere telefoonkaarten van de aanbieder Lebara;- 700 euro in contant;- Transparante zak met 11 gram henneptoppen;- Contant geld € 15.000,- ;- Professioneel vacuümmachine;- Twee liter isopropanol;- Vier liter ammoniak;- Groot model weegschaal;- Klein model weegschaal.

Er zijn ook twee auto’s doorzocht die verzoeker gebruikt. De auto’s stonden ter hoogte van het appartementencomplex geparkeerd, zo blijkt uit een aanvullende bestuurlijke rapportage van 14 september 2026. In één van de twee auto’s, de auto die op naam van verzoeker staat, is 1004,8 gram cocaïne en een bedrag van € 80.000,- aan contant geld aangetroffen. In beide auto’s vond de politie een handspuit, vershoudfolie en zwart zwarte ducttape.

De burgemeester heeft besloten de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?

4. Verzoeker voert aan dat de cocaïne niet is aangetroffen in zijn woning en ook niet op het erf van zijn woning. De auto, waarin de cocaïne is aangetroffen, maakt geen onderdeel uit van zijn woning of van het daarbij behorende erf. Daarmee is niet voldaan aan artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet. Volgens verzoeker kan de cocaïne ook niet anderszins gekoppeld worden aan zijn woning. Dat de auto op zijn naam staat, is daarvoor onvoldoende. Verzoeker wijst er verder op dat er in zijn woning geen contactsporen van cocaïne zijn gevonden. De in de woning aangetroffen henneptoppen zijn volgens verzoeker voor eigen gebruik en kunnen niet ten grondslag worden gelegd aan de sluiting.

5. De voorzieningenrechter constateert dat in het besluit niet eenduidig blijkt op basis van welk onderdeel van artikel 13b van de Opiumwet de burgemeester de bevoegdheid tot sluiting heeft gebaseerd. Uit de toelichting op zitting maakt de voorzieningenrechter op dat de burgemeester zich voornamelijk op het standpunt stelt dat in de auto van verzoeker cocaïne is aangetroffen en dat daarmee aan artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is voldaan.

6. Om een woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet te kunnen sluiten moet zijn voldaan aan de vereisten uit dat artikellid. In artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is – kort gezegd – bepaald, dat de burgemeester bevoegd is om handhavend op te treden als in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn.

7. De burgemeester gaat er voetstoots vanuit dat de cocaïne die in de auto van verzoeker is aangetroffen toegerekend kan worden aan de woning, waarmee aan de vereisten van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet zou zijn voldaan. Daarvoor biedt de tekst van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet echter geen grondslag. De auto stond ook niet geparkeerd op het erf van de woning van verzoeker. Voor zover de burgemeester meent dat de auto valt aan te merken als onderdeel van de woning, volgt de voorzieningenrechter dit ook niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) hanteert als criterium dat, als er bijvoorbeeld drugs zijn aangetroffen in een schuur, nader moet worden onderzocht of er een zodanige relatie tussen de woning en de schuur dat zij als één geheel moeten worden beschouwd. De connectie tussen een schuur en een woning moet dus nader worden onderbouwd voordat kan worden overgegaan tot een sluiting van de woning. Dat geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog veel meer voor de connectie tussen een auto en een woning. Als het al mogelijk is om de auto en de woning te zien als één geheel, moet dat in elk geval goed worden gemotiveerd. De enkele stelling van de burgemeester dat de auto op naam van verzoeker staat en nabij de woning geparkeerd stond, is daarvoor onvoldoende.

8. Er is in de woning weliswaar ook een handelshoeveelheid henneptoppen aangetroffen op basis waarvan de burgemeester de woning zou kunnen sluiten, maar uit het bestreden besluit blijkt dat die vondst op zichzelf de sluiting van de woning niet draagt. De noodzaak om tot een sluiting van de woning over te gaan is immers alleen beoordeeld vanuit de aanname dat er in de woning in harddrugs wordt gehandeld.

9. De voorzieningenrechter constateert dat de burgemeester niet voldoende heeft toegelicht dat hij de woning kon sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Het bezwaar van verzoeker treft doel.

10. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter de burgemeester gevraagd of, als artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet geen soelaas biedt, artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet nog een bevoegdheid geeft tot sluiting. Dit artikel geeft de burgemeester – kort gezegd – een bevoegdheid tot sluiting van de woning als in die woning of het daarbij behorende erf voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het voorbereiden, telen, bereiden of bevorderen van drugscriminaliteit.

11. De burgemeester heeft er tijdens de zitting geen blijk van gegeven dat hij op de hoogte is van het verschil tussen de a- en b-grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Volgens hem leidt een combinatie van de aangetroffen feiten en omstandigheden er zonder meer toe dat de woning gesloten kan worden op grond van de Opiumwet op welke grond dan ook.

12. Deze toelichting volstaat niet. Als de burgemeester aan de sluiting van de woning de b-grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet ten grondslag zou willen leggen, moet hij nader uitwerken dat de aangetroffen voorwerpen en stoffen in de woning bestemd zijn voor het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van drugs. Dit vergt een concrete op de situatie toegespitste motivering, die in dit geval ontbreekt.

13. Samenvattend concludeert de voorzieningenrechter dat de burgemeester niet voldoende heeft toegelicht op welke concrete wettelijke grondslag de woningsluiting is gebaseerd en waarom die grondslag hier van toepassing is. Dit is een gebrek in het bestreden besluit. Is de sluiting noodzakelijk?

14. Verzoeker voert aan dat, als er al een grondslag is om de woning te sluiten, de burgemeester de noodzaak voor die sluiting niet goed heeft gemotiveerd. De burgemeester heeft onder meer niet onderbouwd dat er in zijn geval een risico bestaat op geweldsincidenten en represailles. Verzoeker heeft er ook op gewezen dat er sinds de inval in zijn woning inmiddels twaalf weken zijn verstreken. Hij betwist de noodzaak voor sluiting gelet op dit tijdsverloop. Verzoeker heeft sinds de doorzoeking van zijn woning, zonder enig nieuw incident, in de woning verbleven. De onrechtmatige situatie, voor zover aanwezig, is daardoor hersteld en de negatieve effecten doen zich niet (meer) voor.

15. De voorzieningenrechter volgt verzoeker in zijn standpunt dat de burgemeester niet goed heeft gemotiveerd waarom er in dit geval een noodzaak tot sluiting aanwezig is. De burgemeester heeft de noodzaak om de woning te sluiten vooral gekoppeld aan de aangetroffen hoeveelheid cocaïne, de grote geldbedragen, de communicatie over drugstransacties en de overige aangetroffen goederen, die in verband kunnen worden gebracht met de handel in verdovende middelen. Hierdoor bestaat volgens hem een verhoogd risico dat de woning doelwit wordt van geweld vanuit het criminele circuit, zoals een beschieting of andere vergeldingsactie. De burgemeester wijst in dat verband op ernstige geweldsincidenten die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan in het criminele circuit die in verband kunnen worden gebracht met drugshandel. Bij een mogelijke geweldshandeling levert de aangetroffen hoeveelheid ammoniak en isopronalol een extra risico op voor de omwonenden, in de vorm van het vrijkomen van gevaarlijke dampen of een verhoogd brandrisico.

16. Tijdens de zitting is daaraan toegevoegd dat, gelet op wat er in de woning is aangetroffen, wordt aangenomen dat de woning deel uitmaakt van het drugscircuit. Het is noodzakelijk om de woning te sluiten om deze uit dat circuit te halen en om de openbare orde te herstellen.

17. De voorzieningenrechter vindt deze toelichting te mager.

In deze situatie zijn er geen concrete, op de woning van verzoeker toegesneden objectiveerbare aanwijzingen voor een dreiging van geweld. Er zijn geen meldingen, geen politiewaarnemingen en er is ook geen sprake van een concrete dreiging jegens belanghebbende of derden. Ook de omwonenden ervaren geen overlast van verzoeker, zo hebben zij verklaard. Er was geen sprake van enige vorm van loop naar de woning. De openbare orde was niet verstoord. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is sluiting in een situatie waarin de openbare orde niet verstoord is en er geen sprake is van overlast en er ook geen (ernstige) aantasting is van de veiligheid en gezondheid van omwonenden, pas mogelijk als een pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Dat betekent dat de burgemeester dus moet toelichten waaruit dan concreet blijkt dat de woning een schakel vormt in de productie of distributie van drugs.

18. De burgemeester heeft die concrete aanwijzingen niet benoemd in het bestreden besluit en ook niet tijdens de zitting. De burgemeester heeft weliswaar in algemene zin aandacht besteed aan de gevolgen van drugscriminaliteit, maar dat zegt niets over de gevaarzetting bij deze woning. Uit de beschikbare informatie, waaronder de informatie uit de tapgesprekken, volgt dat verzoeker te linken is aan de handel in drugs en dat ook aannemelijk is dat hij, in elk geval in maart 2026, drugs heeft verstrekt aan een tussenpersoon. Dat is op zichzelf echter nog niet voldoende voor het standpunt dat de woning daadwerkelijk bekendheid geniet in het drugscircuit en een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Althans, niet zodanig dat dit de sluiting noodzakelijk maakt. Dat dit het geval is, moet blijken uit concrete feiten en omstandigheden. Die heeft de burgemeester niet aangedragen.

18. Verder is in dit verband niet relevant dat er in de woning een grote hoeveelheid ammoniak en isopronalol is aangetroffen. De burgemeester stelt dat die aanwezigheid een gevaar oplevert als zich een geweldsincident voordoet. Maar zoals hiervoor is overwogen heeft de burgemeester niet met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat dit gevaar zich voordoet. Bovendien kan de burgemeester de woning op grond van de Opiumwet verder niet sluiten vanwege mogelijke gevaarzetting van andere middelen dan die genoemd zijn in die wet.

18. De burgemeester heeft onvoldoende toegelicht dat deze woning op zodanige wijze bekend is in het drugscircuit en/of een schakel vormt voor drugshandel dat sluiting van de woning noodzakelijk is.

18. In dat kader van de noodzaak speelt ook het tijdsverloop een rol. In dit geval zijn de tapgesprekken over de verkoop van cocaïne van begin maart 2026. Op 23 juni 2026 heeft de politie onderzoek gedaan in de woning van verzoeker. Er is geen informatie bekend dat zich in die tussenliggende periode of na het onderzoek incidenten hebben voorgedaan of overtredingen van de Opiumwet hebben plaatsgevonden. De burgemeester heeft in reactie op deze bezwaargrond aangegeven dat hij de bestuurlijke rapportage pas op 5 augustus 2026 heeft ontvangen en dat er zorgvuldig onderzoek gedaan moest worden voordat de woning gesloten kon worden. De burgemeester heeft volgens hem voortvarend uitvoering gegeven aan het bestuurlijk traject.

18. De voorzieningenrechter vindt deze motivering ontoereikend. Zoals verzoeker, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2026, terecht opmerkt, is niet relevant wat de oorzaak is van het tijdsverloop. De burgemeester moet bij zijn afweging of de woningsluiting noodzakelijk is, kenbaar betrekken hoeveel tijd er feitelijk is verstreken sinds de doorzoeking van de woning van verzoeker. Deze motivering ontbreekt in het bestreden besluit en is ook tijdens de zitting niet gegeven.Evenwichtigheid

23. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij nergens naartoe kan als zijn woning wordt gesloten. Hij heeft ook gesteld dat een sluiting van de woning consequenties heeft voor de toekomst. Hij vreest beëindiging van de huur en plaatsing op een zwarte lijst van de verhuurder, waardoor hij niet langer over een woning zal kunnen beschikken.

23. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor een bewoner nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel moet de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.

25. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, waaronder wat de gevolgen voor de bewoner is van het voor de duur van de sluiting ergens anders moeten verblijven. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoner na de sluiting weer van de woning gebruik kan maken. Bij dat laatste moet de burgemeester zich er rekenschap van geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.

26. De burgemeester heeft in het bestreden besluit niet betrokken welke impact de woningsluiting voor verzoeker heeft. Hoewel verzoeker in de zienswijze heeft gezegd dat hij nergens terecht kan en vreest om op een zwarte lijst van de verhuurder te worden geplaatst, heeft de burgemeester daarop niet gereageerd. Tijdens de zitting heeft de burgemeester gesteld dat verzoeker niet concreet onderbouwd heeft welke gevolgen de woningsluiting voor hem heeft. Daarom is hierop in het bestreden besluit niet gereageerd. Het is verder aan verzoeker zelf om opvang te regelen, volgens de burgemeester.

26. Deze motivering schiet tekort. De burgemeester is gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht om bij de voorbereiding van een besluit zelf de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De burgemeester had onderzoek moeten doen naar de gevolgen van de sluiting voor verzoeker en zich er rekenschap van moeten geven dat de sluiting evenwichtig is. De voorzieningenrechter constateert ook op dit punt een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.

Conclusie kans van slagen bezwaar

28. Samenvattend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester de sluiting van de woning in bezwaar beter zal moeten toelichten dan hij tot nu toe heeft gedaan en daarbij ook nader onderzoek zal moeten doen. Het bestreden besluit schiet tekort op de motivering van de bevoegdheid, de noodzakelijkheid, waaronder het tijdsverloop, en de evenwichtigheid. Dat betekent niet zonder meer dat de woningsluiting van tafel is, maar dat de burgemeester – als hij het bestreden besluit wil handhaven – een betere motivering moet geven welke bevoegdheid hij aanwendt en waarom in dit geval tot sluiting van de woning moet worden overgegaan. Het bezwaar van verzoeker heeft daarmee een redelijke kans van slagen.Hoe weegt de voorzieningenrechter de belangen?

28. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verzoeker bij schorsing van het besluit in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de burgemeester bij een sluiting van de woning. Sluiting van een woning is een inbreuk op het woonrecht van verzoeker. Zo’n sluiting moet zorgvuldig worden voorbereid en goed worden gemotiveerd. Het vergt een goede en concrete afweging van de belangen. Dat alles is in het bestreden besluit niet gebeurd. Er zijn veel gebreken geconstateerd en de voorzieningenrechter heeft aan de zitting niet het vertrouwen ontleend dat de burgemeester de geconstateerde gebreken in bezwaar zal repareren. Of de woningsluiting in stand zal kunnen blijven, is dan ook niet zeker. Dat maakt dat het belang van verzoeker om in zijn woning te kunnen verblijven in dit geval voorgaat en de ordemaatregel verlengd wordt.

Conclusie en gevolgen

30. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en verlengt de eerder getroffen voorlopige voorziening in die zin dat het besluit van 8 september 2026 tot sluiting van de woning van verzoeker is geschorst tot één week nadat een beslissing op bezwaar is bekendgemaakt. Dat betekent dat verzoeker voorlopig in de woning mag blijven wonen.

31. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten ter hoogte van € 1.868,-. De burgemeester moet deze vergoeding betalen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verlengt de getroffen voorlopige voorziening die inhoudt dat het bestreden besluit van 8 september 2026 wordt geschorst;

- schorst het bestreden besluit tot één week na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;

- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.E.C. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand