ECLI:NL:RBMNE:2026:6803

ECLI:NL:RBMNE:2026:6803

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 05-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 16/049491-25, 10/389397-24, 13/001092-25 (t.t.z. gevoegd); 10/235593-23 (vord. tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Jeugdzaak. Vrijspraak poging tot moord (alternatief scenario) en wapenbezit; vrijspraak wapenbezit in tweede zaak; veroordeling diefstal met geweld en openlijk geweld tegen personen in de derde zaak (zaken gevoegd). Straf: jeugddetentie gelijk aan voorarrest (208 dagen) + voorwaardelijke werkstraf van 60 uren en oplegging van bijzondere voorwaarden. Vordering BP N-O. Vordering TUL afgewezen. Geëiste voorwaardelijke PIJ-maatregel te verstrekkend vanwege vrijspraken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/049491-25, 10/389397-24, 13/001092-25 (t.t.z. gevoegd);

10/235593-23 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2008] te [geboorteplaats] ,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 22 september 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

Ten aanzien van parketnummer 16/049491-25

1:

op 24 december 2024 in Almere, samen met anderen, heeft geprobeerd aangever

[slachtoffer 1] te vermoorden;

2:

op 24 december 2024 in Almere een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van parketnummer 10/389397-24:

op 13 oktober 2024 in Antwerpen en/of Rotterdam, met een ander, een vuurwapen en munitie (4 kogelpatronen) van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van parketnummer 13/001092-25:

1:

op 1 januari 2025 in Amsterdam, met anderen en met gebruik van geweld, een jas, een smartphone en vuurwerk van [slachtoffer 2] heeft gestolen;

2:

op 1 januari 2025 in Amsterdam, op het Bijlmerplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] .

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van parketnummer 16/049491-25, feiten 1 en 2, parketnummer 10/389397-24 en van parketnummer 13/001092-25, feit 1.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak parketnummer 16/049491-25, feiten 1 en 2:

Inleiding

Vast staat dat er op 24 december 2024, omstreeks 22.15 uur, een schietincident heeft plaatsgevonden nabij de sportschool aan de [adres] te [plaats] . Hiervan heeft [slachtoffer 1] (hierna: aangever), eigenaar van die sportschool, aangifte gedaan. Hij heeft onder meer verklaard dat hij naar zijn auto liep en dat er een witte/licht grijze auto (met reclame erop) wegreed, terwijl de bijrijdersdeur nog openstond, en dat er vrijwel direct daarna een man in het zwart gekleed op hem af kwam lopen. De man trok iets omhoog en richtte iets op hem, waarop hij vluchtte. Aangever hoorde toen een paar knallen. Op de plaats delict zijn zes hulzen aangetroffen en ook op camerabeelden zijn meerdere knallen te horen rond voornoemd tijdstip.

Uit het dossier volgt dat een gehuurde Opel Corsa met kenteken [kenteken] betrokken was bij dit schietincident en dat de schutter als bijrijder in dit voertuig is gestapt nadat is geschoten.

De officier van justitie heeft gewezen op vergelijkend onderzoek tussen de locatiegegevens van het betrokken voertuig en mastgegevens, waaruit blijkt dat er één telefoonnummer is die op alle vijf de locaties is waar ook de auto zich op dat moment bevindt, namelijk het telefoonnummer van de verdachte. De officier van justitie heeft aangevoerd dat hieruit blijkt dat de verdachte ook in de auto moet hebben gezeten. Omdat medeverdachte [medeverdachte 1] al is veroordeeld als degene die het voertuig bestuurde, kan het niet anders dan dat de verdachte – die ook in het betrokken voertuig zat – de schutter was, zo heeft de officier van justitie onder meer aangevoerd.

De advocaat van de verdachte heeft onder meer aangevoerd dat als al kan worden bewezen dat de verdachte in de Opel Corsa met kenteken [kenteken] heeft gezeten uit de loggegevens van het voertuig niet zonder meer het door de officier van justitie geschetste scenario kan worden afgeleid dat er maar twee personen, medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte, in de Opel Corsa zaten.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft zich tijdens zijn eerste verhoren op zijn zwijgrecht beroepen dan wel ontkend dat hij iets te maken heeft gehad met het schietincident. Nadien heeft de verdachte een verklaring op schrift gesteld, een nadere verklaring bij de politie afgelegd en op de zitting van de inhoudelijke behandeling een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – op het volgende neerkomt:

telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] (hierna: [telefoonnummer verdachte] ) is van mij, daar maakt niemand anders gebruik van en ik had hem op 24 december 2024 als enige in gebruik;

een persoon genaamd [A] nodigde mij uit voor een huisfeestje op 24 december 2024;

ik ben met het openbaar vervoer naar Amsterdam gegaan. In de buurt van het Bijlmerplein ben ik met de auto opgehaald door [A] .

We zijn met de auto naar Almere gereden. Het huisfeestje ging niet door. Toen zijn we nog naar zijn vriendin gegaan. Dit moet in [plaats] zijn geweest, gelet op de telefoongegevens in het dossier.

We zijn naar zijn tante geweest. Uit het dossier leid ik af dat dit in [plaats] moet zijn geweest.

Ik heb niet in een Opel Corsa gezeten, maar alleen met [A] in een wat zwartere auto.

Ik heb eerder geen verklaring afgelegd, omdat mijn familie en ik eerder in een gevaarlijke situatie hebben gezeten nadat ik een verklaring had afgelegd in een andere zaak.

Ik heb niets met deze zaak te maken. Ik heb niet geschoten of gereden.

Telefoon- en zendmastgegevens en GPS-gegevens betrokken voertuig

In deze zaak komt het aan op de interpretatie van de zendmastgegevens in relatie tot de telefoon van de verdachte en de resultaten uit het onderzoek naar de gehuurde Opel Corsa (hierna: het betrokken voertuig). Uit de GPS-gegevens van het betrokken voertuig blijkt onder meer dat deze vanaf [straat] te Amsterdam richting de [straat] in Almere (plaats delict) is gereden en daar was rondom het schietincident. Nadat het schietincident had plaatsgevonden, is het voertuig onder andere gestopt in Nijkerk, Meerkerk, Sliedrecht en had Amsterdam als eindbestemming. Op vijf locaties waar het voertuig langere tijd stil stond, zijn zendmastbevragingen gedaan om zo te kunnen achterhalen of er een telefoonnummer met het voertuig is meegereisd. Uit deze bevragingen bleek dat er één telefoonnummer is dat op alle vijf de zendmastlocaties gebruik maakt van Cell-ID's, namelijk telefoonnummer

- [telefoonnummer verdachte] van de verdachte. Deze gegevens zijn dus belastend voor de verdachte.

Stopmomenten van het betrokken voertuig

Het huurbedrijf van het betrokken voertuig heeft GPS-gegevens ter beschikking gesteld. Er worden alleen GPS-gegevens geregistreerd bij bepaalde handelingen, zoals het aan- en uitschakelen van de motor. De startlocatie is [adres] te [plaats] . Ten aanzien van het eerste stopmoment – locatie [locatie] – is ten aanzien van die stop het volgende geverbaliseerd:

“Na [straat] te [plaats] is te zien dat het voertuig om 20.07 uur gestopt en geparkeerd werd op de [locatie] in [plaats] . Vanaf 20.35 uur is te zien dat de deur rechts voor of links/rechts achter werd geopend en later weer gesloten werd. Vervolgens vertrok het voertuig om 20.37 uur van deze locatie. Hierdoor lijkt het alsof er vanaf 20.35 uur naast de bestuurder nog een of meerdere personen bij het voertuig zijn, waarna het voertuig vertrekt.”

Dan volgen er stopmomenten waarbij geen portieren van het voertuig zijn geopend. Dat is anders op de zesde stopplek op de locatie [adres] te [plaats] . Deze stop is van 21.31 uur tot 21.51 uur. Ten aanzien van deze stop is het volgende geverbaliseerd:

“Om 21.31 uur werd het voertuig in de parking stand gezet op de [adres] te [plaats] . Dit is in de straat waar later omstreeks 22.15 uur het schietincident plaatsvond (….). Bij deze stop werd, omstreeks 21.50 uur, de deur rechts voor of links/rechts

achter geopend en enkele seconden later weer gesloten. Waarna het voertuig na enkele seconden weer in de drive stand werd gezet. Gelet op de logging bestaat de mogelijkheid dat bij deze stop een persoon uit het voertuig is gestapt of in het voertuig is gestapt .”

Hetgeen hiervoor is opgenomen over stopmomenten één en zes laat de mogelijkheid open dat er meer dan twee mensen in het voertuig hebben gezeten. Medeverdachte [medeverdachte 1] is reeds veroordeeld als de bestuurder van het betreffende voertuig. Indien zou worden aangenomen dat er slechts twee personen in het voertuig hebben gezeten, dan zou geredeneerd kunnen worden dat het niet anders kan dan dat de verdachte – gelet op de telefoongegevens en de GPS-locatie van het betrokken voertuig – de andere persoon is geweest in het voertuig. Indien medeverdachte [medeverdachte 1] het voertuig heeft bestuurd, dan moet de verdachte de schutter zijn, zo zou dan geconcludeerd kunnen worden. In dit verband is ook de informatie over de achttiende stopplek van het voertuig relevant. Over de achttiende stopplek is het volgende geverbaliseerd:

“Om 04.51 uur werd het voertuig opnieuw in de parking stand gezet en werd de parkeerrem

geactiveerd. Hierbij werd de locatie knooppunt Holendrecht te Amsterdam geregistreerd. Vervolgens is te zien dat zowel de deur rechts voor of links/rechts achter meermaals geopend en gesloten werd. Ook de deur links voor werd geopend en gesloten. Gelet op deze gegevens vermoedt het onderzoeksteam dat er mogelijk meer dan één persoon in het voertuig zat bij deze stop. Om 05.31 uur werd het voertuig weer in de drive stand gezet.”

Verondersteld wordt dat de verdachte op de zeventiende stop – in de nabijheid van zijn woonadres – is uitgestapt uit het voertuig. Hier is de officier van justitie ook vanuit gegaan. Dan is hetgeen hiervoor over de achttiende stopplek is opgenomen opmerkelijk, namelijk dat er vermoedelijk meer dan één persoon in het voertuig zat ten tijde van die achttiende stop, toen de verdachte al zou zijn uitgestapt bij de zeventiende stop. Ook hierin past de mogelijkheid dat er steeds al, ook ten tijde van het schietincident, meer dan twee personen in het betrokken voertuig hebben gezeten.

Dat er rondom het schietincident – kort ervoor, tijdens, of kort erna – daadwerkelijk twee personen in het voertuig hebben gezeten, zou eventueel kunnen volgen uit camerabeelden. Het dossier bevat diverse processen-verbaal met betrekking tot camerabeelden waarop het voertuig te zien is. Ook de bestanden van de camerabeelden zitten in het dossier. Uit pagina 135 van het dossier volgt echter dat het voertuig tussen 21.31 uur en 21.52 uur niet op beeld te zien is, zodat ook niet kan worden nagegaan of er rond 21.50 uur één of meer andere personen zijn ingestapt. Het enige instapmoment dat op de beelden te zien is, is het moment kort na het schietincident. Hoeveel mensen er dan in de auto zitten, is niet zichtbaar.

Verder valt nog het volgende op in het dossier. Uit camerabeelden (en de beschrijving daarvan, zie pagina 142 van het dossier) volgt dat het betrokken voertuig om 22:13:28 uur tot stilstand komt op de [straat] naast een donkerkleurig voertuig. Om 22:13:37 uur, dus 9 seconden nadat het betrokken voertuig naast het donkerkleurige voertuig tot stilstand kwam, rijdt het donkerkleurige voertuig achteruit. Dit donkerkleurige voertuig draait en komt vervolgens terug rijden over de [straat] in de richting van de [straat] . Uit het proces-verbaal dat ziet op de stopplekken van het betrokken voertuig, staat het volgende over voornoemde tijdstippen:

22:13:30 uur: deuren ontgrendeld;

22:13:31: deur rechts voor of links/rechts achter geopend;

22:13:35: deur rechts voor of links/rechts achter gesloten.

Dit zou hebben plaatsgevonden tijdens het rijden.

Dit korte stopmoment van het betrokken voertuig naast het donkerkleurige voertuig, waarbij rondom dat moment tevens een deur van het betrokken voertuig is opengegaan, geeft ook – naast hetgeen over de andere stopmomenten is opgemerkt – ruimte voor interpretatie. Is de donkerkleurige auto ook betrokken bij de schietpartij, die één minuut later plaatsvindt? Is er iemand overgestapt van het ene voertuig naar het andere voertuig? Omdat de camerabeelden, de telefoon- en mastgegevens en de GPS-informatie van het betrokken voertuig het doorslaggevende bewijs moeten vormen voor de betrokkenheid van de verdachte, moet er zorgvuldig worden gekeken hoe deze informatie geïnterpreteerd kan en moet worden. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor uiteen heeft gezet, volgt dat er ruimte is voor een alternatief scenario. De mogelijkheid dat er meer dan twee personen in het betrokken voertuig zitten rondom het schietincident is naar het oordeel van de rechtbank niet ondenkbeeldig. De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte dat hij met een persoon genaamd [A] in een ander voertuig reed dan het bij de schietpartij betrokken voertuig en toevallig dezelfde vrij specifieke route heeft gereden op dezelfde tijdstippen als de betrokken auto en daarom dezelfde zendmasten heeft aangestraald, niet geloofwaardig. Dat maakt echter niet dat de verdachte dan automatisch de schutter moet zijn geweest. Zeker niet omdat er mogelijk meer dan twee personen aanwezig waren in het betrokken voertuig die mogelijk een strafbare betrokkenheid hadden. Dat er slechts twee personen in het betrokken voertuig zaten rondom het schietincident, kan ook niet volgen uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , die wisselende verklaringen heeft afgelegd. De vraag of de verdachte een strafwaardige rol heeft gehad bij die schietpartij, aangenomen dat hij wel in het betrokken voertuig heeft gezeten, wordt onvoldoende duidelijk uit het dossier. Dit betekent dat de verdachte het voordeel van de twijfel moet worden gegeven. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de feiten 1 en 2.

Vrijspraak parketnummer 10/389397-24 :

Beoordelingscriteria voorhanden hebben vuurwapen

Vast staat dat er op 13 oktober 2024 een vuurwapen is aangetroffen in een rugzak die de medeverdachte van de verdachte bij zich had. Voor de vraag of de verdachte dit vuurwapen, al dan niet met een ander, voorhanden heeft gehad, zijn de volgende factoren van belang:

de aanwezigheid van het wapen, al dan niet in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte: de verdachte moet over het wapen kunnen beschikken;

er moet een zekere machtsuitoefening met betrekking tot het vuurwapen mogelijk zijn;

de verdachte moet zich – in meer om mindere mate – bewust zijn van de aanwezigheid van het vuurwapen.

Feiten en omstandigheden aantreffen vuurwapen

De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] reden zonder vervoerbewijs en zonder identiteitsbewijs met de trein vanuit Antwerpen naar Rotterdam. Hiervan werd melding gedaan. Vervolgens werd op het centraal station van Rotterdam een identiteitsfouillering gedaan. In de tas die medeverdachte [medeverdachte 2] volgens de betreffende ambtenaar steeds bij zich had, werd tijdens een identiteitsfouillering een vuurwapen aangetroffen. Ook uit camerabeelden van het centraal station te Rotterdam volgt dat medeverdachte [medeverdachte 2] de tas – waar naar later bleek een vuurwapen in zat – constant in zijn bezit heeft gehad. Het vuurwapen lag op de bodem van de (afgesloten) tas.

Onderzoek aan het wapen: DNA van de verdachte

Op pagina 44 van het dossier is beschreven hoe het vuurwapen is bemonsterd op humane biologische sporen: de trekker, haan, kolf, trommel, -as en -ontgrendelpal zijn gezamenlijk en de binnenzijde van de loop (tot ongeveer halverwege) bemonsterd. Dit leidt tot de volgende Spoor Identificatie Nummers (SIN):

SIN AARH6942NL (trekker, haan, kolf, trommel, -as en -ontgrendelpal);

SIN AARH6943NL (loop).

Uit het NFI-rapport volgt dat het DNA van het eerste hierboven genoemde spoor afkomstig kan zijn van minimaal vier personen, waaronder van de verdachte. Het tweede hierboven genoemde spoor (de loop) bevat geen DNA van de verdachte.

De trekker, haan, kolf, trommel, -as en -ontgrendelpal zijn dus gezamenlijk bemonsterd en dat leidt tot één spoor dat onderzocht is. Er kan dus niet gezegd worden dat specifiek, op elk van die plekken van het vuurwapen, DNA is aangetroffen van de verdachte.

De verklaring van de verdachte – secundaire overdracht DNA

De verdachte heeft verklaard dat hij die dag met medeverdachte [medeverdachte 2] was, dat hij hem een boks heeft gegeven en met hem heeft gestoeid, met hem heeft gegeten en ook aan zijn telefoon heeft gezeten en dat medeverdachte [medeverdachte 2] daarna ook met zijn handen in de tas is gegaan die de medeverdachte bij zich had. Op deze manier kan er via de medeverdachte DNA van de verdachte op het wapen zijn gekomen, aldus de verdachte en zijn advocaat.

De rechtbank overweegt dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden het door de verdachte geschetste scenario, namelijk dat sprake is van secundaire overdracht van zijn DNA op het vuurwapen, niet op voorhand onaannemelijk is. Gelet op die mogelijkheid en gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte, kan niet worden bewezen dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen in de tas die de medeverdachte steeds bij zich had. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

Bewijs parketnummer 13/001092-25, feiten 1 en 2

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 van parketnummer 13/001092-25 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Bewijsoverwegingen parketnummer 13/001092-25 feit 1

Inleiding

Uit de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen volgt dat tijdens de nacht van de jaarwisseling, op 1 januari 2025, door drie personen gezamenlijk – waaronder de verdachte – geweld is gebruikt tegen de aangever op het Bijlmerplein te Amsterdam. Daarbij zijn diverse goederen weggenomen die van de aangever zijn, namelijk zijn jas, zijn telefoon en vuurwerk. Hoewel een deel van de goederen snel weer terug waren bij de aangever, geldt ten aanzien van alle hiervoor genoemde goederen dat de daders zich deze goederen wederrechtelijk hebben toegeëigend en daar enige tijd de feitelijke heerschappij over hebben gehad en deze dus van de feitelijke heerschappij van de aangever hebben onttrokken. Er is dan ook sprake van een voltooide diefstal van voornoemde goederen.

De verklaring van de verdachte / het verweer

De advocaat van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 13/001092-25 feit 1 tenlastegelegde en daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte flink alcohol had genuttigd en dat hij zich daardoor niet precies herinnert wat er is gebeurd. De verdachte erkent dat hij met twee anderen heeft bijgedragen aan de ruzie met de aangever, maar niet bewust met de anderen heeft deelgenomen aan een eventuele diefstal.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen echter af, in onderling verband en samenhang bezien, dat de verdachte wel degelijk met zijn twee medeverdachten opzettelijk goederen heeft gestolen van de aangever en dat het geweld tegen de aangever daar onderdeel van was om die goederen te kunnen stelen. Uit de aangifte volgt dat alle drie de verdachten een rol hadden bij het stelen van de goederen en dat zij daarbij allemaal geweld hebben gebruikt tegen de aangever. Ook hebben alle drie de verdachten kort voor en tijdens het wegnemen van die goederen, zo volgt uit de verklaring van aangever, geweld gebruikt tegen aangever. Die verklaring van aangever over het gepleegde geweld, dat dienstbaar was aan het kunnen stelen van die goederen, wordt bovendien ondersteund door het proces-verbaal van de beschrijving van camerabeelden.

Dat de verdachte zich bepaalde dingen niet zou herinneren vanwege het alcoholgebruik komt bovendien voor zijn eigen rekening en risico. De geweldshandelingen waren, naar hun uiterlijk verschijningsvorm, gericht op het verkrijgen van de goederen van de aangever. De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen. Dat geld ook voor feit 2, namelijk het plegen van openlijk geweld tegen de aangever. Deze twee feiten gingen met elkaar gepaard en de rechtbank zal deze feiten kwalificeren als eendaadse samenloop.

Bewezenverklaring parketnummer 13/001092-25:

1

hij op 1 januari 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

een jas, een smartphone en meerdere stuks (knal)vuurwerk, die toebehoorden aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door

- te zeggen: "waar kom je vandaan" en "maak je zakken leeg" en "geef je spullen, geef je spullen" en "wat is je code" en

- die [slachtoffer 2] te achtervolgen en

- vervolgens die [slachtoffer 2] bij de capuchon vast te pakken en aan de capuchon te trekken, waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen en

- die [slachtoffer 2] in te sluiten en

- meermalen te duwen en te trekken tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en

- meermalen die [slachtoffer 2] in het gezicht te slaan en

- die [slachtoffer 2] mee te sleuren en

- meermalen die [slachtoffer 2] tegen de benen, althans tegen het lichaam te schoppen en

- meermalen met de knie tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te schoppen;

2

hij op 1 januari 2025 te Amsterdam, openlijk, te weten op het Bijlmerplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door:

- die [slachtoffer 2] te achtervolgen en die [slachtoffer 2] bij de capuchon vast te pakken en aan de capuchon te trekken waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen en

- die [slachtoffer 2] in te sluiten en

- meermalen te duwen en te trekken tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en

- meermalen die [slachtoffer 2] in het gezicht te slaan en

- die [slachtoffer 2] mee te sleuren en

- meermalen die [slachtoffer 2] tegen de benen, althans tegen het lichaam te schoppen en

- meermalen met de knie tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te schoppen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De onder parketnummer 13/001092-25 bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

De eendaadse samenloop van:

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken

en

feit 2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een jeugddetentie van 208 dagen, met aftrek van het voorarrest;

een taakstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in voorwaardelijke zin (hierna: voorwaardelijke PIJ-maatregel).

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte toegelicht en verzocht geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, zoals een jaar geleden is geadviseerd ten tijde van het persoonlijkheidsonderzoek. De verdediging heeft verzocht geen langere jeugddetentie op te leggen dan de verdachte al in voorarrest heeft gezeten met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel, dan wel – zoals door de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering is geadviseerd – het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft op 1 januari 2025, in de nacht van de jaarwisseling, met twee anderen een diefstal met geweld gepleegd op het Bijlmerplein te Amsterdam. Tijdens deze straatroof is tegen het slachtoffer fors geweld toegepast door de verdachte en zijn medeverdachten: het slachtoffer is onder meer door hen achtervolgd, meermalen naar de grond gewerkt, meegesleurd, geslagen en tegen zijn hoofd geschopt. De verdachte heeft geen respect gehad voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zijn eigendommen. Bovendien draagt zo’n straatroof bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte (het strafblad) van 20 augustus 2026. Hieruit volgt onder meer dat de verdachte al twee keer eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een straatroof. Bovendien heeft hij de nu bewezenverklaarde misdrijven gepleegd, terwijl hij in een proeftijd liep van een veroordeling voor – onder meer – een straatroof.

- een psychologisch en psychiatrisch onderzoek pro Justitia van 11 december 2025, opgemaakt door een kinder- en jeugdpsychiater, een arts in opleiding tot psychiater en een GZ-psycholoog. Hierin staan onder meer, zakelijk weergegeven, de volgende conclusies, bevindingen en adviezen:

Er is bij de verdachte sprake van een ernstige normoverschrijdend-gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie. Tevens is er sprake van een disharmonisch intelligentie profiel waarbij zijn verbale en ruimtelijke vermogens significant beter zijn ontwikkeld dan zijn verwerkingssnelheid en werkgeheugen. Overvraging door de omgeving en door hemzelf ligt op de loer. Wanneer hij onder druk staat, kan hij minder dan gemiddeld zijn impulsen onderdrukken en verkeerde keuzes maken. Er is ook sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.

Er kon geen delict analyse gemaakt worden door de ontkennende houding en daarom was het niet mogelijk om conclusies te trekken met betrekking tot de toerekenbaarheid van de feiten, indien bewezen.

Het recidiverisico is hoog. In het algemeen pleegt de verdachte feiten met

mededaders, terwijl tevens blijkt dat hij zich bevindt in een risicovolle interactie met andere antisociale jongeren. De verdachte staat onder druk, moest worden overgeplaatst binnen de JJI’s, en ook zijn familie werd hierbij betrokken. Dit geeft druk, en als hij onder druk staat neemt het risico op impulsiviteit toe; de persoonlijkheid staat dan meer onder druk, en de kans op recidive neemt dan toe.

Gezien het langdurige traject dat nodig is, en gezien de benodigde behandelintensiteit, is een langdurige klinische behandeling nodig. Gezien het hoge recidiverisico en de ernst van het ten laste gelegde wordt, bij bewezen feiten, geadviseerd om dit traject vorm te geven in een JJI, in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

- een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) van 12 mei 2026 waarin onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende is bevonden en geadviseerd:

De RvdK merkt op dat er een grote discrepantie is tussen de uitkomsten van de Pro Justitia rapportage en de uitkomsten van het raadsonderzoek. Het verschil in uitkomsten is te verklaren doordat het Pro Justitia rapport dateert van 11 december 2025 en het raadsrapport actuele informatie betreft van het functioneren van de verdachte van de afgelopen zes maanden. Deze informatie is meegewogen in de inschatting van de kans op recidive. De verdachte is al vaker met politie en justitie in aanraking gekomen en verkeerde geruime tijd in een criminogene omgeving waarbij hij omging met antisociale jongeren. Crimineel gedrag werd aangemoedigd en hij liet weinig weerstand en zelfcontrole zien. Ook was er sprake van grote onveiligheid voor de verdachte en zijn gezin. De verdachte lijkt sinds zijn schorsing afstand genomen te hebben van deze omgeving en maakt nu bewustere keuzes ten aanzien van vriendschappen. De verdachte verblijft in een voorziening van beschermd wonen waar er 24 uurs begeleiding aanwezig is, deze voorziening is buiten de regio waar de verdachte vandaan komt waardoor hij zich weer veilig voelt en niet meer onder druk staat. Hij staat open voor de begeleiding en feedback en stelt hulpvragen waar nodig. Hij staat aangemeld voor forensische behandeling ten aanzien van gedragsverandering en ook hier staat de verdachte voor open. Het lijkt erop dat de verandering van omgeving een verandering bij de verdachte heeft bewerkstelligd waarin zijn potentie meer tot uitdrukking komt. Vanuit de informatie van de jeugdreclasseerder en de begeleiding van de voorziening van beschermd wonen komt naar voren dat de verdachte een positieve gedragsverandering laat zien en gemotiveerd is voor een toekomst zonder politie en justitie.

Behandeling gericht op gedragsverandering is nodig om zo de kans op recidive te kunnen verkleinen. Ondanks dat de RvdK de zorgen vanuit het Pro Justitia onderzoek deelt, komt de RvdK na eigen onderzoek uit op een andere conclusie. De verdachte laat momenteel een positieve verandering in zijn gedrag zien: hij staat open voor behandeling, houdt zich aan de regels van zijn woonverblijf en aan de schorsingsvoorwaarden van de jeugdreclassering, gaat naar school, heeft werk en een positieve vrijetijdsinvulling. De RvdK acht de verdachte hierdoor in staat om onder voorwaarden en binnen een gestructureerde ambulante setting aan zijn ontwikkeling te werken. De RvdK is van mening dat deze positieve ontwikkeling versterkt kan worden binnen het huidige kader waarbij jeugdreclasseringstoezicht, begeleiding en behandeling samen vorm kan worden gegeven. De volgende voorwaarden worden geadviseerd bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel:• een contactverbod met de slachtoffers en met medeverdachten;• zich onder behandeling te stellen van [instelling 1] of een soortgelijke instelling;• verblijven in een instelling voor beschermd wonen;• gedurende het schooljaar onderwijs blijven volgen;• het hebben van werk.

- een rapportage van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond van 16 september 2026, opgemaakt door de jeugdbeschermer, waarin onder meer het volgende is bevonden en geadviseerd:

De verdachte werkt mee aan de schorsingsvoorwaarden van de rechtbank. Om de verdachte meer veiligheid, rust en ruimte te bieden om zich aan de voorwaarden zoals dagbesteding, contactverboden en avondklok te houden, is hij door de jeugdreclassering voor een begeleid wonen traject aangemeld. Hij is buiten de regio gaan wonen en daar gaat het goed. Hij is niet in beeld bij politie en justitie en ook de dreiging vanuit de oude regio lijkt minder aanwezig. Dat laatste heeft een positieve invloed op de verdachte. De jeugdreclassering is nog steeds van mening dat een ambulant kader passend is. Hij doet het goed en alleen de behandeling moet nog opstarten, hetgeen niet aan de verdachte te wijten is. Hij heeft inmiddels in augustus 2026 een intake gehad bij [instelling 1] en de behandeling kan snel starten. De jeugdreclassering heeft een ander beeld van de verdachte dan uit het onderzoek van het NIFP naar voren komt, zonder de zorgen met betrekking tot de delicten te bagatelliseren. Behandeling in een ambulant kader en het voortzetten van zijn plek buiten de regio is nog zeker nodig en wenselijk om de verbeteringen vast te houden. De verdachte laat al sinds zijn schorsing (en met hulp van strakke kaders) zien dat hij iets anders van zijn leven wil en kan maken. Er is intensief contact met de jeugdreclassering en met de begeleiding van de groep. Het afgelopen jaar is er juist gewerkt aan inzicht bieden, afstand nemen van criminaliteit en werken aan een positieve toekomst. De verdachte geeft aan dit allemaal te willen en te zullen laten zien dat het hem lukt. Hij heeft hierbij zeker nog toezicht en begeleiding nodig vanuit de jeugdreclassering en begeleiding van de groep. De jeugdreclassering ziet nog voldoende aanknopingspunten om behandeling in een ambulant kader te bieden, en ziet een flinke stok achter de deur voor de verdachte zeker als passend.

De jeugdreclassering deelt de mening van de RvdK en adviseert de rechtbank dat - mocht de verdachte schuldig worden bevonden aan de hem ten lastte gelegde feiten - hem een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, gelijk aan de duur van het voorarrest alsmede een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Dit alles onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden dat:• het de verdachte verboden wordt contact te leggen of te laten leggen met de slachtoffers en zich houdt aan een contactverbod met medeverdachten;• het de verdachte wordt verplicht zich onder behandeling van [instelling 1] of een soortgelijke instelling te stellen;• dat de verdachte meewerkt aan het traject bij een instelling voor beschermd wonen van [instelling 2] (als hoofdaanbieder) of een soortgelijke instelling;• dat de verdachte een startkwalificatie behaald;• dat de verdachte zich inzet voor het behouden van een (bij)baan;• een locatieverbod voor Almere indien de rechtbank dit nog nodig acht.

Overschrijding redelijke termijn - strafvermindering

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van die bijzondere omstandigheden is niet gebleken.

De verdachte wordt veroordeeld voor de feiten vermeld op de dagvaarding met parketnummer 13/001092-25 en voor de overige feiten vrijgesproken. Ten aanzien van die feiten is de verdachte op 1 januari 2025 aangehouden en in verzekering gesteld en is de redelijke termijn op die datum aangevangen. Dit betekent dat er uiterlijk 1 mei 2026 een eindvonnis gewezen had moeten worden, terwijl het eindvonnis daadwerkelijk wordt gewezen op 5 oktober 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn met (ongeveer) vijf maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding enige matiging van de op te leggen straffen tot gevolg moet hebben en in plaats van een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uren een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren opleggen. De overwegingen over de op te leggen straffen volgen hierna.

Strafkader

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals hierboven weergegeven, is een jeugddetentiestraf passend. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een hogere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

De rechtbank komt voor het overige tot een andere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist. Dit komt doordat de rechtbank de verdachte van diverse feiten zal vrijspreken, waaronder van de poging tot moord die de officier van justitie wel bewezen achtte en bij haar strafeis heeft betrokken.

Gelet op die vrijspraken vindt de rechtbank het opleggen van de PIJ-maatregel, ook in voorwaardelijke zin, te ver gaan. De verdachte heeft immers reeds lange tijd in voorlopige hechtenis gezeten en hoewel de bewezenverklaarde feiten zeer ernstig zijn, wordt de verdachte van het meest ernstige verwijt – de poging tot moord – vrijgesproken. De rechtbank ziet in de over de verdachte opgemaakte rapportages echter wel aanleiding om de in de rapportages van de jeugdreclassering en de RvdK vermelde bijzondere voorwaarden op te leggen – met uitzondering van de daarin genoemd contact- en locatieverboden – in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. Uit die rapportages volgt namelijk dat de verdachte baat heeft bij zijn nieuwe omgeving, die hem meer veiligheid en rust geeft. Binnen het kader van een jeugdreclasseringstoezicht kan hij de door hem positief ingezette weg en ontwikkeling kan voortzetten. Het opleggen van die bijzondere voorwaarden is dus in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Daarbij is de nog niet gestarte behandeling bij [instelling 1] of een soortgelijke instelling nodig, maar uit de rapportages volgt dat hij daar spoedig terecht kan. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden verbinden aan een voorwaardelijk op te leggen taakstraf in de vorm van een werkstraf.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte de volgende straffen op:

een jeugddetentie voor de duur van 208 dagen, met aftrek van het voorarrest. Dit betekent dat de verdachte de jeugddetentie al heeft uitgezeten en niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis;

een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen jeugddetentie, met oplegging van de in het dictum vermelde algemene en bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft hierbij, zoals eerder overwogen, rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 93.933,48 of € 70.647,48 of € 49.833,59 voor feit 1 van parketnummer 16/049491-25, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 81.933,48 of € 58.647,48 of € 37.833,59 voor vergoeding van materiële schade en € 12.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

kosten GZ- psycholoog ter hoogte van € 395,59;

gederfde winst / doorlopende vaste kosten bedrijf: € 79.659,89 of € 56.373,89 of

€ 35.560,00;

3. hotelovernachtingen ad € 1.324,- ;

4. reiskosten ad € 554,-.

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 500,- voor gemaakte proceskosten. Dit bedrag betreft de kosten voor het eigen risico van rechtsbijstand.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde schadevergoeding voor hoofdelijke toekenning in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de door de verdediging bepleite integrale vrijspraak voor dit feit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit waarop de vordering van de benadeelde partij ziet. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

De rechtbank ziet aanleiding tot compensatie van de proceskosten, in die zin, dat de verdachte en de benadeelde partij haar eigen kosten dragen.

7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter van de rechtbank Rotterdam heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10/235593-23 op 8 maart 2024 opgelegd: een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Het voorwaardelijke strafdeel is bij arrest van 13 februari 2025 gedeeltelijk ten uitvoer gelegd, namelijk voor een gedeelte van 16 uren. Ten aanzien van het overige voorwaardelijke strafdeel is de proeftijd met één jaar verlengd. De rechtbank ziet in de aard van de beslissingen van het nu te wijzen vonnis aanleiding om de vordering af te wijzen. Er wordt onder meer een voorwaardelijke straf opgelegd bij dit vonnis, met daarbij verschillende bijzondere voorwaarden, waaronder het volgen van een behandeling. Uit de rapportages volgt dat de verdachte nog wel een weg te gaan heeft en de rechtbank vindt dat het van belang is dat de verdachte met de op te leggen bijzondere voorwaarden aan de slag gaat om verder aan zichzelf te werken. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

8. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 55, 63 (oud), 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart de feiten 1 en 2 onder parketnummer 16/049491-25 en het feit onder parketnummer 10/389397-24 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder parketnummer 13/001092-25, feiten 1 en 2, bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 208 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 60 uren;

- bepaalt dat de taakstraf bestaande uit een werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- beveelt dat voor het geval de werkstraf ten uitvoer wordt gelegd en de verdachte de deze werkstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis jeugddetentie;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]

vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 10/235593-23

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. van Haaren-Paulus, voorzitter,

mr. B.T. Hammerle, tevens kinderrechter, en mr. M. Wolfrat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.

De voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 16/049491-25

1

hij op of omstreeks 24 december 2024 te Almere,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven

- een vuurwapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of met dat vuurwapen meermalen, althans eenmaal (een) kogel(s) in de richting van die [slachtoffer 1] heeft afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 24 december 2024 te Almere,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen

een (nog onbekend) (vuur)wapen van categorie II en/of III,

zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft

gehad.

Ten aanzien van parketnummer 10/389397-24:

hij op of omstreeks 13 oktober 2024 te Antwerpen en/of Rotterdam, althans in België en/of Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een (omgebouwde) revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 LR

en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de categorie III te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .22LR voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van parketnummer 13/001092-25:

1hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een jas, en/of een smartphone en/of een of meerdere stuks (knal)vuurwerk, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door-meermalen, althans eenmaal te zeggen: "waar kom je vandaan" en/of "maak je zakken leeg" en/of "geef je spullen, geef je spullen" en/of "wat is je code" en/of-meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] te achtervolgen en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] bij de capuchon vast te pakken en/of aan de capuchon te trekken waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomenen/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] in te sluiten en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal te duwen en/of te trekken tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] in het gezicht te slaan en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] mee te sleuren en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] tegen de benen te schoppen en/of trappen, althans tegen het lichaam en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal met de knie tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te schoppen en/of trappen;

2hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten op het Bijlmerplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door:-meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] te achtervolgen en/of -(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] bij de capuchon vast te pakken en/of aan de capuchon te trekken waardoor die [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] in te sluiten en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal te duwen en/of te trekken tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] in het gezicht te slaan en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] mee te sleuren en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] tegen de benen te schoppen en/of trappen, althans tegen het lichaam en/of-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal met de knie tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te schoppen en/of trappen;

Bijlage II - Bewijsmiddelen parketnummer 13/001092-25, feiten 1 en 2:

De verklaring van aangever [slachtoffer 2] van 1 januari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van aangever, zakelijk weergegeven:

Op 1 januari 2025 liep ik met twee vrienden richting het winkelcentrum De Poort te Amsterdam. Bij de H&M stonden drie jongens vuurwerk af te steken. Toen we dichterbij kwamen, zag ik dat ze op ons af kwamen lopen (hierna: persoon 1, persoon 2 en persoon 3). Persoon 1 zei: “"Waar kom je vandaan? Maak je zakken leeg." Toen ik hoorde dat we onze zakken leeg moesten maken zag ik dat twee van mijn vrienden wegrenden. Ik zag dat persoon 1 en persoon 2 achter mijn vrienden aan renden. Persoon 3 kwam achter mij aan. Ik rende richting het Bijlmerplein. Ik zag en hoorde dat Persoon 3 vlak achter mij aan rende. Ik voelde dat persoon 3 mij bij mijn capuchon pakte en mij daardoor op de grond liet vallen.

Toen ik op de grond lag zag ik dat persoon 1 en persoon 2 ook naar mij toe kwamen rennen. Ik zag en voelde dat persoon 3 zijn vlakke hand uithaalde op mijn gezicht. Ik zag en voelde dat persoon 2 zijn rechterhand naar achteren uithaalde, zijn vuist balde en mij op mijn neus sloeg. Ik voelde direct een enorm stekende pijn in mijn neus. Ik zag dat persoon 1 en persoon 3 mijn jas, mijn telefoon en mijn vuurwerk pakten. Ik hoorde ze allebei zeggen: "Geef je spullen, geef je spullen." Ik zag en voelde dat persoon 2 mij van de grond oppakte bij mijn schouder en mij al lopend meesleurde. Terwijl hij dit deed schopte hij mij hard tegen mijn benen aan ter hoogte van mijn knie. Ik voelde gelijk een stekende pijn bij mijn knie. Het is nog steeds rood waar hij mij schopte. Ik zag dat zijn vrienden intussen mijn telefoon in hun handen hadden. Ik hoorde persoon 1 tegen mij zeggen "Wat is je code?" en "Bel je vrienden." Ik wist dat als ik mijn code zou geven, of mijn telefoon zou ontgrendelen, dat ze hem sowieso zouden stelen. Op dat moment had ik mijn telefoon in mijn handen gekregen om hem te ontgrendelen. Ik hoorde persoon 2 tegen mij zeggen: "Ik geef je je jas terug als je je telefoon ontgrendeld." Ik zag dat persoon 2 mij mijn jas teruggaf, maar mijn telefoon en vuurwerk zaten er niet meer in. Ik hoorde persoon 2 zeggen: "Als je je telefoon ontgrendeld dan krijg je je jas terug.” Op dat moment zag ik dat er politie aan kwam rijden. Ik zag dat persoon 1 gelijk door de politie werd gepakt. Ik zag dat persoon 2 iets verderop werd gepakt door de politie. Op dit moment heb ik nog steeds veel pijn aan mijn neus en knie. Ook is mijn linker middelvinger dik geworden en pijnlijk.

Opmerking verbalisant: Ik zie dat het slachtoffer bloed heeft bij zijn neus en dat

zijn neus licht is opgezwollen. Ik zie dat hij bij zijn linkerknie een rode plek

heeft waar hij door iets geraakt is. Ik zie dat zijn linker middelvinger een stuk

dikker is dan zijn rechter middelvinger.

Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het uitkijken van camerabeelden waarin, zakelijk weergegeven, het volgende is opgeschreven door verbalisant:

Ik, verbalisant, bekeek camerabeelden naar aanleiding van een aanhouding. Ik zag één man (het slachtoffer) op een bankje zitten en drie mannen om hem heen staan.De drie mannen om hem heen omschrijf ik als volgt:- NN1: donkere korte jas tot aan de heupen, lichte broek, donkere schoenen;- NN2: geheel donker gekleed, donkere schoenen met een witte zool;- NN3: donkere jas, donkere broek gelijkend op een spijkerbroek, donkere schoenen.Ik zag dat het slachtoffer een telefoon in zijn handen hield. Ik zag dat NN1 en NN2 aan het slachtoffer begonnen te duwen en te trekken. Ik zag dat de telefoon van het slachtoffer op de grond viel en dat het slachtoffer dat weer oppakte. Ik zag dat NN1 en NN2 aan het slachtoffer begonnen te trekken. Duidelijk was te zien dat NN1 en NN2 fysiek contact maakten met het slachtoffer. Ik zag dat NN3 enkele seconden later hieraan meedeed. Ik zag dat NN1 een trappende beweging maakte richting het slachtoffer. Ik zag dat NN1 het slachtoffer raakte aan zijn bovenlichaam. Ik zag dat NN2 slaande bewegingen maakte met zijn handen in de richting van het slachtoffer. Vervolgens zag ik dat NN1 een schoppende beweging maakte met zijn knie richting het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor ten val raakte en ik zag dat NN1 het slachtoffer vastgreep en overeind trok. Ik zag vervolgens dat NN1 het slachtoffer met zich mee trok. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor ten val raakte. Ik zag dat NN1, NN2 en NN3 vervolgens weer fysiek contact maakten met het slachtoffer en ik zag dat het slachtoffer zich probeerde af te weren. Ik zag dat NN3 het slachtoffer aan zijn jas vast hield en het slachtoffer richting een muur trok. Ik zag dat NN3 het slachtoffer vast hield en dat het slachtoffer gebogen naar achteren probeerde te stappen. Ik zag dat het slachtoffer zich probeerde los te maken, waardoor zijn jas omhoog kwam. Ik zag dat NN2 een schoppende beweging maakte naar het slachtoffer en dat NN2 zijn been naar achteren bracht en met een schop het slachtoffer ten val bracht. Ik zag dat NN1 het slachtoffer vast hield terwijl het slachtoffer op de grond lag. Ik zag dat het slachtoffer zich los trok en overeind stond. Ik zag dat hij onmiddellijk weer werd vastgegrepen door NN2 en NN3. Ik zag dat NN1 een slaande beweging met zijn hand maakte richting het slachtoffer waardoor het slachtoffer met zijn rug tegen een muur aan kwam. Ik zag dat NN1 twee keer een schoppende beweging maakte met zijn knie waar NN1 beide keren het hoofd van het slachtoffer raakte.

Op 1 januari 2025 maakte mijn collega's foto's van medeverdachte [medeverdachte 3] en de verdachte met de kleding die zij al tijdens de aanhouding aan hadden. Op deze foto's zag ik dat de kleding van medeverdachte [medeverdachte 3] overeenkwam met de kleding van NN1. Ik zag dat de kleding van de verdachte overeenkwam met de kleding van NN2.

De verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van

22 september 2026:

Ik was in de nacht van 1 januari 2025 met twee anderen te Amsterdam. Ik was de persoon die in het proces-verbaal van de camerabeelden ‘NN2’ wordt genoemd, de man met de schoenen met een witte zool. Ik weet nog dat ik die jongen heb geslagen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand