RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.152008.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1994] in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair
op 2 juni 2024 in Lelystad een verkeersongeval heeft veroorzaakt door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, waarbij [slachtoffer] is overleden;
subsidiair ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd. Van het onderdeel van de tenlastelegging dat sprake is geweest van een ‘straatrace’ moet de verdachte volgens de officier van justitie worden vrijgesproken, omdat niet is gebleken dat die dag daadwerkelijk een wedstrijd heeft plaatsgevonden waarbij de onderlinge prestaties werden vastgesteld of vergeleken.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primaire en subsidiaire feit.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen primaire feit
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) waarbij iemand is gedood) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt vast dat er op 2 juni 2024 op de [straat] in Lelystad een bijeenkomst is geweest waarbij verschillende driftmotoren aanwezig waren die daar op de openbare weg hebben gedrift. Ook waren honderden toeschouwers aanwezig. Voor dit evenement was geen vergunning verleend. Op enig moment heeft de verdachte een drift ingezet. Op dat moment kwamen vanuit de tegenovergestelde richting drie (cross)motoren aanrijden. De verdachte en één van de crossmotoren zijn frontaal op elkaar gebotst, wat voor de bestuurder van de crossmotor fataal is afgelopen.
De verdachte wordt allereerst verweten dat hij in strijd met artikel 10 WVW heeft deelgenomen aan een straatrace. In artikel 10 WVW is opgenomen dat het verboden is om een wedstrijd op de openbare weg te organiseren of daaraan mee te doen. Van een wedstrijd in de zin van de wet is – onder andere – sprake als daarbij de prestaties van de deelnemers of hun voertuigen worden vergeleken of vastgesteld. Weliswaar blijkt uit het dossier dat verschillende motorrijders hun driftkunsten hebben vertoond, maar uit het dossier kan niet worden afgeleid dat hun prestaties daarbij op enige wijze werden vastgesteld, vergeleken of beoordeeld. Daarmee was geen sprake van een wedstrijd in de zin van artikel 10 WVW. Evenmin was daarmee sprake van een straatrace in de gangbare zin van het woord, nu, naar het oordeel van de rechtbank, een straatrace een wedstrijd op snelheid impliceert. Gelet daarop kan het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging niet bewezen worden verklaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt wel dat de verdachte driftend en slingerend/zigzaggend over de weg heeft gereden en dat hij geheel op het linker gedeelte van de [straat] is gekomen. Vervolgens heeft op die linker weghelft het fatale ongeluk plaatsgevonden, doordat verdachte – naar zijn zeggen – links om de aankomende crossmotor heen probeerde te rijden maar deze op dat moment ook diezelfde kant op uitweek (en dus vanuit de crossmotor gezien meer naar rechts). Door zo te rijden heeft de verdachte gehandeld in strijd met het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV). Daarin is opgenomen dat bestuurders verplicht zijn zoveel mogelijk rechts te houden (artikel 3 lid 1 RVV). Ook bij een weg waarbij wegmarkering ontbreekt moet zo veel mogelijk aan de rechterkant gereden worden. De verdachte moest zich aan deze regels houden omdat de plaats van het ongeval een openbare weg is waar de regels van de WVW en het RVV onverkort gelden. Dat er op dat moment sprake was van een illegaal evenement waarbij de deelnemers aan dat evenement hun eigen verkeersregels hanteerden, kan daaraan niet afdoen. Het spreekt voor zich dat een groep personen niet simpelweg de formele verkeerswetgeving op de openbare weg ter zijde kan stellen ten gunste van hun zelf bedachte verkeersregels. Dat er eerder die dag politie aanwezig is geweest op het evenement maakt dat niet anders, nu die enkele aanwezigheid dit illegale evenement niet alsnog legitimeert. Overigens – en ten overvloede – volgt uit het dossier voldoende duidelijk waarom de politie op dat moment niet heeft ingegrepen; de politie had niet het numerieke overwicht om een evenement met een dergelijke opkomst te beëindigen, terwijl de inschatting was dat het evenement binnen afzienbare tijd op natuurlijke wijze zou aflopen.
Vastgesteld kan dus worden dat verdachte zich niet aan de voor hem geldende verkeersregels heeft gehouden door niet zoveel mogelijk rechts te houden. Vervolgens kan bewezen worden verklaard dat verdachte zich er onvoldoende van heeft vergewist of de weg voor hem vrij was, nu hij, zo blijkt uit zijn eigen verklaringen, nog op de linker weghelft reed op het moment dat hij de crossmotoren aan zag komen. Daardoor kon de verdachte, zo begrijpt de rechtbank, niet meer tijdig naar zijn eigen weghelft terugkeren. Hoewel verdachte vervolgens heeft geremd en heeft getracht de crossmotor van het slachtoffer linksom te ontwijken, heeft dat ingrijpen het ongeluk niet kunnen voorkomen omdat het slachtoffer op zijn beurt naar rechts uitweek. Niet ter discussie staat dat het slachtoffer als gevolg van dat ongeluk is komen te overlijden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee schuld aan de dood van het slachtoffer [slachtoffer] . Verdachte heeft – bewust – niet zoveel mogelijk rechts gereden, maar nagenoeg de gehele breedte van de [straat] gebruikt om zijn driftkunsten te kunnen vertonen. Dat hij daarbij vertrouwd zou hebben op de ongeschreven, eigen verkeersregels van het evenement om ook de linker weghelft vrij te houden, ontslaat hem niet van die schuld. Zoals hiervoor al overwogen konden die ongeschreven regels de formele verkeerswetgeving niet terzijde stellen. Daarbij komt dat een dergelijk vertrouwen van verdachte in die ongeschreven regels ook misplaatst zou zijn geweest. Uit het dossier volgt immers dat er die dag al eerder incidenten waren geweest met (cross)motoren die zich niet aan die ongeschreven regels hadden gehouden, en dat verdachte dat wist. Verdachte kon er dus niet op vertrouwen dat alle aanwezigen bij het evenement – en dat waren er volgens de politie honderden – zich aan die ongeschreven regels zouden houden. Evenmin mocht verdachte vertrouwen op het startsein dat hem door de ‘verkeersregelaar’ werd gegeven. Zelfs al zou de weg vrij zijn geweest op het moment dat dat sein werd gegeven – waar de rechtbank wel vanuit gaat – betekende dat niet dat de weg gedurende de gehele drift van verdachte vrij zou blijven van tegemoetkomend verkeer. Het geven van een dergelijk startsein is immers een momentopname, terwijl een drift een langere tijdsduur beslaat en – zoals hiervoor overwogen – er onvoldoende controle bestond vanuit de ‘verkeersregelaars’ over de overige aanwezigen bij het evenement. Verdachte mocht er dus geenszins op vertrouwen dat de situatie voldoende veilig was voor een drift als door hem ingezet. Desondanks heeft verdachte een volgende drift ingezet, ditmaal met fatale gevolgen.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is welke mate van schuld dit handelen van verdachte oplevert. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van de verdachte is aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en niet, zoals de officier van justitie heeft betoogd, als roekeloos. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.
In zijn (standaard)arrest van 15 oktober 2024 heeft de Hoge Raad omschreven wanneer sprake is van roekeloosheid in het verkeer. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”.
Hoewel de verdachte in dit geval opzettelijk één van de in artikel 5a omschreven gedragingen – het onvoldoende rechts houden in een onoverzichtelijke situatie – heeft gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat hij die dag de algehele instelling had om de verkeersregels in ernstige mate te overtreden.
Daarbij is allereerst van belang dat verdachte, hoewel noodlottig, feitelijk één verkeersregel heeft overtreden: het onvoldoende rechts houden. Verdachte heeft daarbij, voor zover is vastgesteld, de snelheidslimiet niet overschreden. Verder geldt dat verdachte wel enige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen – in de vorm van de ‘verkeersregelaars’ die de weg behoorden vrij te houden – waardoor, hoewel nog steeds laakbaar, niet gezegd kan worden dat hij het lot van zijn medeweggebruikers geheel aan het toeval heeft overgelaten. Dat komt ook tot uiting door het feit dat verdachte eerder die dag het driften tijdelijk heeft gestaakt omdat hij het te druk vond. Ook dit geeft blijk van enige terughoudendheid van verdachte bij het aanvaarden van risico’s voor andere weggebruikers en hemzelf. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verdachte die dag de instelling had om in ernstige mate de verkeersregels te schenden. Om die reden merkt de rechtbank het gedrag van verdachte niet aan als roekeloos.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
primair
op 2 juni 2024, te Lelystad, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motor), daarmede rijdende over de weg, de [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, - al driftend en zigzaggend over voornoemde weg te rijden en - (daarbij) in strijd met artikel 3 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet voldoende rechts te houden en - zich (daarbij) onvoldoende is blijven vergewissen dat voornoemde weg vrij was van verkeer en - (vervolgens) niet tijdig en voldoende uit te wijken voor een tegemoetkomende crossmotor en - (vervolgens) geheel rijdend op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte frontaal tegen de crossmotor te botsen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofd- en hersenletsel werd toegebracht en die [slachtoffer] op [2024] is overleden.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en/of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van acht maanden;
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van twee jaar waarvan een gedeelte van één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat er rekening moet worden gehouden met het feit dat er sprake was van een evenement waaraan de verdachte meedeed en door een samenloop van onvoorzienbare omstandigheden, in botsing is gekomen met het slachtoffer.
Ook met het tijdsverloop moet in strafmatigende zin rekening worden gehouden. Het is een feit van meer dan twee jaar geleden en al die tijd hangt deze zaak boven zijn hoofd. Dat heeft de nodige stress meegebracht. Verder moet in strafmatigende zin rekening worden gehouden met het feit dat de verdachte zelf ook negatieve consequenties heeft ervaren van het ongeluk. Hij heeft permanente zenuwschade opgelopen en heeft veel last gehad van herbelevingen. Er is geen sprake van recidive. Ook het feit dat de verdachte een eigen bedrijf heeft in autoreparatie en -onderhoud moet bij de strafmaat meegewogen worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van 2 jaar op.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft op de openbare weg deelgenomen aan een illegaal driftevenement. Hier waren veel deelnemers, andere motorrijders en bezoekers op afgekomen, waardoor het erg druk was. Bij dit driftevenement werden de geldende verkeersregels actief genegeerd, ook door verdachte. Dat dit mis kon gaan moet voor eenieder duidelijk zijn geweest: eerder op de dag waren er al twee ongelukken gebeurd. Desondanks heeft de verdachte er niet voor gekozen om naar huis te gaan, maar is hij toch weer gaan driften.
De laatste drift van de dag is fataal afgelopen voor een tegemoetkomende motorcrosser. Verdachte is, al rijdend op de verkeerde weghelft, in botsing gekomen met die motorcrosser, als gevolg waarvan de motorcrosser is overleden. De actieve beslissing van verdachte om de geldende verkeersregels te negeren en enkel acht te slaan op de door zijn driftgroep gehanteerde eigen regels, heeft uiteindelijk het leven gekost van de nog maar 19 jaar oude [slachtoffer] . Dit heeft een enorme impact gehad op zijn familie, zoals treffend onder woorden is gebracht in de schriftelijke slachtofferverklaringen die ter zitting zijn voorgedragen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Op zitting heeft de verdachte verklaard dat hij het heel erg vindt wat er is gebeurd en meeleeft met de nabestaanden. De verdachte heeft geprobeerd om met de nabestaanden in gesprek te gaan in de vorm van mediation, maar dat is niet van de grond gekomen. Verdachte ondervindt zelf ook nog altijd de gevolgen van de aanrijding. Hij heeft last van herbelevingen en angsten. Ook is hij meerdere malen geopereerd aan zijn arm en zijn de zenuwen in zijn arm beschadigd. Er is daarbij geen zicht op herstel. Hij is gestopt met motorrijden en heeft zijn motoren weggedaan.
De verdachte heeft aangegeven dat hij zijn rijbewijs nodig heeft in verband met zijn werk als automonteur.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een overtreding van artikel 6 WVW waardoor een ander is gedood en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld zonder dat er alcohol is gebruikt, is een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging voor de duur van één jaar.
Hoewel het feit al ruim twee jaar geleden is gepleegd, is er in juridische zin geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn waarmee rekening moet worden gehouden. De eerste daad tot vervolging van de verdachte heeft plaatsgevonden op het moment dat de verdachte als verdachte is gehoord, te weten op 18 april 2025. Sinds dat moment is er nog geen twee jaar verstreken.
De rechtbank houdt er echter wel rekening mee dat de verdachte sinds die tijd, behalve een nog niet beoordeelde verdenking van een snelheidsovertreding, niet weer voor een verkeersdelict met justitie in aanraking is gekomen. Gelet daarop en op de verklaring van de verdachte dat hij het driften vaarwel heeft gezegd en ook geen motoren meer heeft, ziet de rechtbank geen aanleiding meer om twee jaar na het feit nog een onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen.
De rechtbank zal de rijontzegging van één jaar daarom voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is bedoeld om de verdachte ook in de toekomst ervan te weerhouden strafbare feiten te plegen.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van één jaar, met een proeftijd van twee jaar op.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank de roekeloosheid niet bewezen acht en daarmee tot een andere kwalificatie komt.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partijen
[benadeelde 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 28.400,- voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 8.400,- voor vergoeding van materiële schade en € 20.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
begrafeniskosten: € 1.200,-;
kosten van de ceremonie: € 5.000,-;
verblijfskosten in Marokko: € 1.500,-;
huur van een auto ter plaatse: € 700,-.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding voor gemaakte proceskosten volgens geliquideerd tarief.
[benadeelde 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.179,68 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 727,99 voor vergoeding van materiële schade, € 17.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) en € 3.951,69 aan buitengerechtelijke kosten.
De materiële schade bestaat uit de kosten voor lijkbezorging, zijnde de vliegtickets naar Marokko: € 727,99.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van gemaakte proceskosten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hoofdelijk kunnen worden toegewezen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de verzochte vrijspraak.
Subsidiair heeft de advocaat ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat het materiële deel van de vordering niet is onderbouwd. Bij de immateriële schade moet ook betekenis worden toegekend aan het rijgedrag van het slachtoffer. Het verder onderzoeken van de mogelijke eigen schuld van het slachtoffer levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij ook voor dit deel niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
Bij de vordering van [benadeelde 2] heeft de advocaat subsidiair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de materiële schade, omdat het onvoldoende is onderbouwd. Ook ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en voor de immateriële schade is hetzelfde aangevoerd als bij de vordering van [benadeelde 1] .
Oordeel van de rechtbank
[benadeelde 1]
Materiële schade
De raadsman heeft de vordering met betrekking tot de materiële schade betwist. Gelet op deze betwisting had het op de weg van de nabestaande gelegen om het bestaan van deze schade nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met facturen, betalingsbewijzen of, indien die niet beschikbaar zijn, met verklaringen waaruit blijkt dat die schade is geleden. Zonder dergelijke onderbouwende stukken kan dit deel van de vordering niet worden toegewezen.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van de affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden of ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Zij hebben recht op affectieschade zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
De benadeelde partij vordert, als vader van het slachtoffer, vergoeding van affectieschade.
De rechtbank wijst dit verzoek toe op grond van artikel 6:108 BW. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden.
De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van affectieschade, omdat hij ouder van het slachtoffer is. Omdat het slachtoffer ten tijde van zijn overlijden inwoonde bij de benadeelde partij, heeft deze in beginsel aanspraak op een schadevergoeding van € 20.000.
De advocaat van de verdachte heeft aangevoerd dat er rekening moet worden gehouden met een deel eigen schuld van het slachtoffer. De rechtbank ziet daar geen reden toe, omdat nergens uit blijkt dat het slachtoffer zelf schuld gehad zou hebben aan het ongeluk. Het slachtoffer reed op de openbare weg aan de (voor hem) rechterkant van de weg. Dit is de plek op de weg waar volgens het RVV gereden moet worden. Dat het slachtoffer zich mogelijk niet aan de ongeschreven regels van het evenement zou hebben gehouden, kan geen eigen schuld opleveren, nu het slachtoffer niet gehouden was zich aan die regels te houden maar juist aan de formele verkeerswetgeving diende te voldoen. Of het slachtoffer een zogenaamde ‘wheelie’ heeft gemaakt vlak voor het ongeluk, is onvoldoende komen vast te staan omdat de verschillende verklaringen hierover in het dossier elkaar tegenspreken. Uit de beschikbare beelden lijkt eerder het tegendeel te volgen.
Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 20.000,-.
Geen hoofdelijkheid
Omdat de medeverdachte is vrijgesproken wordt het verzoek om de verplichting tot schadevergoeding hoofdelijk aan de verdachten op te leggen, afgewezen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank werkt met een puntensysteem om de proceskosten te berekenen, het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent 2 punten toe voor een tarief van € 836,- per punt. De rechtbank begroot de proceskosten van de benadeelde partij daarmee op € 1.672,-.
[benadeelde 2]
Materiële schade
De raadsman heeft de vordering met betrekking tot de materiële schade betwist. De raadsman heeft erop gewezen dat deze afschrijving niet gedaan is van een rekening van de benadeelde en dat deze afschrijving van later datum is dan de datum dat de begrafenis volgens de schriftelijke slachtofferverklaring heeft plaatsgevonden. In reactie op deze betwisting heeft de benadeelde partij toegelicht dat de kosten van het vliegticket door haar broer zijn voldaan en dat zij pas na de begrafenis naar Marokko is gereisd. Onder die omstandigheden kan, bij gebrek aan een nadere onderbouwing, niet geoordeeld worden dat het hier door de benadeelde partij gemaakte kosten van lijkbezorging betreft.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Met betrekking tot de immateriële schade verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover is genoemd bij de vordering van [benadeelde 1] .
Door de benadeelde partij [benadeelde 2] is een bedrag van € 17.500, voor affectieschade gevraagd. De rechtbank zal dat bedrag op grond van het Besluit vergoeding affectieschade toekennen.
Buitengerechtelijke kosten
Uit de door de advocaat van de benadeelde partij toegevoegde stukken blijkt niet dat er door de benadeelde partij handelingen zijn verricht met als doel buitengerechtelijk vergoeding van de geleden schade te verkrijgen. Een aansprakelijkstelling of nadere sommaties ontbreken. Bij die stand van zaken bestaat geen aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van deze kosten daarom afwijzen.
Proceskosten
Ook met betrekking tot de proceskosten verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven bij de vordering van [benadeelde 1] is genoemd.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] ( feit 1 primair)
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 1.672,-;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1 primair)
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, mr. T.M. Sanders en mr. F.D.M. Osinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 2 juni 2024, te Lelystad, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motor), daarmede rijdende over de weg, de [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 deel te nemen aan een straatrace en/of- accelererend, althans met een hogere snelheid dan gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was al driftend en/of zigzaggend over voornoemde weg te rijden en/of- (daarbij) geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht te komen, althans in strijd met artikel 3 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet voldoende rechts te houden en/of- zich (daarbij) onvoldoende te vergewissen en/of is blijven vergewissen dat voornoemde weg vrij was van verkeer en/of- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende af te remmen en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijken voor een tegemoetkomende crossmotor en/of- (vervolgens) geheel of gedeeltelijk rijdend op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte frontaal tegen de crossmotor te botsen en/of aan te rijden,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofd- en hersenletsel werd toegebracht en die [slachtoffer] op [2024] is overleden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 2 juni 2024, te Lelystad, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (motor), daarmee rijdende op de weg, de [straat] ,- in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 deel heeft genomen aan een straatrace en/of- accelererend, althans met een hogere snelheid dan gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was al driftend en/of zigzaggend over voornoemde weg heeft gereden en/of- (daarbij) geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen, althans in strijd met artikel 3 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet voldoende rechts heeft gehouden en/of- zich (daarbij) onvoldoende heeft vergewist en/of is blijven vergewissen dat voornoemde weg vrij was van verkeer en/of- (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende is uitgeweken voor een tegemoetkomende crossmotor en/of- (vervolgens) geheel of gedeeltelijk rijdend op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte frontaal tegen de crossmotor is gebotst en/of aangereden,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende algemene bevindingen met betrekking tot de aanrijding, opgemaakt op 11 juni 2024, zakelijk weergegeven: (p31 ev)
Op 2 juni 2024 vond er een illegaal evenement plaats op het industriegebied rondom de [straat] te Lelystad. Op bepaalde weggedeeltes werd door deze racemotoren gedrift. Met driften wordt bedoeld dat de motor met een slippend achterwiel voorwaarts rijd waar de achterkant van de motor van rechts naar links slingert en uitglijd. Dit is op beelden de te zien. Ook was er nog een andere categorie motoren. Dit betroffen zogeheten crossmotoren.
De laatste bekende botsing betreft de fatale botsing met dodelijke afloop. Uit verklaringen en beelden blijkt dat het hier in ieder geval gaat om een botsing tussen een racemotor met verlengde achterbrug en een crossmotor.
Op foto 1 en 2 is te zien dat de motorfiets al driftend/slingerend aan komt gereden. Op foto 1 slaat de achterzijde van de motorfiets eerst uit naar recht. Vervolgens is op foto 2 te zien dat de achterkant van de motorfiets naar links uitbreekt.
Beide bestuurders reden frontaal naar elkaar toe.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [straat] Lelystad) opgemaakt op 21 juli 2024, zakelijk weergegeven:
De [straat] ligt buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom in Lelystad. Ik krassen op de rijbaan van de Karperdreef. Ik zag dat deze krassen recent ontstaan waren, aangezien er gruis in zat. Ik zag dat deze krassporen ongeveer 1,8 meter van de linkerberm aflagen. Ik zag in de grasberm links, medische hulpmiddelen (een spuit en een blauwe handschoen) liggen. Ik zag tevens blauwkleurige lakschilfers, een kunststof dop, een sluiting van een helm en een beschermkap van een elektromotor op het gras liggen.
Een proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek persoon [slachtoffer] , opgemaakt op 20 juli 2024, zakelijk weergegeven:
Wij hoorden de GGD-arts zeggen dat er een deel van de schedel was weggehaald door de behandelende arts om de druk op de hersenen te verlichten.
Op basis van wat door ons werd vastgesteld, alsmede de resultaten van de schouw,
wordt gesteld dat:
de genoemde persoon [slachtoffer] niet op natuurlijke wijze is overleden. Hij is
overleden ten gevolgde van hoofd/hersenletsel door botsend geweld op het hoofd.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting op 23 september 2026, zakelijk weergegeven:
Ik ben gaan driften op het moment dat ik een seintje kreeg. Toen ik net bezig was met mijn drift kwamen drie crossmotoren mij tegemoet. Ik reed op de linker weghelft en week uit naar links. Op het laatste moment week één van de crossmotoren ook uit naar dezelfde kant. Wij zijn toen frontaal op elkaar gebotst.
Ik wist dat er eerder op de dag problemen waren met de crossers en hoopte dat die opgelost waren.
Ik wist ook dat er geen vergunning was afgegeven voor het evenement.
Driften is een gevaarlijke sport, waarbij het grootste gevaar van andere mensen komt; van tegemoetkomend verkeer.