Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 617509 HA RK 26-176
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
5 oktober 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoekster,
1. De procedure
Verzoekster heeft op 8 september 2026, namens mevrouw [A] , een wrakingsverzoek ingediend.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Volgens verzoekster zijn er feiten die duiden op de schijn van partijdigheid van de rechtbank. Volgens verzoekster is zij uitgesloten van een lopende procedure van [A] bij deze rechtbank. Op 30 september 2026 heeft verzoekster de wrakingskamer gemaild. In haar e-mail schrijft verzoekster dat het volledige procesdossier door de griffier naar [A] is teruggestuurd, dat het Wrakingsprotocol niet is gevolgd omdat de lopende zaak van [A] tegen het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (hierna: VWS) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) niet is stilgelegd en het dossier door de griffier is uitgesloten van onderzoek door de wrakingskamer. Volgens verzoekster is de rechtbank bovendien betrokken bij een fraudeonderzoek waarin [A] het slachtoffer is. De zaak van [A] zou bij deze rechtbank geen eerlijke kans krijgen. Verzoekster wil daarom dat de zaak wordt behandeld door een andere rechtbank.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 8:15 Awb staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
Het wrakingsverzoek is ingesteld zonder dat er een zaak aanhangig is bij deze rechtbank. Zoals volgt uit de brief van 8 september 2026 van de rechtbank aan verzoekster kan verzoekster (nog) geen rechtsgeldig beroep instellen bij de rechtbank, omdat zij eerst de beslissing op het bezwaar van het ministerie van VWS moet afwachten.
Uit artikel 8:15 Awb volgt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen de rechter(s) die de zaak behandelt (behandelen). Omdat er (nog) geen zaak aanhangig is bij de rechtbank, is er dus ook geen rechter die de zaak behandelt. Verzoekster is daarom niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek.
Omdat de zaak niet aanhangig is, kan deze ook niet worden verwezen naar een andere rechtbank, zoals verzoekster wil.
4. De beslissing
De wrakingskamer
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, andere betrokken partijen en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. L.C. Michon en
mr. C.A.J. van Yperen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. D. van Wijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.