ECLI:NL:RBMNE:2026:6875

ECLI:NL:RBMNE:2026:6875

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 16/001810-26; 13/181639-24 (vord. tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Veroordeling voor stalking dmv AirTag in auto gedurende drie maanden en mishandeling. Partiële vrijspraak van het belagen van aangeefster door haar veelvuldig berichten te sturen, te vragen naar haar locatie en haar te bellen. Dossier geeft incompleet beeld van communicatie tussen verdachte en aangeefster. Ongezonde en instabiele, maar ook wederkerige relatie, ondanks contactverbod. Feiten rechtvaardigen tbs met dwangverpleging niet. Gevangenisstraf van 280 dagen met aftrek van voorarrest. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij met toepassing Rotterdamse Schaal. Verlenging proeftijd van vonnis waarvan tenuitvoerlegging is gevorderd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/001810-26; 13/181639-24 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 9 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1991] in [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

hierna: de verdachte.

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van

25 september 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

in de periode van 16 september 2025 tot en met 22 december 2025 in Almere en/of Ede

[slachtoffer] heeft belaagd door haar veelvuldig (indirect) berichten te sturen en haar te bevragen naar haar locatie, door haar veelvuldig te bellen en door een AirTag in haar auto te plaatsen om haar te kunnen volgen;

feit 2

op 27 oktober 2025 in Venlo [slachtoffer] heeft mishandeld door haar in haar arm of lichaam te knijpen en/of tegen haar lichaam te trappen en/of slaan.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft de rechtbank verzocht om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 (belaging en mishandeling) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen feit 1

Aangeefster [slachtoffer] en de verdachte hebben in het verleden een relatie gehad. Op

4 juni 2025 is de verdachte veroordeeld voor het meermalen mishandelen van de aangeefster en het bedreigen van de aangeefster. Daarbij is aan hem een contact- en locatieverbod opgelegd, maar al vrij snel na die veroordeling zijn zij weer met elkaar in contact gekomen. Aangeefster heeft op 10 december 2025 opnieuw aangifte gedaan tegen de verdachte. Ditmaal onder meer van belaging, bestaande uit het veelvuldig sturen van berichten, veelvuldig bellen, vragen naar haar locatie en het plaatsen van een AirTag in haar auto. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging door (enkel) het plaatsen van de AirTag en legt dat hierna uit.

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 16 september 2025 een melding ontving waarin stond dat er een onbekende AirTag met haar meereisde. Ook heeft zij verklaard dat zij het vermoeden kreeg gevolgd te worden door de verdachte. Op 19 september 2025 is een AirTag aangetroffen onder de achterbank van de auto van de aangeefster. De politie heeft onderzoek gedaan naar deze AirTag, waarna bleek dat daaraan een iCloud-account van de verdachte was gekoppeld.

De verdachte heeft geen concreet alternatief scenario gepresenteerd dat verklaart op welke wijze de AirTag onder de achterbank van de auto van de aangeefster terecht kan zijn gekomen. De rechtbank concludeert – tegen de achtergrond van de rest van het dossier – dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de AirTag in de auto van de aangeefster heeft geplaatst en haar gedurende ongeveer drie maanden heeft gevolgd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte in de vele berichten die hij in dezelfde periode naar de aangeefster heeft gestuurd zich buitengewoon nieuwsgierig heeft getoond naar haar locatie. Bovendien heeft de verdachte volgens de aangeefster tegen haar gezegd dat zij in een andere stad was geweest dan zij bij hem had aangegeven. Dit kwam volgens de aangeefster omdat zij toen haar auto had uitgeleend aan een collega.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur en de intensiteit van deze gedraging, de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan belaging schuldig heeft gemaakt.

Uit het dossier volgt verder dat de verdachte de aangeefster veelvuldig berichten heeft gestuurd en veelvuldig heeft gebeld. De rechtbank leidt uit het dossier af dat de aangeefster ook contact met de verdachte heeft opgenomen, maar het dossier bevat nagenoeg enkel de door de verdachte verstuurde berichten. Het dossier geeft daarmee een incompleet beeld van de communicatie tussen de verdachte en de aangeefster. Uit de beschikbare communicatie volgt het beeld van een ongezonde en instabiele, maar ook wederkerige relatie. De rechtbank heeft niet de overtuiging dat de aangeefster, zoals zij meermaals heeft verklaard, het contact enkel uit angst voor de verdachte heeft onderhouden.

Dat de verdachte de aangeefster veelvuldig berichten heeft gestuurd en heeft gebeld, kan gelet op de wederkerigheid van het contact niet worden gezien als een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het belagen van de aangeefster door haar veelvuldig berichten te sturen, haar veelvuldig (indirect) berichten te sturen via de status in Whatsapp, haar in berichten te bevragen naar haar locatie en haar veelvuldig te bellen.

Bewijsoverwegingen feit 2

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 27 oktober 2025 door de verdachte is mishandeld in een hotelkamer, waarbij een aan de muur bevestigd bedieningsscherm is gevallen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de aangeefster voldoende wordt ondersteund door de foto’s van het letsel en de bevindingen met betrekking tot de kapotte display. Het dossier bevat foto’s van blauwe plekken op de arm en bovenbenen. Dit letsel past goed bij de verklaring van de aangeefster, die inhoudt dat zij door de verdachte hard in haar arm is geknepen en is getrapt en geslagen. Ook heeft de frontofficemanager van het betreffende hotel bevestigd dat er direct na het verblijf van de verdachte en de aangeefster een reparatie is uitgevoerd aan het display in de hotelkamer.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1

in de periode van 16 september 2025 tot en met 19 december 2025 te Almere wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door een Airtag in de auto van voornoemde [slachtoffer] te plaatsen teneinde voornoemde [slachtoffer] te kunnen volgen, met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden;

feit 2

op 27 oktober 2025 te Venlo [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] in haar arm te knijpen en tegen het lichaam te trappen en te slaan.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1

belaging;

feit 2

mishandeling.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 (elf) maanden, met aftrek van het voorarrest en dat aan de verdachte wordt opgelegd een in tijd ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft verzocht om een straf op te leggen waardoor de verdachte zo spoedig mogelijk vrijkomt. Ook heeft zij bepleit dat aan de verdachte geen tbs-maatregel moet worden opgelegd, nu het bestaan van een stoornis niet is aangetoond en niet is voldaan aan het gevaarscriterium.

Oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en mishandeling van de aangeefster. De belaging heeft plaatsgevonden door een AirTag in de auto van de aangeefster te plaatsen en haar op deze wijze gedurende drie maanden te volgen. De verdachte heeft de aangeefster mishandeld door haar in haar arm te knijpen en haar tegen haar lichaam te trappen en te slaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2025, waaruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het meermalen mishandelen van dezelfde aangeefster, het bedreigen van de aangeefster en het vernielen van haar eigendom. De verdachte heeft voor deze feiten een gevangenisstraf opgelegd gekregen van 413 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden onder andere een contactverbod met de aangeefster. Dit contactverbod is ook als vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Ondanks deze contactverboden heeft de verdachte zich na zijn vrijlating schuldig gemaakt aan de genoemde belaging en mishandeling.

De gedragingen van de verdachte hebben een grote impact gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. De aangeefster heeft tijdens de zitting gebruikgemaakt van haar spreekrecht. Zij heeft benoemd dat zij tegen beter weten in hoopte dat incidenten zouden uitblijven en dat er niet opnieuw een patroon van geweld en angst zou ontstaan. Ondanks alle hulp die de verdachte ter beschikking stond, heeft de verdachte de aangeefster belaagd en opnieuw mishandeld.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van:

- een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’) van

3 juni 2026;

een pro Justitia rapport psychologisch onderzoek van 25 juni 2026;

een pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek van 14 juli 2026;

een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 28 augustus 2026.

Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat – zoals hiervoor al is benoemd – hij op 4 juni 2025 is veroordeeld voor mishandelingen, een bedreiging en een vernieling.

Uit het psychologisch onderzoek van 25 juni 2026 volgt dat de psycholoog een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken vaststelt. De psycholoog adviseert om de feiten in verminderde mate toe te rekenen en aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

Uit het psychiatrisch onderzoek van 14 juli 2026 volgt dat de psychiaters de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis niet kunnen aantonen, maar evenmin met zekerheid kunnen uitsluiten, om welke reden zij geen advies kunnen formuleren over een behandeling.

Zowel de psycholoog, M.G.H. van Willigenburg, als de psychiater, J. Marx, zijn op de zitting van 25 september 2026 als deskundigen gehoord. Ter zitting hebben beide deskundigen aangegeven hun bevindingen te handhaven en hebben zij die bevindingen desgevraagd nader uitgelegd.

In het reclasseringsadvies van 28 augustus 2026 wordt benoemd dat door het negatieve verloop van de behandeling bij De Waag, het negatieve verloop van eerdere toezichten, de (niet open) houding van de verdachte en de als hoog ingeschatte risico’s, een (nieuwe) ambulante behandeling niet voldoende wordt geacht. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met bijzondere voorwaarden te werken aan gedragsverandering en recidivevermindering.

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij mee zal werken aan ambulante behandeling als hij opnieuw die kans zou krijgen. De verdachte heeft aangegeven dat hij een grote fout heeft gemaakt door zich niet aan het eerder opgelegde contactverbod te houden en daarover vervolgens niet open te zijn.

De op te leggen straf

De rechtbank zal aan de verdachte geen tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen. Zoals uit het voorgaande is gebleken, verschillen de deskundigen van inzicht met betrekking tot de aanwezigheid van een stoornis. De rechtbank komt niet toe aan een oordeel op dat punt, nu het opleggen van tbs met dwangverpleging in dit geval afstuit op het beginsel van proportionaliteit. Alhoewel belaging een feit betreft op basis waarvan tbs met dwangverpleging zou kunnen worden opgelegd, heeft de belaging in dit geval enkel bestaan uit het plaatsen van een AirTag in het voertuig van de aangeefster. In de kern is er naar het oordeel van de rechtbank sprake (geweest) van een instabiele en ongezonde, maar wel wederkerige relatie tussen de aangeefster en de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten weliswaar ernstige feiten betreffen, zeker nu er sprake is van herhaling, maar dat die feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd niet de oplegging van de ingrijpende tbs-maatregel met dwangverpleging rechtvaardigen.

De rechtbank is wel van oordeel dat er gelet op de ernst van de feiten met geen andere straf kan worden volstaan dan met het opleggen van een aanzienlijke, onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een lichtere strafrechtelijke afdoening zou de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten miskennen, zeker nu er ten aanzien van de mishandeling sprake is van herhaling. De rechtbank zal dan ook een gevangenisstraf opleggen aan de verdachte.

Bij het bepalen van de straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, zoals ter terechtzitting is gebleken en hiervoor is omschreven. De rechtbank let ook op de straffen die in min of meer vergelijkbare strafzaken door rechters zijn opgelegd.

De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 280 dagen met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft al langer dan negen maanden in voorarrest gezeten. Daarmee is er dan ook geen ruimte meer voor een voorwaardelijk strafdeel. Mede om die reden zal de rechtbank de proeftijd van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf verlengen, zoals hierna uitgewerkt onder hoofdstuk 8. Er zal niet worden overgegaan tot het (opnieuw) opleggen van contact- en locatieverboden als vrijheidsbeperkende maatregel, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen in genoemd hoofdstuk 8.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de telefoons (goednummers 3638525 en 3638523) verbeurd te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft zich met betrekking tot het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee telefoontoestellen (goednummers 3638525 en 3638523) verbeurd verklaren. Met behulp van deze voorwerpen is het onder 1 bewezen verklaarde feit begaan.

7. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.250,00 voor de feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 750,00 voor vergoeding van materiële schade en € 5.500,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevraagd om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de advocaat verzocht om het bedrag aan immateriële schade te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering tot vergoeding van € 750,00 aan materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toewijzen.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.

In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde mishandeling. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 13.c van de Rotterdamse schaal (licht letsel, herstelperiode van ongeveer twee maanden). De rechtbank neemt het in die categorie genoemde maximumbedrag van

€ 1.100,00 als uitgangspunt. De rechtbank ziet aanleiding om dit bedrag naar boven bij te stellen, gelet op de eerdere veroordeling van de verdachte voor het meermalen mishandelen van de aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van

€ 1.500,00 billijk is wegens het opgelopen lichamelijk letsel.

De benadeelde partij heeft daarnaast voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt er bij haar sprake is van geestelijk letsel, onder andere ten gevolge van de door de verdachte gepleegde feiten, waarbij de feiten uit de eerdere strafzaak ook een rol spelen. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank opnieuw aansluiting bij de Rotterdamse schaal. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 17.c van de Rotterdamse schaal (belaging, tamelijk ernstig). De rechtbank neemt het in die categorie genoemde maximumbedrag van € 2.000,00 tot uitgangspunt. De rechtbank acht dit bedrag passend voor de aantasting in de persoon op andere wijze.

Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat in totaal een bedrag van in totaal € 3.500,00 billijk is als vergoeding van immateriële schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank zal het overige gedeelte van de vordering afwijzen.

Totaal toe te wijzen bedrag

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [slachtoffer] toewijzen tot een bedrag van (in totaal) € 4.250,00 aan materiële en immateriële schade samen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 27 oktober 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die (grotendeels) ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding (grotendeels) wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 4.250,00 aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 42 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De rechtbank in Amsterdam heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 13/181639-24 op 4 juni 2025 een voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen opgelegd, met een proeftijd van 3 jaar.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging toewijst. In het geval dat aan de verdachte geen tbs-maatregel wordt opgelegd, heeft de officier van justitie geëist dat de proeftijd met één jaar wordt verlengd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft primair verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht om de proeftijd met één jaar te verlengen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de proeftijd van de bij vonnis van 4 juni 2025 door de meervoudige kamer in de rechtbank Amsterdam opgelegde, voorwaardelijke gevangenisstraf verlengen met één jaar. De verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij het opgelegde contactverbod heeft overtreden, dat hij hierover niet open is geweest en bovenal dat hij ondanks de hem ter beschikking staande hulp is gerecidiveerd. Toch zal de rechtbank niet de tenuitvoerlegging gelasten, maar de proeftijd met één jaar verlengen. De rechtbank vindt het van belang dat de uit de bijzondere voorwaarden voortvloeiende contact- en locatieverboden in stand blijven ter beveiliging van de aangeefster. Ook vindt de rechtbank het van belang dat de verdachte de uit deze bijzondere voorwaarden voortvloeiende behandeling zal ondergaan.

9. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

-

10. De beslissing

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

Strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 280 (tweehonderdtachtig) dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag (feit 1)

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2)

€ 4.250,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 42 dagen gijzeling;

- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/181639-24

- verlengt de bij vonnis van 4 juni 2025 door de meervoudige kamer in de rechtbank Amsterdam aan de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden proeftijd met één jaar;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Piet, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en

mr. J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.T. Brassé als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.

De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij in of omstreeks van 16 september 2025 tot en met 22 december 2025 te Almere en/of Ede, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door

- veelvuldig berichten te sturen naar voornoemde [slachtoffer] en/of

- veelvuldig (indirect) berichten te sturen via de status in Whatsapp naar voornoemde [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] in voornoemde berichten te bevragen naar haar locatie en/of

- veelvuldig te bellen naar voornoemde [slachtoffer] en/of

- een Airtag in de auto van voornoemde [slachtoffer] te plaatsten teneinde voornoemde [slachtoffer] te kunnen volgen,

feit 2

hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Venlo, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] in haar arm, althans het lichaam, te knijpen en/of tegen het lichaam te trappen en/of te slaan.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

feit 1

Het proces-verbaal van aangifte van 10 december 2025, met daarin een verklaring van [slachtoffer] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op l6 september 2025 kreeg ik een melding op mijn telefoon dat er een onbekende AirTag met mij meereisde. Op 19 september 2025 is er door een bedrijf een AirTag gevonden onder de achterbank van mijn auto met kenteken [kenteken] . In overleg met mij, de politie en de man van het bedrijf is besloten om de AirTag in mijn auto te laten zitten, omdat degene die de AirTag heeft geplaatst een melding krijgt als de AirTag verplaatst wordt. Ik kreeg een vermoeden dat [verdachte] mij volgde. Op l6 september 2025 moest ik op meerdere locaties zijn. [verdachte] heeft mij die dag meermaals om mijn locatie gevraagd. Toen ik de locaties gaf, kreeg ik allemaal controle vragen. Die avond hadden we afgesproken bij [hotel] . [verdachte] vroeg nogmaals naar de locaties waar ik geweest was en ik antwoordde waar ik moest zijn. Hij begon de vraag te herhalen, vroeg of ik het zeker wist en werd bozer en dwingender. Ook bleef hij zeggen dat ik niet was geweest op de locatie die ik aangaf, maar in een andere stad. Ineens viel het voor mij op z'n plek, ik had namelijk mijn auto uitgeleend aan een collega. Er was een discrepantie tussen waar ik mij bevond en waar l van mijn 2 auto's was. Dit moment in combinatie met de melding op mijn telefoon zorgde ervoor dat ik mij totaal niet meer veilig voelde.

Het proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2026, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 19 september 2025 trof ik mevrouw [slachtoffer] aan in Almere. Ik zag gelijktijdig een man rondom een auto van [slachtoffer] lopen. Ik hoorde hem zeggen dat hij onder de achterbank van het voertuig een Apple AirTag had aangetroffen.

Het proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2025, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik deed onderzoek naar een Airtag die was aangetroffen in het voertuig met kenteken [kenteken] . Middels de NFC-chip zag ik de volgende gegevens:

Serienummer: [serienummer] .

Het proces-verbaal van bevindingen van 23 oktober 2025, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik deed onderzoek naar de gegevens van een AirTag met serienummer [serienummer] .

Gegevens van gekoppelde iCloud:

[e-mail adres] @gmail.com

[verdachte]

[adres] Netherlands

[telefoonnummer]

.

Het proces-verbaal van bevindingen van 23 oktober 2025, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik kreeg het resultaat binnen van een vordering op het emailadres dat gekoppeld is aan de Airtag welke in het voertuig is geplaats van slachtoffer [slachtoffer] .

Name: [verdachte] .

Given name: [verdachte] .

E-mail: [e-mail adres] @gmail.com.

Recovery e-mail: [e-mail adres] @live.nl.

Recovery SMS: [telefoonnummer] .

Het proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2025, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

De volgende gegevens zijn gekoppeld aan telefoonnummer: [telefoonnummer] .

Naam: [verdachte] .

Straat: [adres] , [woonplaats] .

feit 2

Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 24 december 2025, met daarin een verklaring van [slachtoffer] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

We waren van 26 oktober op 27 oktober in [hotel] Venlo. Toen ik aanstalten wilde maken om weg te gaan, vloog hij [de rechtbank begrijpt: de verdachte] mij agressief aan. In zijn aanval kneep hij heel hard in mijn bovenarm en trapte en sloeg mij zo hard dat ik ondersteboven op de grond viel. Ik probeerde te ontkomen en viel bijna naar beneden van de split level, waarbij de vaas omviel en het aan de muur bevestigde scherm van de bediening van de haarden en de gordijnen naar beneden viel. Van het letsel dat ik had opgelopen, heb ik de eerste l tot 2 weken veel pijn ervaren.

Het proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2025, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag het fotoblad, als bijlage bij de aangifte onder volgnummer -2 [de rechtbank begrijpt de aangifte van [slachtoffer] ].

Foto 12

Ik zag een foto, gemaakt op 29 oktober om 13:37 uur. Ik zag een rechterarm met twee blauwe plekken op de binnenzijde van de bovenarm. Ik zag dat één blauwe plek, nabij de elleboogholte, groter en paarser was dan de andere blauwe plek.

Foto 13 ​​​​

Ik zag een foto, gemaakt op 28 oktober om 22:14 uur. Ik zag het slachtoffer, met twee blauwe plekken op de binnenzijde van de bovenarm. Ik zag dat één blauwe plek, nabij de elleboogholte, groter en paarser was dan de andere blauwe plek.

Foto 14 ​​​

Ik zag een foto, gemaakt op 28 oktober om 02:11 uur. Ik zag een linkerbeen met meerdere blauwe plekken op de knie en voorzijde van het bovenbeen. Ik zag dat de blauwe plekken boven elkaar lagen, verschillende groottes hadden en paars van kleur waren.

Foto 16

Ik zag een foto, gemaakt op 28 oktober 02:09 uur. Ik zag de achterzijde van twee benen, met meerdere blauwe plekken op de achter- en zijkant van de bovenbenen.

Het proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2026, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik nam telefonisch contact op met het [hotel] hotel te Venlo. Ik sprak met

de heer [getuige] , frontofficemanager van dit hotel. Ik hoorde dat [getuige] mij verklaarde dat er een reparatie was uitgevoerd aan dit display op 27 oktober 2025 nadat [verdachte] en [slachtoffer] in de kamer hadden verbleven. Ik hoorde ook dat de schade wel ontstaan moest zijn ten tijde van hun verblijf, omdat de kamers na ieder gebruik volledig worden gecontroleerd op schades en defecten. Als er schades zijn worden deze direct door de technische dienst gerepareerd. Als reparatie niet direct mogelijk is, wordt de kamer uit de verkoop gehouden. Ik zag dat [getuige] mij vervolgens een screenshot stuurde van het logboek waarin de reparaties binnen het hotel worden bijgehouden. Ik zie op dit screenshot dat de reparatie is uitgevoerd op maandag 27 oktober 2025 te 15:07 uur.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand