ECLI:NL:RBMNE:2026:688

ECLI:NL:RBMNE:2026:688

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer 11950152 \ UE VERZ 25-336 (JH/1050)
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek van de werknemer toe. De verzochte billijke vergoeding en transitievergoeding worden afgewezen omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 11950152 \ UE VERZ 25-336 (JH/1050)

Beschikking van 18 februari 2026

in de zaak van

[verzoekende partij] ,

wonende in [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoekende partij] ,

gemachtigde: mr. J.P. Volk,

tegen

STICHTING RECLASSERING NEDERLAND,

gevestigd in Utrecht,

verwerende partij,

hierna te noemen: Reclassering Nederland,

gemachtigde: mr. E.B. Wits.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van [verzoekende partij] met 63 producties en het verweerschrift van Reclassering Nederland met 11 producties. Reclassering Nederland heeft daarna de aanvullende productie 12 overgelegd en [verzoekende partij] de aanvullende producties 64 tot en met 69.

Op 14 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoekende partij] is verschenen, vergezeld door haar partner en bijgestaan door haar gemachtigde. Namens Reclassering Nederland zijn verschenen mevrouw [A] (adviseur) en de heer [B] (voorheen leidinggevende, thans gepensioneerd), bijgestaan door de gemachtigde.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht. De gemachtigde van [verzoekende partij] heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.

Partijen hebben na de zitting overleg gehad, maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid. Hierna is uitspraak bepaald.

2. De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt [verzoekende partij] ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning van onder meer een billijke vergoeding en transitievergoeding. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe. De verzochte billijke vergoeding en transitievergoeding worden afgewezen omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Reclassering Nederland. Reclassering Nederland moet aan [verzoekende partij] wel 25% wettelijke verhoging betalen over het loon over juni, juli en augustus 2024, omdat het niet uitbetalen van dit loon voor rekening en risico van Reclassering Nederland komt. Het verzoek van [verzoekende partij] tot uitbetaling van vakantie-uren is deels toewijsbaar, namelijk slechts voorzover het vakantie-uren betreft die zijn opgebouwd tot de datum einde wachttijd.

3. De feiten

[verzoekende partij] , geboren [1986] , is sinds 13 december 2010 in dienst bij Reclassering Nederland. De functie van [verzoekende partij] is [functie] en haar loon bedraagt € 4.501 bruto per maand, te vermeerderen met emolumenten.

[verzoekende partij] heeft zich op 19 oktober 2021 ziekgemeld wegens kortdurende klachten. Op 15 november 2021 heeft zij zich voor langere duur ziekgemeld. Van 22 juli 2022 tot 11 november 2022 had [verzoekende partij] zwangerschaps- en bevallingsverlof. Vanaf 11 november 2022 is [verzoekende partij] weer arbeidsongeschikt.

[verzoekende partij] was in eerste instantie niet belastbaar. In september 2023 is zij gestart met re-integratie in aangepast werk. In oktober 2023 is een arbeidsdeskundig onderzoek verricht en is een opbouwschema voor re-integratie opgesteld. Die opbouw is niet gelukt. In november 2023 is een tweede spoor traject ingezet.

Op 17 januari 2024 heeft het UWV geconcludeerd dat Reclassering Nederland niet voldoende inspanningen heeft verricht om [verzoekende partij] aan het werk te helpen. De arbeidsdeskundige van het UWV overweegt het volgende:

Het opbouwschema is niet gevolgd. Werknemer is het niet eens met een aantal zaken en verwijt werkgever en werkgever verwijt werknemer dat ze niet meewerkt. Werkgever moet in het ziekte proces de leiding nemen en als zaken niet vlot verlopen, in gesprek gaan met elkaar, eventueel met een bemiddelaar of mediator. Er hebben gesprekken/evaluaties plaatsgevonden, maar het is niet gelukt te re-integratie vlot te trekken en de re-integratie op te bouwen conform schema. Er is door werkgever niet adequaat gereageerd, bijvoorbeeld met een spoedbezoek bij de bedrijfsarts. Tevens zijn er door werkgever geen prikkelende maatregelen genomen richting werknemer (als werkgever van mening is dat de re-integratie stagneert door werknemer).

In januari 2024 is mediation in gang gezet. Reclassering Nederland heeft [verzoekende partij] ook tweemaal een beëindigingsvoorstel gedaan. Dit alles heeft niet tot een oplossing geleid. Op 12 april 2024 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om een herstart te maken met de mediation. Die herstart heeft niet plaatsgevonden.

Reclassering Nederland was van mening dat haar loondoorbetalingsverplichting was geëindigd op 17 februari 2024. Zij ging hierbij uit van 19 oktober 2021 als eerste ziektedag. Reclassering Nederland heeft daarom het loon van [verzoekende partij] per 1 juni 2024 stopgezet. [verzoekende partij] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Op 6 september 2024 heeft de verzekeringsarts van het UWV geconcludeerd dat er geen sprake is van dezelfde ziekteoorzaak vóór en ná het zwangerschaps- en bevallingsverlof van [verzoekende partij] . De eerste ziektedag van [verzoekende partij] is daardoor 11 november 2022 en de datum einde wachttijd is 8 november 2024. Reclassering Nederland heeft vervolgens op 26 september 2024 alsnog het loon over de maanden juni, juli en augustus 2024 aan [verzoekende partij] betaald.

Bij beslissing van 18 september 2024 heeft het UWV aan [verzoekende partij] een WIA-uitkering toegekend met ingang van 8 november 2024. Bij beslissing op bezwaar van 12 mei 2025 heeft het UWV alsnog geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van Reclassering Nederland onvoldoende zijn geweest. De (datum van) toewijzing van de WIA-uitkering is niet gewijzigd. De arbeidsdeskundige van het UWV heeft het volgende overwogen:

Werkgever heeft de processtappen ondernomen die in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter van werkgever verwacht worden. Echter voor wat betreft de mediation ben ik van mening dat daar de zaak is ontspoord. Of nu wel of niet direct een VSO is aangeboden, laat ik in het midden. (…) Bij een verstoorde arbeidsrelatie dient mediation (…) te zijn gericht op het oplossen van een conflict. Doel hiervan is de weg vrij maken voor hervatting van de re-integratie (in het 1e spoor). Dat zie ik in deze zaak beslist niet terug. (…)

Voorts is het steeds terugkerende advies van de bedrijfsarts (regelmatige 2-wekelijkse evaluatie) naar mijn mening onvoldoende opgevolgd. Ik zie mede daarin de reden waarom er van werknemerszijde zich in het dossier een veelheid van e-mailberichten bevindt, waarmee zij getracht heeft zaken vast te leggen en helderheid te krijgen in het proces. (…)

De zinsneden uit de VSO die aan werknemer is voorgelegd (…) doen zeker geen recht aan een 14-jarig dienstverband. Dit heeft de situatie naar mijn mening alleen maar meer op scherp gezet.”

4. De beoordeling

[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden en aan haar een transitievergoeding toe te kennen van

€ 29.021,47 bruto en een billijke vergoeding van € 125.664,32 bruto. [verzoekende partij] verzoekt daarnaast uitbetaling van opgebouwde vakantiedagen en de wettelijke verhoging over het achterstallig loon over juni, juli en augustus 2024. [verzoekende partij] verzocht aanvankelijk ook uitbetaling van vakantiebijslag, maar zij heeft dat verzoek op de mondelinge behandeling ingetrokken.

Reclassering Nederland heeft geen verweer gevoerd tegen de door [verzoekende partij] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar wel tegen de verzochte vergoedingen.

De kantonrechter zal eerst ingaan op het ontbindingsverzoek van [verzoekende partij] en daarna op de door haar verzochte vergoedingen.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst inmiddels inhoudsloos is geworden. Vast staat verder dat de arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. Het verzoek van [verzoekende partij] wordt daarom toegewezen. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 maart 2026.

Transitievergoeding en/of billijke vergoeding

Vervolgens moet worden beoordeeld of er aanleiding is voor toekenning van de verzochte transitievergoeding en billijke vergoeding. Nu het ontbindingsverzoek is ingediend door [verzoekende partij] als werknemer, is de transitievergoeding alleen verschuldigd als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever. Voor de toekenning van een billijke vergoeding geldt dezelfde maatstaf. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich alleen zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat.

De oorzaak van de verstoring van de arbeidsrelatie ligt grotendeels in het feit dat tussen partijen veel discussie is geweest over de wijze waarop de re-integratie van [verzoekende partij] moest worden vormgegeven. [verzoekende partij] maakt Reclassering Nederland in haar verzoekschrift een aantal verwijten. Anders dan [verzoekende partij] stelt blijkt hieruit niet dat Reclassering Nederland ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter zal dat hierna toelichten.

De omstandigheid dat Reclassering Nederland bij diverse gelegenheden het advies van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige heeft gevolgd kan haar niet worden verweten. Een werkgever mag in beginsel afgaan op deze adviezen. Uit de stukken blijkt dat de bedrijfsarts [verzoekende partij] op 8 mei 2023 in staat achtte tot het opstarten van passende werkzaamheden. Het verwijt van [verzoekende partij] dat Reclassering Nederland haar daaraan heeft willen houden, treft daarom geen doel. Pas uit de rapportage van de bedrijfsarts van

25 mei 2023 blijkt dat de eerdere inschatting van de bedrijfsarts te optimistisch was.

Datzelfde geldt voor het verwijt dat Reclassering Nederland in oktober 2023 heeft willen vasthouden aan het door de arbeidsdeskundige opgestelde opbouwschema. Dit opbouwschema was gebaseerd op de verwachting die de bedrijfsarts had over de verbetering van de belastbaarheid van [verzoekende partij] . Als gaandeweg zou blijken dat opbouw te zwaar was, zou het schema kunnen worden aangepast. De arbeidsdeskundige heeft in zijn definitieve rapportage aan [verzoekende partij] kenbaar gemaakt dat de verwachting in dat geval blijkbaar niet uitkomt. Van strijd met het advies van de bedrijfsarts van 31 augustus en

19 oktober 2023 is, anders dan [verzoekende partij] stelt, geen sprake.

Reclassering Nederland kan evenmin worden verweten dat zij in november 2023 het tweede spoor traject heeft opgestart. Reclassering Nederland was hiertoe verplicht op grond van de Wet verbetering Poortwachter.

Een ander verwijt van [verzoekende partij] is dat Reclassering Nederland druk op haar heeft uitgeoefend door in juni en oktober 2023 aan te dringen op intensiever contact met [verzoekende partij] . De kantonrechter vindt dit verwijt niet terecht. Het is niet onbegrijpelijk dat Reclassering Nederland de contactmomenten met [verzoekende partij] heeft willen opvoeren. Zoals het UWV in het deskundigenoordeel van januari 2024 heeft overwogen moet een werkgever in het ziekteproces de leiding nemen en als zaken niet vlot verlopen, in gesprek gaan met elkaar. Hoewel de intentie van Reclassering Nederland voor intensiever contact goed was, namelijk het verlagen van de drempel voor [verzoekende partij] tot re-integratie, heeft dit averechts gewerkt. Reclassering Nederland heeft zich onvoldoende gerealiseerd dat [verzoekende partij] zich hierdoor onder druk gezet voelde. [verzoekende partij] heeft Reclassering Nederland hier in de gesprekken van juni, oktober en november 2023 op gewezen (producties 65, 66 en 67). Niet gesteld of gebleken is dat Reclassering Nederland na deze gesprekken nog heeft aangedrongen op (intensief) contact met [verzoekende partij] . Hoewel dit aansloot bij de wens van [verzoekende partij] , is dit voor het UWV wel één van de redenen geweest om in december 2024 te oordelen dat de re-integratie-inspanningen van Reclassering Nederland onvoldoende waren.

Bij langdurige arbeidsongeschiktheid van een werknemer zijn er bijna altijd momenten aan te wijzen waarop een werkgever anders of beter had kunnen handelen. Dat is hier ook het geval. Reclassering Nederland had in de zomer van 2023 eerder een vervolgconsult bij de bedrijfsarts moeten verzorgen en had in correspondentie en gesprekken haar woorden zorgvuldiger kunnen kiezen. De kantonrechter is bovendien met de deskundige van het UWV van oordeel dat de inhoud van de door Reclassering Nederland voorgestelde beëindigingsregeling geen recht doet aan de situatie en de duur van het dienstverband. Dat dit tot spanningen tussen partijen heeft geleid is zeer voorstelbaar en valt Reclassering Nederland te verwijten.

De mediation is in maart 2024 beëindigd. Nog voordat [verzoekende partij] hiervan op de hoogte is gesteld heeft Reclassering Nederland haar opgeroepen voor een gesprek over haar re-integratie. [verzoekende partij] heeft Reclassering Nederland op 4 april 2024 laten weten dat zij niet geïnformeerd is over de beëindiging van de mediation en heeft verzocht om een consult bij de bedrijfsarts. Desondanks heeft Reclassering Nederland haar diezelfde dag een waarschuwingsbrief gestuurd met aankondiging van loonopschorting als zij niet meewerkt aan re-integratie. Reclassering Nederland heeft hiermee te voortvarend en onnodig escalerend gehandeld.

De mediation is, ondanks het advies van de bedrijfsarts, niet hervat. De kantonrechter begrijpt dat dit (mede) komt doordat Reclassering Nederland in de veronderstelling verkeerde dat de wachttijd in februari 2024 was geëindigd. Het is Reclassering Nederland vanaf 6 september 2024 duidelijk dat haar veronderstelling, en de daarop gebaseerde loonstop, onjuist was. Op dat moment was de arbeidsverhouding al lange tijd ernstig verstoord. Hoewel van Reclassering Nederland mocht worden verwacht dat zij de mediation zou herstarten, is het niet waarschijnlijk dat dit tot een oplossing van de geschillen tussen partijen zou hebben geleid.

Uit het voorgaande volgt dat Reclassering Nederland op een aantal punten anders of beter had moeten handelen. Maar die punten rechtvaardigen niet de conclusie dat Reclassering Nederland grovelijk de verplichtingen niet is nagekomen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. De verzoeken om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding worden daarom afgewezen.

Reclassering Nederland heeft in het verweerschrift aangegeven dat zij wel bereid is een transitievergoeding aan [verzoekende partij] te betalen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat Reclassering Nederland hiertoe alsnog zal overgaan.

Voordat een ontbinding waaraan geen vergoeding wordt verbonden wordt uitgesproken, moet de rechter partijen van zijn voornemen in kennis stellen en verzoeker een termijn stellen waarbinnen hij zijn verzoek kan intrekken. Die gelegenheid zal aan [verzoekende partij] worden geboden.

Uitbetaling van vakantie-uren

[verzoekende partij] maakt verder aanspraak op uitbetaling van vakantie-uren. Zij maakt daarbij onderscheid tussen vakantie-uren die zijn opgebouwd tót 8 november 2024 (datum einde wachttijd) en ná 8 november 2024.

[verzoekende partij] heeft in haar verzoekschrift gesteld dat zij recht heeft op uitbetaling van 961,67 vakantie-uren opgebouwd tot 8 november 2024. Dat komt volgens haar neer op een bedrag van € 32.278,66 bruto. Reclassering Nederland heeft dit gemotiveerd betwist en heeft bij verweerschrift een verlofoverzicht overgelegd waaruit volgt dat het verlofsaldo van [verzoekende partij] tot einde wachttijd 501 vakantie-uren bedraagt. Op de mondelinge behandeling heeft [verzoekende partij] de juistheid van dit overzicht erkend. Het verzoek van [verzoekende partij] tot uitbetaling van vakantie-uren wordt daarom toegewezen tot het door Reclassering Nederland berekende bedrag van € 17.152 bruto.

[verzoekende partij] stelt dat zij ook 243,73 vakantie-uren heeft opgebouwd in de periode na het verstrijken van de wachttijd tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Zij verwijst hiervoor naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2025. In die beschikking is geoordeeld dat zieke werknemers de gehele ziekteperiode, en niet alleen de eerste twee jaren, volledig vakantie-uren opbouwen, ongeacht of zij arbeid verrichten en ongeacht of zij recht hebben op loon. Om tot dat oordeel te komen heeft de kantonrechter van de rechtbank Gelderland artikel 7:634 lid 1 BW buiten beschouwing gelaten, omdat dit artikel in strijd zou zijn met artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG en artikel 31 lid 2 Handvest Grondrechten EU. In deze zaak wordt anders geoordeeld. De kantonrechter zal uitleggen waarom.

In artikel 7:634 lid 1 BW is bepaald dat een werknemer slechts vakantiedagen verwerft over de tijd dat hij aanspraak heeft op loon. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit een bewuste keuze is geweest van de wetgever. Dit uitgangspunt is niet zonder meer in strijd met artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG en artikel 31 lid 2 Handvest Grondrechten EU. Zowel de Richtlijn als het Handvest spreken namelijk van ‘recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon’. In dit geval is er geen recht op loon, omdat de wettelijke loondoorbetalingsverplichting bij ziekte is geëindigd. Er kan dus ook geen sprake zijn van behoud van loon. [verzoekende partij] ontvangt vanaf 8 november 2024 een WIA-uitkering. Die uitkering voorziet in vakantieopbouw met behoud van uitkering. Dat [verzoekende partij] daarnaast bij Reclassering Nederland betaalde vakantie-uren zou opbouwen, valt hiermee niet te rijmen. Het verzoek van [verzoekende partij] tot uitbetaling van vakantie-uren opgebouwd na einde wachttijd wordt daarom afgewezen.

Wettelijke verhoging over achterstallig loon

[verzoekende partij] verzoekt verder betaling van de wettelijke verhoging over het achterstallig loon over juni, juli en augustus 2024. Dit loon is te laat betaald, omdat Reclassering Nederland van mening was dat de wachttijd in februari 2024 was geëindigd. Hoewel hierover tussen partijen discussie bestond, heeft Reclassering Nederland een beslissing van het UWV op dit punt niet afgewacht. Hiermee heeft zij bewust het risico genomen dat nadien zou blijken dat de wachttijd niet in februari 2024 maar in november 2024 eindigde. Dit komt voor haar rekening. De wettelijke verhoging wordt daarom toegewezen. De kantonrechter ziet wel reden om deze te matigen tot maximaal 25% omdat er geen sprake is geweest van zuivere betalingsonwil van Reclassering Nederland. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging is toewijsbaar als verzocht.

Proceskosten

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5. De beslissing

De kantonrechter

stelt [verzoekende partij] in de gelegenheid tot en met 25 februari 2026 haar verzoek in te trekken door middel van een op de griffie van de rechtbank, sector kanton, te ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan Reclassering Nederland. Bepalend daarbij is het moment van ontvangst van de intrekking ter griffie;

Voor het geval [verzoekende partij] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2026;

veroordeelt Reclassering Nederland tot betaling van:

€ 17.152 bruto aan opbouwde en niet genoten vakantie-uren;

de wettelijke verhoging tot een maximum van 25% over het achterstallig loon over juni, juli en augustus 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verschillende data van opeisbaarheid tot de voldoening;

Voor het geval [verzoekende partij] het verzoek binnen die termijn intrekt:

veroordeelt Reclassering Nederland tot betaling van de wettelijke verhoging tot een maximum van 25% over het achterstallig loon over juni, juli en augustus 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verschillende data van opeisbaarheid tot de voldoening;

In alle gevallen:

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?