RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.265641.19 (vordering verlenging tbs met voorwaarden)
(vordering wijziging voorwaarden)
Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 26 februari 2026
in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene.
1. De stukken
De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:
16 maart 2021;
2. Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft de vorderingen van de officier van justitie behandeld op de zitting van 12 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
3. Het standpunt van de reclassering
Het standpunt van de reclassering blijkt uit het onder 1 genoemde verlengingsadvies, dat op zitting nader toegelicht is door de hiervoor genoemde reclasseringswerkers.
Het standpunt luidt – zakelijk weergegeven – dat er bij de betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. Ook is het recidiverisico nog aanwezig. Dit risico wordt bij beëindiging van de maatregel ingeschat als gemiddeld.
Het advies luidt de tbs te verlengen voor de duur van een jaar.
4. Het standpunt van de niet aan de inrichting verbonden deskundige
De deskundige concludeert dat er bij betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. Zij acht het recidiverisico op hernieuwd agressief gedrag bij een beëindiging van de tbs nog aanwezig.
Het advies luidt de tbs te verlengen voor de duur van een jaar.
5. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting zijn vordering strekkende tot verlenging van de tbs met een jaar gehandhaafd. Voorts heeft de officier van justitie zijn vordering tot wijziging van twee voorwaarden inhoudende: ‘meewerken aan een time-out’ en ‘niet naar het buitenland’ gehandhaafd.
6. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit de vordering van de officier van justitie af te wijzen. Betrokkene heeft laten zien dat er geen gevaar voor herhaling meer is. Betrokkene heeft recent verdovende middelen gebruikt, nadat hij in korte tijd zeer ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Ondanks deze terugval heeft betrokkene geen strafbare feiten gepleegd en ook geen contact gezocht met de slachtoffers.
Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de termijn van de tbs met zes maanden te verlengen. Onduidelijkheden over het traject van betrokkene hebben geleid tot vertraging en betrokkene weet niet waar hij aan toe is. Hij zit niet op de juiste plek. Er moet druk gezet worden zodat toegewerkt kan worden naar een beëindiging van de maatregel.
Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de voorwaarde ‘niet naar het buitenland’ (reisverbod) te schrappen. Dit verbod belemmert betrokkene in de uitoefening van zijn werk als jacuzzihandelaar.
7. Het oordeel van de rechtbank
Stoornis en recidivegevaar
Uit het verlengingsadvies en het Pro Justitia-rapport blijkt dat nog steeds sprake is van een stoornis bij betrokkene, namelijk ernstige verslavingsproblematiek in de vorm van stoornissen in het gebruik van cocaïne (ernstig) en alcohol (matig).
De psycholoog schat het risico op terugval in structureel middelengebruik in als matig. Als betrokkene abstinent blijft wordt het risico op gewelddadig gedrag als laag tot matig ingeschat, waarbij het risico op ernstig gevaarzettend gedrag als beperkt wordt gezien. Als betrokkene terugvalt in structureel gebruik dan wordt het risico op gewelddadig gedrag ingeschat als matig tot hoog.
De reclassering schat het risico op recidive (en daarmee ook op letselschade) in als gemiddeld.
De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van het verlengingsadvies en het Pro Justitia-rapport te twijfelen en neemt deze over.
Verlenging
Gelet op het advies van de reclassering, het Pro Justitia-rapport en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de tbs van betrokkene eist. Ook is zij van oordeel dat wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uit de stukken en de ter zitting gegeven toelichting komt het volgende naar voren. Betrokkene werd op 8 juli 2025 geplaatst bij de Forensische Verslavingsafdeling (FVA) van [locatie 1] in [plaats 2] . Ondanks een wisselend verloop van de maatregel heeft betrokkene zich sinds de opname bij de FVA grotendeels geconformeerd aan de voorwaarden en toonde hij motivatie om er het beste uit te halen. Daarom was de zorg afgeschaald naar de resocialisatieafdeling, waar meer zelfstandigheid van betrokkene werd verwacht. Op 30 november 2025 bleek dat de zus van betrokkene suïcide had gepleegd. Gelet op de impact die dit had op betrokkene, is de zorg opgeschaald.
Op 7 december 2025 kwam betrokkene niet tijdig terug van verlof en uit een urinecontrole bleek dat betrokkene THC had gebruikt. Over dit laatste was betrokkene niet eerlijk geweest. Betrokkene is hierop teruggeplaatst naar de FVA. Omdat betrokkenes situatie onvoldoende stabiel was om terug te keren naar de resocialisatieafdeling werd besloten de klinische behandeling voort te zetten op de FVA, met de vrijheden van de resocialisatieafdeling, met als doel om zijn eigen balans te houden en tijdig hulp in te schakelen.
Op 11 januari 2026 liet betrokkene weten dat zijn opa, die ook een vaderfiguur voor hem was, was overleden. Betrokkene kreeg verlof om de uitvaart te bezoeken. De uitvaart vond plaats op 17 januari 2026, waarna betrokkene op 18 januari 2026 terugkeerde van verlof. Het behandelteam had vermoedens van middelengebruik, maar dit werd door betrokkene ontkent. Bij kamercontrole werd in de badkamer een opgerold briefje aangetroffen, met daarbij een pasje met wit poeder. Achteraf gaf betrokkene toe dat het om cocaïne ging, wat hij al enige tijd geleden gebruikt zou hebben. Verder werd in zijn jas een strip oxazepam (niet voorgeschreven) en een spuitje gevuld met urine aangetroffen. Het spuitje was verpakt in een blauwe handschoen met elastiekjes eromheen. Het vermoeden is dat betrokkene hiermee zijn urinecontroles vervalste. Het spuitje was zodanig verpakt dat het naar binnen gebracht kon worden tijdens een strip-UC. Ook werden drie telefoons gevonden.
Betrokkene heeft over het bovenstaande geen openheid richting het personeel gegeven. Hierna is met spoed een overplaatsing aangevraagd, waarna betrokkene op 27 januari 2026 opgenomen is bij [locatie 2] in [plaats 3] . Op 5 februari 2026 heeft overleg tussen de reclassering en het behandelteam van [locatie 2] plaatsgevonden. Daarbij is afgestemd dat een incidentenanalyse, terugvalpreventieplan, gesprekken met een ervarings-deskundige en de 12-stappen groep opgestart dienen te worden. Daarnaast is in het kader van risicomanagement - in weerwil van het eerdere advies van de psycholoog - besloten in te zetten op geleidelijke afbouw van vrijheden met begeleid wonen, voordat de stap naar zelfstandig wonen gemaakt wordt. Voornamelijk het gebrek aan openheid wanneer het niet goed gaat met betrokkene en/of er sprake is van middelengebruik, de heimelijkheid en de
betrokkenheid van een minderjarig kind hebben meegewogen in deze beslissing. Een begeleide woonvorm zal hem meer ruimte geven te leren, zich terug te kunnen trekken of geeft de mogelijkheid om eventueel tijdig te interveniëren indien nodig.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat betrokkene bezig was af te glijden richting het (structureel) gebruik van verdovende middelen. Dit terwijl structureel gebruik van verdovende middelen bij betrokkene zorgt voor verandering in zijn gedrag in antisociale richting, waardoor het risico op gewelddadig gedrag met letsel toeneemt, zoals de psycholoog heeft beschreven. Daarbij vindt de rechtbank het zorgwekkend dat het betrokkene niet is gelukt uit zichzelf openheid te geven richting het behandelteam; niet toen het - gezien de verdrietige omstandigheden begrijpelijkerwijs - niet goed met hem ging en ook niet toen hij daadwerkelijk verdovende middelen gebruikt had.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat betrokkene er nog niet is. Hij zal opnieuw met zichzelf aan de slag moeten om te voorkomen dat hij terugvalt in middelengebruik op momenten dat hij het moeilijk heeft omdat zich bijvoorbeeld ingrijpende gebeurtenissen in zijn leven voordoen. Dát betrokkene is teruggevallen en dat in de toekomst mogelijk nog eens doet is daarbij overigens niet zozeer het probleem, maar wel zijn gebrek aan openheid erover. Als betrokkene openheid geeft, kan hij leren wat hij anders kan doen en zo het vertrouwen winnen dat hij ook zonder het kader van de tbs met voorwaarden abstinent blijft en niet vervalt in het plegen van strafbare feiten.
De rechtbank zal de termijn van de tbs, zoals gevorderd, verlengen voor de duur van een jaar. De reclassering heeft op zitting verklaard dat, ondanks deze terugval, de maatregel in de afgelopen periode goed is verlopen en dat op voorhand niet uitgesloten is dat de maatregel over een jaar beëindigd kan worden.
De rechtbank gaat hiermee voorbij aan het verzoek van de raadsvrouw de vordering af te wijzen. Er is, gelet op het voorgaande, weldegelijk sprake van een zodanig recidiverisico dat voortzetting van de maatregel nodig is. Dat betrokkene in de periode van gebruik geen strafbare feiten heeft gepleegd of contact heeft gezocht met de slachtoffers, betekent niet dat er geen risico op herhaling meer is, al was het maar omdat tijdig lijkt te zijn ingegrepen. Aan het verzoek de tbs te verlengen met maar zes maanden gaat de rechtbank ook voorbij, nu de wet deze mogelijkheid niet biedt.
Wijziging voorwaarden
De rechtbank zal de voorwaarden wijzigen, zoals gevorderd door de officier van justitie. Daarmee voldoen de voorwaarden aan de eisen die de Hoge Raad stelt.
De rechtbank ziet in wat de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding de voorwaarde over het niet (zonder toestemming) mogen reizen naar het buitenland geheel te laten vervallen. De voorwaarde heeft tot doel zicht te houden op het verloop van de maatregel en of betrokkene zich aan alle opgelegde voorwaarden houdt. Dit is niet langer mogelijk als het betrokkene vrij staat naar eigen inzicht naar het buitenland te reizen. De rechtbank vindt dit niet wenselijk.
8. De beslissing
De rechtbank:
Verlenging
- verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met voorwaarden van [betrokkene] met een jaar;
Wijziging voorwaarden
- wijzigt de voorwaarden van de terbeschikkingstelling, in die zin dat de voorwaarden ‘meewerken aan een time-out’ en ‘niet naar het buitenland’ komen te luiden:
Meewerken aan een time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
Niet naar het buitenland
Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
Deze beslissing is genomen door mr. J.I.M. Kuin, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. L.M.M. Heppe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
Mrs. Heppe, Michon en de griffier zijn niet in staat
de beslissing mede te ondertekenen