RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11822249 \ MC EXPL 25-4323
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.L. Spekschoor.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2025 met producties 1 tot en met 15;- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met bijlagen 1 tot en met 10;- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie met bijlage,- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie tevens wijziging van eis met bijlage 11;- de conclusie van dupliek in reconventie met bijlage;- de akte van [gedaagde] .
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2. De kern van de zaak
Partijen hebben tussen 1993 tot begin november 2005 een affectieve relatie gehad. Partijen hadden een samenlevingsovereenkomst. Voor de afwikkeling van de samenleving tussen partijen had [eiser] in 2010 een procedure tegen [gedaagde] gestart. In die procedure zijn verschillende (tussen)vonnissen gewezen, waaronder op 6 juli 2011. In het eindvonnis van 26 maart 2014 is een oordeel gegeven over de vorderingen van partijen over en weer, waarbij alle gezamenlijke goederen en gemeenschappen zijn verdeeld en na verrekeningen duidelijk is geworden dat [eiser] geen vordering (meer) op [gedaagde] heeft. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. In deze procedure vordert [eiser] primair van [gedaagde] teruggave van zijn persoonlijke eigendommen, die hij destijds bij het verlaten van de echtelijke woning had achtergelaten. Voor zover [gedaagde] niet bereid is zijn persoonlijke eigendommen terug te geven, wil [eiser] daarvoor een vergoeding van € 25.000,00 van [gedaagde] ontvangen. Subsidiair wil een vervangende vergoeding voor het geval [gedaagde] één of meerdere goederen niet meer in haar bezit heeft. [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vorderingen van [eiser] en stelt een tegenvordering (eis in reconventie) in. [gedaagde] wil, onder verbeurte van een dwangsom, een procedureverbod, een contact- en locatieverbod, verbod op verspreiden van smaad en laster over [gedaagde] , een immateriële schadevergoeding en dat [eiser] veroordeeld wordt in de reële proceskosten. De vordering van [eiser] wordt afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde] de gevorderde goederen niet aan [eiser] hoeft terug te geven. De vorderingen van [gedaagde] wordt grotendeels toegewezen. [eiser] wordt daarnaast veroordeeld in de reële proceskosten van [gedaagde] .
3. De beoordeling
in conventie
[gedaagde] hoeft de door [eiser] gevorderde goederen niet terug te geven en ook geen schadevergoeding van € 25.000,00 aan [eiser] te betalen
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de door [eiser] gevorderde goederen niet hoeft terug te geven. Ook hoeft [gedaagde] [eiser] geen schadevergoeding van € 25.000,00 te betalen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
[gedaagde] heeft onderbouwd gesteld dat [eiser] jarenlang niet heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting uit de samenlevingsovereenkomst door de kosten voor huisvesting en huishouding niet te betalen. Hierdoor had [eiser] een schuld van € 10.525,00 tegenover [gedaagde] opgebouwd. Partijen hadden toen afgesproken dat [eiser] die schuld zou voldoen door al zijn inboedel/persoonlijke eigendommen aan [gedaagde] te leveren. Die afspraak hebben partijen vastgelegd in een overeenkomst van 1 maart 2002, die door beide partijen is ondertekend (zie pagina 1 in bijlage 2 van [gedaagde] ). De door [eiser] gevorderde goederen staan in de lijst van die overeenkomst vermeld, in sommige gevallen met een andere omschrijving, maar het betreffen dezelfde goederen. [eiser] heeft gesteld dat de ondertekende overeenkomst van 1 maart 2002 fictief zou zijn en alleen als een tijdelijke zekerheid zou fungeren gedurende de start-up periode van de onderneming(en) van [eiser] . Deze stelling heeft hij onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft in zijn e-mail van 8 oktober 2003 aan de heer [A] zelf geschreven dat hij al zijn bezittingen formeel aan [gedaagde] heeft overgedragen (zie pagina 3 in bijlage 2 van [gedaagde] ). Dat partijen nadien op deze afspraak zijn teruggekomen en/of deze hebben gewijzigd, is de kantonrechter niet gebleken en is ook verder niet door [eiser] gesteld. Ook is niet gesteld of gebleken dat de eigendom van de goederen terug is overgedragen aan [eiser] .
De kantonrechter stelt vast dat de bedoelde persoonlijke goederen van [eiser] de persoonlijke eigendommen van [gedaagde] zijn geworden. [eiser] heeft geen recht meer op de door hem in deze procedure gevorderde goederen. [eiser] heeft in het kader van de afwikkeling van de samenleving tussen partijen niets meer van [gedaagde] te vorderen. Dat volgt uit de eerdere (tussen)vonnissen in de procedure over de afwikkeling van de samenleving (zie producties 1 en 2 van [eiser] ) en de procedure over het opheffen van het door [eiser] gelegde beslag (zie bijlage 3 van [gedaagde] ). De vordering tot levering van de gevorderde goederen zoals vermeld in productie 7 van [eiser] en/of een waardevergoeding voor die goederen wordt daarom afgewezen.
De subsidiaire grondslag behoeft geen bespreking
De subsidiaire grondslag behoeft geen verdere bespreking meer, omdat die gebaseerd is op de stelling dat [gedaagde] de gevorderde goederen aan [eiser] moet teruggeven en zien op de situatie als [gedaagde] dat niet meer kan omdat zij die niet meer in haar bezit heeft. Zoals hiervoor is overwogen zijn de gevorderde goederen persoonlijk eigendommen van [gedaagde] geworden en hoeft zij die niet terug te geven. [eiser] kan dus in het geheel geen aanspraak maken op de vervanging en/of waardevergoeding van enig goed.
De vermeerdering van eis wordt afgewezen
De verkoopopbrengst van de boot
[eiser] wil zijn vordering vermeerderen met de verkoopopbrengst van de boot van € 15.000,00 althans dat de verkoopopbrengst verrekend moet worden met het bedrag, waartoe [eiser] in het vonnis van 16 maart 2014 is veroordeeld.
[gedaagde] heeft gesteld dat de boot vóór het einde van de relatie al was verkocht en dat de verkoopopbrengst is opgemaakt. [eiser] heeft niet aangetoond dat het anders is. Bovendien is de vordering verjaard, aldus [gedaagde] . Dit alles heeft [eiser] onvoldoende betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van wat [gedaagde] naar voren heeft gebracht. De vordering tot betaling van € 15.000,00 wordt daarom afgewezen.
in reconventie
Het verbod op het voeren van procedures door [eiser] tegen [gedaagde] wordt alleen toegewezen voor de procedures die zien op de afwikkeling van de samenleving tussen partijen
[gedaagde] wil dat [eiser] een verbod wordt opgelegd om procedures tegen haar te starten over de voormalige samenleving en alle vorderingen die [eiser] meent te hebben op [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is alles voor de afwikkeling van de toenmalige samenleving al verdeeld en verrekend in de vonnissen tot en met 26 maart 2014 (zie productie 2 van [eiser] ). [eiser] blijft haar brieven sturen die intimiderend en manipulatief zijn (zie productie 13 van [eiser] ) en hij is vervolgens deze procedure gestart. [gedaagde] meent dat dit hele jaar gedoe en deze procedure juridische stalking betreft, omdat [eiser] geen schijn van kans heeft met zijn gestelde vordering(en). [eiser] heeft geen verweer tegen deze vordering gevoerd.
De kantonrechter wijst het verbod tot procederen door [eiser] tegen [gedaagde] alleen toe voor de procedures die zien op (de afwikkeling van) de voormalige samenleving tussen partijen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
Toegang tot de rechter is een fundamenteel recht. Er is pas sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
[gedaagde] heeft haar vordering naar het oordeel van de kantonrechter te ruim geformuleerd. [gedaagde] heeft onvoldoende toegelicht waarom [eiser] een algehele verbod tot het voeren van procedures tegen [gedaagde] moet worden opgelegd. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om het verbod voor procedures die zien op (de afwikkeling van) de voormalige samenlevingsovereenkomst tussen partijen toe te wijzen. Immers, daar is op 26 maart 2014 al over geoordeeld en dat vonnis is ook onherroepelijk geworden. Tussen partijen staat definitief vast dat alles wat met de samenleving van partijen te maken heeft, is verdeeld en verrekend. [eiser] heeft niets meer uit de samenleving van [gedaagde] te voeren. Het voeren van procedures door [eiser] over de afwikkeling van de samenleving tussen partijen is dan ook niet zinvol en ook in meerdere opzichten een belasting voor [gedaagde] . [eiser] had kunnen weten dat zijn vordering geen kans van slagen had.
Het contactverbod wordt toegewezen en het locatieverbod wordt afgewezen
[gedaagde] wil dat [eiser] een locatie- en contact verbod wordt opgelegd. Volgens [gedaagde] is [eiser] boos dat zij sinds juli 2024 beslag op zijn AOW uitkering heeft gelegd. [eiser] heeft toen een bericht met een pamflet naar de gemachtigde van [gedaagde] gestuurd. In dat pamflet (met foto, naam en adres van [gedaagde] ) heeft [eiser] [gedaagde] beschuldigd van fraude, diefstal en afpersing. [eiser] heeft het pamflet ook gestuurd naar de directe buurman van [gedaagde] en contact opgenomen met een andere buurtgenoot van [gedaagde] . [eiser] blijft [gedaagde] maar stalken met desinformatie en [eiser] probeert haar te manipuleren en te chanteren door haar te exposen als zij geen deal met hem sluit. [gedaagde] heeft veel last van de acties van [eiser] . Zo is [gedaagde] behoorlijk angstig hierdoor geworden. Daarnaast heeft [eiser] op 24 juli 2025 aan vier bekenden van [gedaagde] - waaronder één persoon die in 2006 tegen [eiser] heeft verklaard - een brief geschreven, waarin hij [gedaagde] wederom beschuldigt van diefstal en dreigt hij deze mensen door de indruk te wekken dat hij ze gaat oproepen voor een getuigenverhoor. Twee mensen die hierover contact met [gedaagde] hebben opgenomen zijn ondertussen ruim met pensioen en heel erg geschrokken en belast door deze brieven. [eiser] heeft met zijn acties tegen [gedaagde] veel onrust mee gebracht bij [gedaagde] zelf en bij haar omgeving en dus ook bij mensen die al 20 jaar niets mee te maken hebben. [gedaagde] meent dat dit daarom moet stoppen en wil om die reden dat [eiser] een locatie- en contactverbod wordt opgelegd.
De kantonrechter wijst het contactverbod toe, omdat [eiser] geen verweer hiertegen heeft gevoerd en [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd dat zij en haar directe omgeving last hebben van de acties van [eiser] .
Dat geldt niet voor het locatieverbod. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom een locatieverbod (voor heel Muiden) nodig is. Niet gesteld of is gebleken dat [eiser] acties en/of handelingen heeft verricht en/of continu [gedaagde] lastig valt door zich in en/of rond de woning van [gedaagde] en/of Muiden te begeven zodat een locatieverbod gerechtvaardigd is. Het locatieverbod wordt om die reden dan ook afgewezen.
Het verbod om smaad en laster te verspreiden wordt toegewezen
[gedaagde] wil dat [eiser] een verbod om laster en smaad te verspreiden wordt opgelegd. Volgens [gedaagde] handelt [eiser] onrechtmatig door het verspreiden van de onwaarden over haar. Zo stalkt [eiser] [gedaagde] sinds [eiser] beslag op zijn AOW uitkering heeft gelegd met onterechte beschuldigingen over diefstal, fraude en afpersing. [gedaagde] meent dat de rechter (in de eerdere procedure) meerdere malen heeft bevestigd dat het klopt wat zij zegt. [eiser] pleegt smaad en laster doordat hij deze onterechte beschuldigingen openbaart. Deze beschuldigingen over [gedaagde] doet [eiser] namelijk niet alleen tegen (de gemachtigde van) [gedaagde] , maar ook tegen de mensen uit de buurt van [gedaagde] , zoals de directe buurman, buurtgenoot en bekenden van [gedaagde] . Deze handeling is [eiser] toe te rekenen. Immers, ondanks het verzoek van [gedaagde] aan [eiser] om daarmee te stoppen, heeft [eiser] dit geweigerd te doen. Dat volgt uit de e-mail van 4 juli 2024 van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] , waarin [eiser] heeft geschreven: ‘Ik stuur mijn brieven en alle andere door mij geschreven teksten aan wie ik ook maar wil en dat geldt ook voor (multi) media.’ (zie bijlage 7 van [gedaagde] ). [gedaagde] lijdt hierdoor schade, omdat zij door deze acties van [eiser] angstig is geworden. Ook zou zij door de leugens van [eiser] in haar eer en goede naam geschaad kunnen worden.
De kantonrechter wijst het verbod tot het verspreiden van smaad en laster over [gedaagde] mondeling, schriftelijk en/of via alle andersoortige social of digitale media door [eiser] toe. [eiser] heeft geen verweer tegen deze vordering gevoerd en [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van smaad en laster. Ook blijkt uit de e-mail van 4 juli 2024 dat [eiser] niet schuwt om zijn uitlatingen via multi media te verspreiden.
De gevorderde dwangsom wordt gematigd toegewezen
[gedaagde] wil een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding voor het geval [eiser] zich niet houdt aan de opgelegde verboden. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] bij het stopgesprek met de politie en in zijn e-mail van 4 juli 2024 laten weten dat niets hem zal weerhouden om zijn visie (over [gedaagde] ) te verspreiden. [eiser] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de gevraagde dwangsom. De kantonrechter wijst de dwangsom toe, maar die zal beperkt worden tot € 250,00 per overtreding, tot een maximum van € 10.000,00.
De vergoeding van immateriële schadevergoeding wordt (gematigd) toegewezen
[eiser] wil een vergoeding van de immateriële schadevergoeding, omdat zij door het handelen van [eiser] gevoelens van angst en onveiligheid heeft gekregen. Ook zou zij door het handelen van [eiser] , zoals vermeld in 3.13., aangetast zijn in de eer en haar goede naam. [eiser] heeft dit niet betwist. De kantonrechter wijst de immateriële schade gematigd toe en zij overweegt daartoe als volgt.
[gedaagde] heeft haar vordering gebaseerd op ander nadeel dan vermogensschade (artikel 6: 106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Uit artikel 6:106 lid 1 sub b BW volgt dat de benadeelde, voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Onder schade in eer of goede naam is te verstaan de aantasting van het gevoel voor eigenwaarde en de waardering die men bij anderen geniet.
De kantonrechter is van oordeel dat het sturen van het pamflet en de brieven met onjuiste informatie over diefstal, fraude en afpersing door [eiser] naar [gedaagde] zelf, de directe buurman, een buurtgenoot en kennissen van [gedaagde] onrechtmatig is ten opzichte van [gedaagde] . Door dit soort informatie over [gedaagde] aan die derden mee te delen, is haar eer en goede naam aangetast.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] lijdt als gevolg van de hiervoor genoemde onrechtmatige gedraging en de aantasting van haar eer en goede naam. Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde - voor zover hier van belang - recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat (immateriële schadevergoeding), als hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Rekening houdend met de aard en de ernst van de gedraging en de gevolgen daarvan begroot de kantonrechter de immateriële schade op een bedrag van € 250,00.
In conventie en reconventie
[eiser] moet de werkelijke proceskosten, met rente, betalen
[gedaagde] wil dat [eiser] in de werkelijke proceskosten van € 4.013,00 wordt veroordeeld. Dit, omdat [eiser] misbruik maakt van het recht doordat hij zich niet neer wil leggen bij de uitspraken van de rechtbanken en het Hof. [gedaagde] heeft deze vordering onderbouwd met de facturen betreffende de advocaatkosten. [eiser] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De kantonrechter zal [eiser] veroordelen in de werkelijke proceskosten van [gedaagde] en wel om het volgende.
In zaken tussen ex-partners wordt in het algemeen besloten tot compensatie van kosten. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het juist in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren. Wil sprake zijn van een dergelijke situatie dan moet zeer evident sprake zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervan sprake. Immers, in het vonnis van 26 maart 2014, dat onherroepelijk is geworden, is al geoordeeld dat [eiser] niets meer van [gedaagde] uit de voormalige samenleving te vorderen heeft. Tussen partijen is alles verdeeld en verrekend. [eiser] wist althans had kunnen weten dat zijn vorderingen geen kans van slagen zouden hebben. Desondanks heeft [eiser] deze procedure tegen [gedaagde] gestart. Hiermee heeft [eiser] ten onrechte [gedaagde] in deze procedure betrokken en [gedaagde] onnodig op kosten gejaagd. Daarom moet [eiser] de door [gedaagde] werkelijk gemaakte proceskosten betalen. De vordering tot betaling van € 4.013,00 wordt toegewezen. De wettelijke rente over de proceskosten wordt ook als hierna in de beslissing vermeld toegewezen.
4. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [eiser] af,
in reconventie
verbiedt [eiser] om procedures tegen [gedaagde] te starten met betrekking tot (de afwikkeling van) de samenleving met [gedaagde] ,
verbiedt [eiser] om contact op te nemen met [gedaagde] en iedereen in het netwerk/de omgeving van [gedaagde] en om met hen te praten dan wel hen iets toe te zenden dat verband houdt met [gedaagde] ,
verbiedt [eiser] om mondeling schriftelijk dan wel via alle andersoortige social of digitale media smaad en laster te verspreiden over [gedaagde] ,
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een bedrag van € 250,00 aan immateriële schadevergoeding te betalen,
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat hij niet aan de veroordeling onder 4.2., 4.3. of 4.4. voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.013,00, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis moet worden betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
HHt/37278