ECLI:NL:RBMNE:2026:697

ECLI:NL:RBMNE:2026:697

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer C/16/584284 / HA ZA 24-568
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Eiser heeft letsel als gevolg van mishandeling door gedaagde. Gedaagde wordt veroordeeld om een schadevergoeding te betalen aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/584284 / HA ZA 24-568

Vonnis van 18 februari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. A. Doruk,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 juli 2025, - de akte van [eiser] met productie 16 tot en met 21, - de antwoordakte van [gedaagde] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De kern van de zaak

Op 26 november 2016 heeft [gedaagde] [eiser] mishandeld door met een gebalde vuist met kracht te slaan tegen het gezicht van [eiser] , waardoor hij ten val is gekomen. [eiser] heeft hierdoor ernstig lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een schedelbreuk en onderhuidse bloedingen in de hersenen. [gedaagde] is op 28 maart 2018 strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. In het tussenvonnis van 23 juli 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] . In dit vonnis komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] € 414.327,39 aan schadevergoeding aan [eiser] moet betalen. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt, wordt hierna uitgelegd.

3. De beoordeling

[eiser] had gevorderd om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. In het tussenvonnis van 23 juli 2025 heeft de rechtbank echter beslist dat de zaak niet wordt verwezen naar de schadestaat. De rechtbank acht het namelijk in deze bodemprocedure al mogelijk om te oordelen over de (omvang van de) schade. Partijen hebben zich hierna bij akte over de inhoud en omvang van de schade uitgelaten. De rechtbank zal hierna de omvang van de schade per post bespreken.

De gevorderde schadeposten worden voor een groot deel toegewezen

Toewijzing kosten ziekenhuis, kosten eigen risico en verlies van arbeidsvermogen

Voor de volgende schadeposten geldt dat deze posten voldoende zijn onderbouwd door [eiser] en dat hiertegen geen verweer is gevoerd door [gedaagde] :

De kosten opname ziekenhuis: € 1.520,-,

De kosten voor eigen risico: € 830,14,

Het verlies van arbeidsvermogen: € 165.234,-.

Deze schadeposten worden daarom toegewezen.

Afwijzing stelpost toekomstige medische kosten

[eiser] heeft verder een stelpost van € 7.500,- voor toekomstige medische kosten vanwege levenslange epilepsie en medische begeleiding in zijn schadeopstelling opgenomen. [gedaagde] betwist deze stelpost. Volgens hem is niet duidelijk hoe het gevorderde bedrag is opgebouwd. Ook zou er geen rekening zijn gehouden met de levenslange medische verzorging van [eiser] als gevolg van het [syndroom naam] , waar bij [eiser] volgens de overgelegde medische gegevens sprake van is. De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagde] . [eiser] heeft deze postonvoldoende concreet onderbouwd, waardoor deze wordt afgewezen.

Toewijzing schadepost voor huishoudelijke hulp

Ook heeft [eiser] een schadepost opgenomen voor huishoudelijke hulp, namelijk voor een bedrag van in totaal € 158.193,25. Volgens [eiser] heeft hij blijvend medische beperkingen waardoor hulp bij huishoudelijke taken noodzakelijk is. [gedaagde] heeft deze schadepost betwist. Ten eerste zou het [syndroom naam] van invloed zijn op de mate van zelfstandigheid in het huishouden. De rechtbank gaat hieraan voorbij. [gedaagde] heeft zijn standpunt dat en in welke mate het [syndroom naam] van invloed is op de mate van zelfstandigheid in het huishouden van [eiser] onvoldoende onderbouwd. Dat die invloed er zou zijn, is ook verder niet gebleken. Uit de medische onderbouwing die hoort bij het letsel dat het gevolg is van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] volgt wel concreet dat dit beperkingen voor het huishouden meebrengt. Ten tweede heeft [gedaagde] aangevoerd dat de berekening van [eiser] uitgaat van een volledige mate van zelfstandigheid, terwijl [eiser] nooit zelfstandig heeft gewoond. Ook hieraan gaat de rechtbank voorbij. Uit de door [eiser] overgelegde berekening volgt dat [eiser] ten aanzien van iedere periode dat huishoudelijke hulp geleverd is en geleverd moet worden heeft betrokken dat hij niet zelfstandig heeft gewoond en ook nu niet zelfstandig woont. In alle berekeningen is namelijk het aandeel van [eiser] in het huishouden meegenomen. Deze post wordt daarom in zijn geheel toegewezen.

Toewijzing schadepost voor verzorgingskosten

Verder stelt [eiser] dat [gedaagde] de verzorgingskosten van € 1.050,- aan hem moet betalen. [eiser] heeft toegelicht dat hij na iedere ziekenhuisopname voor een bepaalde periode thuis verzorging nodig had. Het gaat in totaal om 21 dagen voor een tarief van € 50,- per dag. Volgens [eiser] komen deze kosten op grond van artikel 6:107 lid 1 sub a BW voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] heeft gesteld, net als ten aanzien van de kosten voor huishoudelijke hulp, dat het [syndroom naam] van invloed is op de mate van zelfstandigheid van [eiser] en dat [eiser] nooit zelfstandig heeft gewoond. De rechtbank gaat hier echter aan voorbij, mede gelet op hetgeen zij hierover al heeft overwogen in 3.4. [gedaagde] heeft onvoldoende concreet betwist dat [eiser] na de ziekenhuisopname verzorgd moest worden en dat hiervoor kosten moesten worden gemaakt. Dat [eiser] lijdt aan het [syndroom naam] en dat hij nooit zelfstandig heeft gewoond, doet niet af aan het feit dat [eiser] kosten heeft moeten maken voor verzorging als gevolg van het onrechtmatig handelen.

Toewijzing smartengeld

Daarnaast stelt [eiser] dat hij op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW recht op smartengeld heeft. Volgens [eiser] is een bedrag van € 100.000,-, gelet op de Rotterdamse Schaal, gerechtvaardigd in dit geval. [gedaagde] betwist alleen dat artikel 6:106 lid 1 sub a BW van toepassing is. Volgens hem was de opzet gericht op het impulsief uitdelen van een klap en niet op de vele malen verstrekkender gevolgen daarvan. Volgens [gedaagde] had hij dus geen oogmerk gehad om dusdanig nadeel toe te brengen. De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt van [gedaagde] . [eiser] heeft namelijk een beroep gedaan op artikel 6:106 lid 1 sub b BW en niet op artikel 6:106 lid 1 sub a BW. Een situatie als bedoeld onder sub b is aan de orde nu [eiser] lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarvoor is geen oogmerk vereist. Verder heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd tegen deze gevorderde schadepost. De rechtbank zal deze post daarom toewijzen voor het hierna genoemde bedrag.

Voor het bepalen van de hoogte van het toe te kennen smartengeld geeft de Rotterdamse Schaal richting. De Rotterdamse schaal biedt een richtlijn die civiele rechters en strafrechters kunnen gebruiken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. [eiser] heeft daar ook aansluiting bij gezocht. In de Rotterdamse Schaal zijn verschillende gradaties van epilepsie opgenomen, elk met een corresponderende bandbreedte voor het toe te kennen bedrag aan smartengeld. De klachten die [eiser] ervaart, passen bij de categorie ‘Grand mal epilepsie’. Dit betreffen tonisch-clonische aanvallen, waarbij sprake is van verkramping, op de grond vallen en schokkende bewegingen, die gepaard gaan met bewusteloosheid. Uit het medische rapport van dr. Van Baarsen van 30 april 2018 september 2020 volgt dat [eiser] 4/5 x per maand epileptische aanvallen heeft, waarbij dit begint met verstijving in de armen en benen en daarna schokken, en dat [eiser] het bewustzijn verliest en het even duurt voordat hij weer bijkomt. Uit het medische rapport van dr. [A] van 8 september 2020 volgt dat [eiser] nog maandelijks tonisch-clonische epileptische aanvallen heeft. Het letsel van [eiser] komt dus overeen met ‘Grand mal epilepsie’, waardoor de bandbreedte voor het toe te kennen smartengeld tussen € 70.000,- en € 105.000,- is. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 95.000,- in dit geval passend is. Daarvoor wegen onder meer de volgende omstandigheden, die als relevante factoren zijn genoemd in de Rotterdamse Schaal, mee:

De (jonge) leeftijd van [eiser] . [eiser] was ten tijde van het onrechtmatig handelen 21 jaar oud,

De mate van controle. Uit het rapport van dr. [A] van 8 september 2020 blijkt dat aanvalsvrijheid onder medicatie nog niet is bereikt. Tijdens de zitting heeft [eiser] ook toegelicht dat hij nog drie tot vier keer per maand een epileptische aanval heeft, ondanks de medicatie,

De prognose. Dr. [A] heeft in zijn rapport van 8 september 2020 geschreven dat [eiser] in principe levenslange behandeling nodig heeft, vanwege het hoge recidief risico,

De benodigde medische behandeling. [eiser] heeft toegelicht dat hij de rest van zijn leven medicatie voor de epileptische aanvallen zal moeten nemen,

De psychische gevolgen en weerslag op zijn sociale leven, werk/opleiding. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht wat de gevolgen van de mishandeling zijn voor zijn leven. Zo heeft [eiser] verteld dat hij niet meer kan autorijden, niet meer kan sporten en dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Dit heeft een grote impact op het leven van [eiser] ,

De rechtbank zal een bedrag van € 7.500,- in mindering brengen op het toe te kennen smartengeld. Uit het strafvonnis van 28 maart 2018 volgt namelijk dat [eiser] in die procedure in totaal al een bedrag van € 7.500,- heeft toegekend gekregen voor immateriële schade. De rechtbank wijst daarom een bedrag van € 87.500,- toe (€ 95.000,- minus € 7.500,-). [eiser] vordert nog de wettelijke rente over het smartengeld, vanaf 26 november 2016 (de datum van de mishandeling). Dat wordt toegewezen, omdat dat niet is betwist door [gedaagde] .

Afwijzing buitengerechtelijke kosten

[eiser] vordert tot slot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, namelijk een bedrag van € 1.465,59. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 414.327,39 (€ 1.520,- + € 830,14 + € 165.234,- + € 158.193,25 + € 1.050,- + € 87.500,-) aan [eiser] moet betalen.

Verder wordt de wettelijke rente toegewezen over € 87.500, vanaf 26 november 2016.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

137,69

- griffierecht

320,00

- salaris advocaat

7.446,00

(2 punten x € 3.723,-)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

8.092,69

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 414.327,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 87.500,- vanaf 26 november 2016, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.092,69, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken door mr. O.P. van Tricht op 18 februari 2026.

WM (5442)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?