RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11867307 \ MC EXPL 25-4909 AW/1583
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[opposante] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [opposante] ,
gemachtigde: P.R. van Thoor, werkzaam bij Incasso Advies B.V.,
tegen
[geopposeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
gemachtigde: mr. R.A. Severijn.
1. De procedure
[geopposeerde] heeft bij inleidende dagvaarding van 11 maart 2025 een vordering ingesteld tegen [opposante] . [opposante] is niet verschenen, waarna zij bij verstekvonnis van 9 april 2025 met zaaknummer 11602093 MC EXPL 25-1501 is veroordeeld.
Bij dagvaarding van 29 augustus 2025 is [opposante] in verzet gekomen van dat verstekvonnis. [opposante] heeft ook een tegeneis ingediend. [geopposeerde] heeft op de tegeneis schriftelijk gereageerd, waarna op 15 januari 2025 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft [opposante] nog producties in het geding gebracht. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2. De zaak in het kort
[geopposeerde] heeft bij inleidende dagvaarding betaling van het achterstallige loon gevorderd van € 23.905,40 netto, vermeerderd met wettelijke rente, wettelijke verhoging en afgifte van een bruto/netto specificatie. [opposante] is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde, afgifte van een loonstrook en afdracht van loonheffingen en premies. [opposante] vordert in de verzetdagvaarding [geopposeerde] niet ontvankelijk te verklaren dan wel afwijzing van de oorspronkelijke vordering en in reconventie betaling van € 14.786,08 vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Volgens [opposante] moet [geopposeerde] nog en bedrag aan haar betalen. [geopposeerde] maakt aanspraak op betaling van salaris voor maanden waarin hij niet heeft gewerkt, maar er is sprake van geen arbeid geen loon. Daarnaast heeft [opposante] een bedrag van € 17.500,00 aan [geopposeerde] voorgeschoten. De kantonrechter is van oordeel dat [geopposeerde] onder andere nog recht heeft op loon en bekrachtigt het verstekvonnis. De tegenvordering wordt afgewezen.
3. De beoordeling
In conventie
[opposante] is tijdig in verzet gekomen
Onbetwist staat vast dat [opposante] op tijd in verzet is gekomen, zodat de zaak opnieuw zal worden beoordeeld.
Inleiding
Tussen partijen staat vast dat er tussen hen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. [geopposeerde] heeft vanaf 1 januari 2019 werkzaamheden verricht voor [onderneming 1] B.V. ( [onderneming 1] ) en vanaf 1 maart 2019 voor [opposante] . Vanuit [opposante] is [geopposeerde] gedetacheerd aan [onderneming 1] . Tevens staat als onbetwist vast dat het overeengekomen salaris € 6.111,73 bruto per maand, € 3.965,73 netto, bedraagt. Op 31 oktober 2022 heeft [geopposeerde] zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 30 november 2022.
Volgens [geopposeerde] is [opposante] nog aan hem verschuldigd het loon tot en met september 2022 zijnde € 14.611,11, vermeerderd met het loon over oktober en november 2022, zijnde 2 x € 3.965,73, 2 x declaratie verzekering van € 191,44 en € 95,72 en de afrekening vakantiegeld van € 1.075,67, derhalve € 23.905,40 in totaal.
Op 22 november 2022 bericht [A] van [opposante] aan [geopposeerde] dat de stand van het nettoloon is vastgesteld per 30 september 2022 op € 14.611,11 en dat hier nog bij komt het salaris van oktober en de afrekening november 2022.
Op 16 december 2022 bericht de gemachtigde van [opposante] echter aan [geopposeerde] dat aan salaris over 2022 en vakantiegeld aan [geopposeerde] toekomt een bedrag van € 72.607,35 bruto, € 47.418,88 netto. Hierop moet in mindering strekken en bedrag van € 18.335,19 bruto, € 11.897,19 netto vanwege geen arbeid geen loon. [geopposeerde] heeft de laatste drie maanden geen arbeid verricht, terwijl hij geen vakantiedagen meer had. Deze drie maanden worden daarom in mindering gebracht. Volgens [opposante] heeft [geopposeerde] dus recht op betaling van € 35.521,69 netto. Aan [geopposeerde] is uitbetaald een bedrag van € 32.807,77 netto (zodat resteert € 2.713,92). Volgens [opposante] moet [geopposeerde] echter ook nog een bedrag van € 17.500,00 aan haar terugbetalen. [opposante] heeft dit aan [geopposeerde] voorgeschoten. Dat maakt dat [opposante] nog recht heeft op betaling van € 14.786,08 netto, aldus [opposante] .
[geopposeerde] heeft nog recht op loon
Partijen twisten over de vraag of [geopposeerde] nog recht heeft op betaling van loon, dan wel of aan [opposante] na verrekening nog een bedrag toekomt.
Volgens [opposante] hoeft zij een bedrag van € 18.335,19 bruto, € 11.897,19 niet uit te betalen. [opposante] voert allereerst aan dat er weliswaar een arbeidsovereenkomst is overeengekomen, maar dat er feitelijk sprake is van een samenwerkingsconstructie en - naar de kantonrechter begrijpt - er andere afspraken zijn gemaakt. [onderneming 2] ( [onderneming 2] ) is voor 75% aandeelhouder van [onderneming 1] . Het bestuur wordt door haar gevoerd. De bestuurders van [onderneming 2] zijn [B] (hierna: [B] ) en [C] (hierna: [C] ). [geopposeerde] is voor 12,5% aandeelhouder en een compagnon is ook voor 12,5% aandeelhouder. [geopposeerde] en zijn compagnon zouden de kar trekken. De bedoeling was dat [onderneming 1] zou uitgroeien tot een levensvatbare en winstgevende onderneming.
Dit verweer doet niets af aan het bestaan van de arbeidsovereenkomst met [opposante] . Nog daargelaten dat van die andere afspraken niets is gebleken – dat er sprake is van een andere rechtsverhouding dan die waaruit zonder meer een loonbetalingsverplichting volgt –, staat vast dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Op grond van die arbeidsovereenkomst is [opposante] het overeengekomen loon verschuldigd.
[opposante] voert verder aan dat er sprake is van geen arbeid, geen loon. [geopposeerde] en zijn compagnon zijn in dienst gekomen van [opposante] en werden van daaruit gedetacheerd aan [onderneming 1] . [geopposeerde] heeft tijdens werktijd zijn eigen huis verbouwd en in die tijd geen inkomsten voor [opposante] gegenereerd. Volgens [geopposeerde] was dit van een periode daarvoor en heeft hij ook het huis van de bestuurder verbouwd.
Nadat [geopposeerde] zich heeft teruggetrokken uit de onderhandelingen over de overname van de aandelen zijn de werkzaamheden voor [onderneming 1] stil komen te liggen. [geopposeerde] is volgens [opposante] geen typische werknemer, maar was ondernemer die zich ervan bewust was dat hij voor het aanspraak maken op salaris ook daadwerkelijk inkomsten moest genereren. [geopposeerde] kan geen aanspraak maken op salaris voor de maanden waarin hij niet heeft gewerkt, aldus [opposante] .
Ook dit verweer van [opposante] gaat niet op. Uit artikel 7:628 lid 1 BW volgt dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen als de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Het is niet toegestaan dat de werkgever de loonbetaling eenzijdig stopzet bij productieverlies, ook als de oorzaak in de risicosfeer van de werknemer ligt, of waarvan hij meent dat dit het geval is.
Tenslotte heeft [opposante] ter zitting nog aangevoerd dat het loon niet is uitbetaald omdat het is verrekend met vrije dagen. Nergens blijkt echter uit dat [geopposeerde] vakantiedagen heeft opgenomen. [geopposeerde] heeft niet meer gewerkt omdat er geen werk meer voor handen was. Dit komt, zoals hiervoor al is geoordeeld, voor rekening en risico van [opposante] .
Gelet op het vorenstaande heeft [geopposeerde] recht op uitbetaling van het overeengekomen loon tot en met 30 november 2022. De kantonrechter gaat daarbij uit van de specificatie van [geopposeerde] , nu dat door [opposante] verder niet is betwist.
[opposante] kan niet € 17.500,00 verrekenen
[opposante] heeft zich nog beroepen op verrekening. Volgens [opposante] heeft zij recht op terugbetaling van een bedrag van € 17.500,00. In de beginjaren van [opposante] werd [geopposeerde] geconfronteerd met een vordering van zijn vorige werkgever, [onderneming 3] . Partijen zijn tot een regeling gekomen waarbij [geopposeerde] € 17.500,00 aan [onderneming 3] moest voldoen. Omdat [geopposeerde] niet over de middelen beschikte om dat te kunnen betalen hebben [B] en [C] dat vanuit [opposante] gedaan. Het gaat niet om een schenking. [B] en [C] hebben dit bedrag voorgeschoten. [geopposeerde] moet dit bedrag volgens [opposante] terugbetalen.
[onderneming 3] heeft indertijd de bestuurders van [onderneming 4] in persoon aansprakelijk gesteld. Naast [geopposeerde] betroffen dit [onderneming 5] B.V. en [onderneming 6] B.V. ( [C] is middellijk bestuurder van beide B.V.’s.). Bij vaststellingsovereenkomst met [onderneming 3] zijn partijen overeengekomen dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van een bedrag van € 17.500,00 aan [onderneming 3] .
[opposante] stelt aan [onderneming 3] te hebben betaald, maar dit blijkt nergens uit, integendeel. [opposante] is geen partij bij die overeenkomst. [onderneming 5] , [onderneming 6] en [geopposeerde] hadden een betalingsverplichting en niet [opposante] . De gemachtigde van [geopposeerde] vraagt op 17 februari 2020 aan [geopposeerde] en [C] of het overeengekomen bedrag voor het einde van de maand betaald kan worden. Volgens [geopposeerde] omdat een andere zaak ( [.] ) voor die tijd mogelijk nog niet financieel is geregeld. [C] antwoordt hierop dat hij voor de tussentijd wel andere euro’s stort. Hij lijkt er meer op dat [C] in persoon of namens [onderneming 5] heeft betaald. [opposante] legt geen bewijs over van betaling door haar van het bedrag van € 17.500,00 aan [onderneming 3] . Gelet op het vorenstaande is niet komen vast te staan dat [opposante] met [geopposeerde] kan verrekenen.
[opposante] heeft ter zitting verzocht om de gelegenheid te krijgen om stukken in het geding te brengen waaruit de betaling door [opposante] blijkt. [opposante] zal die gelegenheid niet worden geboden. Immers ook als wel vast komt te staan dat [opposante] de betalingsverplichting heeft gedragen en aan [onderneming 3] heeft betaald, dan kan dit nog niet leiden tot een verrekening met de vordering van [geopposeerde] . Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat er sprake is van een hoofdelijke aansprakelijkheid van drie partijen. Dat [geopposeerde] vervolgens het (volledige) bedrag van € 17.500,00 dient te dragen blijkt nergens uit. Integendeel; uit de brief van 28 maart 2018 van de toenmalige gemachtigde van [geopposeerde] aan [C] en [geopposeerde] blijkt juist dat de bedoeling van partijen is geweest om [geopposeerde] “buiten schot te laten” bij de geformuleerde schadeclaim. Een eventuele schikking zou in overleg mogelijk via [onderneming 7] bekostigd worden. Verder blijkt uit de brief dat [onderneming 2] , vertegenwoordigd door [C] en [B] , zich garant heeft gesteld voor [geopposeerde] ter zake eenieder die aanspraken meent te hebben uit hoofde van zijn betrokkenheid bij [onderneming 5] . Ook blijkt nergens uit dat er een afspraak met [geopposeerde] is gemaakt dat het bedrag zal worden voorgeschoten en dat [geopposeerde] dit moet terugbetalen. Dit betekent dat er geen sprake is van een vordering die voor verrekening in aanmerking komt.
Er is geen sprake van rechtsverwerking of misbruik van recht
[opposante] heeft zich nog beroepen op rechtsverwerking. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is nodig dat [geopposeerde] zich heeft gedragen op een manier die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maakt dat hij nu nog betaling van loon vordert omdat of bij [opposante] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [geopposeerde] geen betaling meer zou vragen of de positie van [opposante] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als [geopposeerde] zijn recht of bevoegdheid alsnog zou uitoefenen. [opposante] zegt dat [geopposeerde] lang geen aanspraak heeft gemaakt op betaling van zijn salaris en dat er daarom nu geen recht meer bestaat om dat af te dwingen. Dat is echter onvoldoende voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking: tijdsverloop alleen is namelijk niet genoeg. De kantonrechter oordeelt dan ook dat er geen sprake is van rechtsverwerking door [geopposeerde] . Ook is er geen sprake van misbruik van recht.
Of [geopposeerde] € 15.000,00 aan materialen verschuldigd is hoeft niet te worden besproken
[opposante] stelt nog dat [geopposeerde] voor € 15.000,00 aan materialen en gereedschappen heeft meegenomen, hetgeen door [geopposeerde] wordt betwist. Wat hier ook van zij, [opposante] heeft aan haar stelling geen rechtsgevolg verbonden en dit in onderhavige procedure ook niet gevorderd, zodat de kantonrechter voorbijgaat aan al hetgeen partijen hierover (ten overvloede) hebben aangevoerd.
Het verzet is ongegrond
Gelet op het voorgaande is het door [opposante] ingestelde verzet ongegrond. [opposante] zal niet worden ontheven van de bij het verstekvonnis van 9 april 2025 gegeven veroordeling. De vordering van [geopposeerde] is toewijsbaar en van verrekening kan geen sprake zijn. Ook de gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging is [opposante] verschuldigd. De afgifte van de loonstrook en afdracht van de verschuldigde loonheffing en premies op verbeurte van de dwangsom op de wijze zoals deze bij het verstekvonnis is toegewezen, is eveneens toewijsbaar.
[opposante] moet de proceskosten van de verzetprocedure betalen
[opposante] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van de verzetprocedure betalen. De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op € 1.086,00 (2 punten x € 543,00) aan salaris gemachtigde.
In reconventie
De vordering in reconventie wordt afgewezen
Gezien hetgeen hierboven met betrekking tot het beroep op verrekening is overwogen, behoeven de stellingen die [opposante] aan haar vordering in reconventie ten grondslag heeft gelegd geen nadere bespreking. Deze stellingen zijn immers dezelfde als die aan het beroep op verrekening ten grondslag zijn gelegd. Deze stellingen zijn hierboven al verworpen. De kantonrechter wijst de vordering in reconventie dan ook af.
[opposante] moet de proceskosten in reconventie betalen
[opposante] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [geopposeerde] worden in verband met de samenhang met de vordering van [geopposeerde] begroot op nihil.
4. De beslissing
De kantonrechter
In conventie
verklaart het verzet ongegrond,
bekrachtigt het verstekvonnis van deze rechtbank van 9 april 2025 onder zaaknummer / rolnummer 11601093 MC EXPL 25-1501,
veroordeelt [opposante] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [geopposeerde] worden vastgesteld op een bedrag van € 1.086,00 aan salaris van de gemachtigde van [geopposeerde] ,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.3 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie
wijst de vordering van [opposante] af,
veroordeelt [opposante] in de proceskosten van [geopposeerde] tot op vandaag begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.