RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11947752 \ MC EXPL 25-5987
Vonnis in incident van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: S. Zejli, werkzaam bij Juristu Incasso Juristen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: J.B.C.P. de Graauw en mr. J.C. Vreugdenhil.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 oktober 2025 met producties 1 tot en met 11; - de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van [gedaagde] ;
- het antwoord in het incident van [eiseres] .
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiseres] en [gedaagde] hebben een aannemingsovereenkomst gesloten. In de hoofdzaak vordert [eiseres] betaling van onbetaald gebleven facturen. [gedaagde] heeft een incident opgeworpen. Zij vindt dat de kantonrechter niet bevoegd is, omdat partijen hebben afgesproken geschillen voor te leggen aan de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen (hierna: RvA). [eiseres] is het hier niet mee eens. Het gelijk ligt bij [gedaagde] . De kantonrechter zal zich onbevoegd verklaren.
3. De beoordeling in het incident
De standpunten van partijen
[gedaagde] heeft in het incident gevorderd dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen. Hieraan legt zij ten grondslag dat partijen in artikel 12 van de tussen hen gesloten aannemingsovereenkomst hebben afgesproken dat als de aannemer ( [eiseres] ) een procedure aanhangig wil maken, hij eerst de opdrachtgever ( [gedaagde] ) bij aangetekende brief een termijn van ten minste één maand moet stellen om zich uit te laten over de vraag of hij het geschil door de RvA dan wel de gewone rechter beslecht wil zien. [gedaagde] stelt dat haar die gelegenheid niet is geboden, en dat als dat wel was gebeurd, zij had gekozen voor de RvA.
[eiseres] stelt dat zij [gedaagde] bij brief van 17 februari 2025 ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn de zaak aan de bevoegde rechter voor te leggen. [gedaagde] heeft daarop niet het standpunt heeft ingenomen dat de rechter niet bevoegd zou zijn, en dit ook voor de eerste roldatum niet heeft gedaan. Buiten rechte heeft zij enkel inhoudelijk verweer gevoerd. [eiseres] vindt dat zij er daarom vanuit mocht gaan dat [gedaagde] instemde met de keuze om naar de rechter te gaan.
Het wettelijk kader
In artikel 1020 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat partijen bij overeenkomst geschillen die tussen hen zijn ontstaan of zouden kunnen ontstaan uit een bepaalde, al dan niet uit een overeenkomst voortvloeiende, rechtsbetrekking, aan arbitrage kunnen onderwerpen.
Artikel 1021 Rv schrijft voor dat de overeenkomst tot arbitrage wordt bewezen door een geschrift, en dat daarvoor voldoende is een geschrift dat in arbitrage voorziet.
Artikel 1022 Rv bepaalt vervolgens dat de rechter, bij wie een geschil waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten aanhangig is gemaakt, zich onbevoegd verklaart, als een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.
Partijen zijn een arbitragebeding overeengekomen
De kantonrechter is van oordeel dat partijen in artikel 12 van de aannemingsovereenkomst een beding zijn overeengekomen dat voorziet in arbitrage als bedoeld in artikel 1020 in verbinding met artikel 1021 Rv. Duidelijk is dat partijen hiermee een (toekomstig) geschil (onder voorwaarden) aan de gewone rechter hebben willen onttrekken en daarbij aan arbitrage hebben willen onderwerpen. [eiseres] heeft dit ook niet betwist.
De vraag die partijen verdeeld houdt, is of [eiseres] heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 12 om het geschil aan de rechter te mogen voorleggen. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat dit niet het geval is. In artikel 12 is ondubbelzinnig bepaald dat de aannemer ( [eiseres] ) de opdrachtgever ( [gedaagde] ) bij aangetekende brief een termijn van minstens één maand moet stellen om zich uit te laten of zij het geschil wil voorleggen aan de RvA of aan de rechter. Vast staat dat [eiseres] dit niet heeft gedaan. De brief van 17 februari 2025 geldt niet als zodanig. Daarin staat namelijk slechts dat als [gedaagde] niet binnen vijf dagen tot betaling overgaat, [eiseres] haar zal dagvaarden. Deze brief is niet aangetekend, er wordt geen termijn van een maand in gesteld en [gedaagde] wordt ook niet expliciet een keuze gesteld tussen arbitrage en de gang naar de rechter. Dat [gedaagde] zich niet voor de eerste rolzitting op het standpunt heeft gesteld dat de kantonrechter niet bevoegd is, maakt ook niet dat voldaan is aan de voorwaarden van het arbitragebeding.
Omdat [gedaagde] heeft aangegeven de zaak door de RvA behandeld te willen zien, is de RvA bevoegd. Dit betekent dit dat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren van het geschil kennis te nemen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk heeft gekregen. De kosten van [gedaagde] worden begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde.
4. De beslissing
De kantonrechter
in het incident en de hoofdzaak
verklaart zich onbevoegd van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
45353