RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/599767 / HL ZA 25-251
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
te [plaats] (Bondrepubliek Duitsland),2. [eiseres sub 2],
te [plaats] (Bondrepubliek Duitsland),
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J. Staab,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. C.M. van der Burg.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek van [eisers] om een Europees betalingsbevel van 10 april 2025;
- het door de Rechtbank Den Haag gegeven Europees betalingsbevel van 20 mei 2025;
- het op 11 juni 2025 door de Rechtbank Den Haag ontvangen verweerschrift van [gedaagde] ;
- de beschikking van de Rechtbank Den Haag van 29 juli 2025 (zaaknummer C/09/677226 / HA RK 24-658), waarin is bevolen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens het gewone burgerlijk procesrecht en wel volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure en waarbij de zaak is verwezen naar de rolzitting van deze rechtbank van 24 september 2025;
- de akte van [eisers] van 7 januari 2026 met een conclusie van eis in de hoofdzaak en een incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter, met producties 1 tot en met 26;
- de conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde] van 21 januari 2026.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.
2. De beoordeling
Inleiding
Het gaat in deze zaak om een Europees betalingsbevel, waartegen door [gedaagde] verweer is gevoerd. Op grond van artikel 17 van de Verordening tot invoering van een Europees betalingsbevelprocedure en artikel 6 van de Uitvoeringswet verordening Europese betalingsbevelprocedure heeft de Rechtbank Den Haag de zaak naar de handelskamer van deze rechtbank verwezen om daar te worden voortgezet.
De hoedanigheid van [gedaagde]
[eisers] heeft opgemerkt dat de Rechtbank Den Haag in de beschikking [gedaagde] heeft aangeduid zonder toevoeging van ‘B.V.’. Volgens [eisers] is [gedaagde] B.V., dus een besloten vennootschap, de gedaagde partij en dient deze naam in het vonnis te worden opgenomen.
[gedaagde] heeft hier niet op gereageerd. In haar conclusie van antwoord in het incident heeft zij als partijnaam zelf ook ‘ [gedaagde] B.V.’ opgenomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat dit juiste procespartij is.
De incidentele vordering
In het incident vordert [eisers] dat de zaak verwezen wordt naar de kantonrechter, omdat de wettelijke regeling voor consumentenkoop van toepassing is.
[gedaagde] is het hier niet mee eens en concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident. Haar bezwaren worden hierna besproken.
In de hoofdzaak gaat het – kort gezegd – om het volgende. [eisers] heeft [gedaagde] opdracht gegeven om een woonschip te bouwen. [eisers] stelt dat het schip na de oplevering allerlei gebreken vertoonde. Ondanks sommaties heeft [gedaagde] deze gebreken niet hersteld. [eisers] stelt zich daarom op het standpunt dat de overeenkomst is ontbonden, en zo niet dan vordert zij ontbinding daarvan, met terugbetaling van de koopprijs en een schadevergoeding.
De tussen partijen gesloten overeenkomst voldoet ten eerste aan de omschrijving van een aannemingsovereenkomst. Bij aanneming van werk verbindt de ene partij zich om een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de ander te betalen prijs (artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)).
De vraag is of deze overeenkomst daarnaast ook kan worden aangemerkt als consumentenkoop, zoals [eisers] stelt. In artikel 7:5 lid 1 sub a BW is bepaald wat consumentenkoop is. Dat is – kort gezegd – de koopovereenkomst met betrekking tot een roerende zaak tussen een beroeps- of bedrijfsmatig handelend verkoper en een consument-koper. Anders dan [gedaagde] meent, is op grond van artikel 7:5 lid 4 BW van consumentenkoop óók sprake als de te leveren roerende zaak nog tot stand moet worden gebracht en de overeenkomst op grond waarvan deze zaak moet worden geleverd voldoet aan de omschrijving van artikel 7:750 BW (de aannemingsovereenkomst), als de aannemer handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf en de opdrachtgever consument is. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Het gaat om een woonschip dat door [gedaagde] speciaal voor [eisers] is gemaakt. Dat de nadruk volgens [gedaagde] meer ligt op het ontwerp en de bouw, en dus op het aannemingskarakter, dan op de gebruikte materialen maakt dit niet anders. Ook in dat geval gaat het immers nog steeds om een te leveren roerende zaak die nog tot stand moet worden gebracht. Verder staat vast dat [gedaagde] in de uitoefening van beroep of bedrijf heeft gehandeld en [eisers] als consument, omdat het woonschip bedoeld was om zelf in te gaan wonen.
Juist voor deze situatie, waarin de aan de consument te leveren roerende zaak nog tot stand moet worden gebracht en de overeenkomst ook voldoet aan de wettelijke omschrijving van aanneming van werk, is in de wet bepaald dat de overeenkomst dan mede wordt aangemerkt als consumentenkoop. Er is dan sprake van een gemengde overeenkomst en de wettelijke bepalingen van koop en aanneming zijn dan naast elkaar van toepassing, en in geval van onderlinge strijdigheid gaan de consumentenkoopregels vóór (artikel 7:5 lid 4 BW).
De overeenkomst tussen partijen moet dus (mede) worden aangemerkt als consumentenkoop. Zaken betreffende consumentenkoop worden behandeld en beslist door de kantonrechter, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering (artikel 93 aanhef en sub c van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv)).
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat de rechtbank de zaak op grond van artikel 71 lid 2 Rv zal verwijzen naar de kantonrechter.
De proceskosten van dit incident worden gecompenseerd, omdat het [gedaagde] niet te verwijten valt dat de rechtbank Den Haag de zaak naar de handelskamer van de rechtbank in plaats van naar de kantonrechter heeft verwezen.
3. De beslissing
De rechtbank
verwijst de hoofdzaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Lelystad, op woensdag 18 maart 2026 om 11:00 uur;
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel te veel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort;
compenseert de proceskosten in het incident, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 18 februari 2026.
5274