RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16.325400-25 en 05.149671-25 (gev. ttz) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [2006] te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] , [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
29 september 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlasteleggingen
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
parketnummer 16.325400-25, na een nadere omschrijving van de tenlastelegging
primair op 29 november 2025 in Almere samen met anderen met geweld en/of bedreiging met geweld één of meer sieraden heeft gestolen van [juwelier] ;
subsidiair ten laste gelegd als een poging daartoe;
parketnummer 05.149671-25
primair op 14 december 2024 in Nijmegen heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
subsidiair ten laste gelegd als een mishandeling.
De volledige tekst van de beschuldigingen staat in bijlage I bij dit vonnis.
De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16.325400-25 en 05.149671-25 ten laste gelegde feiten respectievelijk als feit 1 en feit 2.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 primair heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd over het bewijs met betrekking tot feit 1. Ten aanzien van feit 2 heeft hij gesteld dat niet kan worden bewezen dat sprake is van een poging tot zware mishandeling.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 primair en 2 primair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De verdachte bekent dat hij feit 1 primair heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door of namens de verdachte is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.
Bewijsoverweging feit 2
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 4] heeft geduwd, met meerdere keren met de vuist in het gezicht heeft geslagen en, nadat het slachtoffer in elkaar was gezakt en op de grond was gevallen, heeft geslagen en getrapt.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een poging tot zware mishandeling. De rechtbank zal uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De verdachte heeft het slachtoffer meerdere vuistslagen in het gezicht gegeven: tegen de kaken, de oogkas en de slaap. Dat de verdachte met kracht heeft geslagen blijkt niet alleen uit beelden van het incident, maar ook uit de verklaring van het slachtoffer dat een van de vuistslagen, de klap tegen de linker oogkas en de linker slaap, aanvoelde als een mokerslag, waarna het slachtoffer in elkaar is gezakt en op de grond is gevallen. Bovendien heeft de verdachte ook zelf verklaard dat hij te ver is gegaan en hebben anderen verschillende keren geprobeerd de verdachte van het slachtoffer af te halen.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door op deze manier tekeer te gaan en meerdere harde vuistslagen te geven op kwetsbare plaatsen in het gezicht, bestond een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (bijvoorbeeld botbreuken) en heeft de verdachte deze kans bewust aanvaard.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 primair
op 29 november 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, sieraden, die geheel of ten dele aan [juwelier] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de juwelier binnen te rennen met gezichtsbedekkende kleding, een hamer, een vuurwapen en een tas,
- te roepen: "overval, overval!",
- een vuurwapen op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te richten, en
- met een hamer de vitrines kapot te slaan;
feit 2 primair
op 14 december 2024 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer 4] heeft geduwd en
- die [slachtoffer 4] meerdere malen in het gezicht heeft geslagen en
- terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag, die [slachtoffer 4] meerdere malen op het hoofd heeft geslagen en
- terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag, die [slachtoffer 4] tegen het lichaam heeft getrapt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 primair
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2 primair
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De bewezen feiten zijn strafbaar.
Over de strafbaarheid van de verdachte overweegt de rechtbank het volgende.
In het dossier bevindt zich een Pro Justitia rapport van een psychologisch onderzoek naar de persoon van de verdachte van 29 juli 2026, uitgebracht door twee GZ-psychologen (hierna: het rapport).
Uit het rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van een sterk disharmonisch intelligentieprofiel en van een persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische en antisociale trekken. Dit was ook aanwezig ten tijde van de feiten 1 en 2 en dit heeft verdachtes gedragskeuzes en gedragingen op die momenten beïnvloedt. De deskundigen adviseren de beide feiten, indien bewezen, in licht verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt voornoemde conclusie van de deskundigen op de in het rapport genoemde gronden over. De rechtbank concludeert daarom dat de hiervoor bewezen feiten in licht verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met als (bijzondere) voorwaarden, kort gezegd:
- een meldplicht bij de reclassering;
- een ambulante behandeling door Kairos of een soortgelijke zorgverlener;
- een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 4] ;
- een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ;
- een locatieverbod voor voetbalvereniging [voetbalclub] in [woonplaats] ;
- het vinden en behouden van een dagbesteding;
- meewerken aan het aflossen van schulden en het treffen van afbetalingsregelingen.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit om op maat en passend te straffen en heeft daarbij gewezen op (door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming genoemde) ‘meer betekenisvolle alternatieven’. Hij heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, onder meer inhoudende dat de verdachte first offender is, zijn leven redelijk op orde heeft, spijt heeft van zijn handelen, leerbaar is en wil laten zien dat hij zijn leven kan beteren en dat hij bereid is te werken en schade te vergoeden. Een meer betekenisvol alternatief zou kunnen zijn om aan de verdachte tweemaal 240 uur taakstraf op te leggen of een lange voorwaardelijk gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaren.
Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met twee mededaders schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een juwelier in Almere. Deze overval vond plaats op klaarlichte dag, terwijl de winkel geopend was. De verdachte heeft twee medewerkers van de winkel en een aanwezige klant bedreigd met een vuurwapen, hetgeen voor hen een uiterst angstige en schokkende ervaring is geweest. Een van de mededaders heeft fors geweld gebruikt door vitrines stuk te slaan met een hamer, waarna sieraden zijn weggenomen. Een van de mededaders heeft de hamer ook gebruikt als wapen in de richting van een van de medewerkers van de winkel. De verdachte en een mededader zijn gevlucht, terwijl de andere mededader door een medewerker van de winkel en omstanders werd overmeesterd.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer meerdere harde vuistslagen in het gezicht gegeven en tegen het lichaam getrapt. Het is zorgelijk dat de verdachte na een geringe aanleiding – ongenoegen over het opbergen van een elektrische step van een vriend van de verdachte, omdat de step niet mee naar binnen mocht in het clubhuis van de voetbalvereniging – op deze wijze de confrontatie is aangegaan. Het slachtoffer, een vrijwilliger bij die voetbalvereniging, was slechtziend en heeft zich nauwelijks kunnen verweren tegen de geweldsuitbarsting van de verdachte. De rechtbank benadrukt dat het ook heel anders had kunnen aflopen, met name omdat de verdachte het slachtoffer meerdere vuistslagen heeft gegeven op kwetsbare delen van het gezicht.
De rechtbank vindt het bij de beide misdrijven door de verdachte toegepaste geweld schokkend. Het getuigt van een onverschilligheid ten opzichte van de belangen en gevoelens van de slachtoffers en (voor wat betreft de gewapende overval) het eigendom van anderen. Voor wat betreft de gewapende overval is bovendien stuitend dat de verdachte deze overval alleen uit eigen gewin, snel en makkelijk aan geld komen, heeft gepleegd.
Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen een grote impact hebben op slachtoffers en kunnen leiden tot traumatische ervaringen met langdurige psychische gevolgen. Uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen blijkt ook dat zowel de slachtoffers van de gewapende overval als het slachtoffer van de poging tot zware mishandeling nog dagelijks de gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen. Bovendien veroorzaken dergelijke misdrijven ook in het algemeen sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dat de verdachte hier geen oog voor heeft gehad, rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank houdt ten aanzien van de persoon van de verdachte rekening met:
een uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’) van 23 juni 2026;
het hiervoor onder 4.2 genoemde Pro Justitia rapport van een psychologisch onderzoek naar de persoon van de verdachte van 29 juli 2026;
een reclasseringsrapport van Reclassering Nederland in Arnhem van 8 september 2026;
de jonge leeftijd en de proceshouding van de verdachte.
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Uit het Pro Justitia rapport van 29 juli 2026 blijkt dat bij de verdachte sprake is van stoornissen zoals omschreven in paragraaf 4.2. Zoals in die paragraaf is gemotiveerd, neemt de rechtbank de conclusie van de deskundigen betreffende de licht verminderde toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte over en de rechtbank houdt daarmee ook rekening bij het bepalen van de straf en de strafmaat.
Uit het rapport blijkt ook dat de deskundigen de kans op recidive inschatten als matig tot hoog, indien geen interventie zal plaatsvinden. De verdachte denkt vooraf niet altijd goed na over beslissingen. Hij kan zich snel gekrenkt voelen, wat kan leiden tot impulsieve agressie. De verdachte is gevoelig voor status en wil zichzelf graag bewijzen aan de ander, wat kan leiden tot instrumentele agressie om zichzelf iets toe te eigenen. De verdachte verdraagt confrontatie met negatieve kanten bij zichzelf niet, waardoor hij de risico’s van zijn gedrag onvoldoende inziet en ook geen noodzaak ziet tot behandeling.
De deskundigen adviseren, met toepassing van het volwassenstrafrecht, oplegging van bijzondere voorwaarden binnen een voorwaardelijk strafdeel. Geadviseerd wordt om het reclasseringstoezicht te verlengen. De verdachte heeft langere tijd toezicht nodig aangezien hij eigen tekortkomingen niet (h)erkent. Daarnaast adviseren de deskundigen de verdachte een inzichtgevende psychotherapie te laten volgen, gericht op zijn verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling, met speciale aandacht voor zijn gebrekkige zelfinzicht en opvattingen ten aanzien van geweld.
De reclassering heeft zich in het rapport van 8 september 2026 aangesloten bij de adviezen uit het Pro Justitia rapport van 29 juli 2026 over de toepassing van het volwassenenstrafrecht en het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De verdachte is nog jong en kan op een aantal leefgebieden hulp en ondersteuning gebruiken. Zijn copingvaardigheden zijn beperkt en hij maakt keuzes die hij vooraf niet goed overdenkt. De verdachte komt de afspraken in het kader van een huidig toezicht goed na en lijkt gemotiveerd zijn leven op orde te krijgen en te houden. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden:
een meldplicht bij de reclassering;
een ambulante behandeling door Kairos of een soortgelijke zorgverlener;
een contactverbod met de medeverdachten en met slachtoffers;
een locatieverbod voor de gemeente Almere;
het vinden en behouden van een dagbesteding;
meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen.
De verdachte heeft openheid van zaken gegeven over zijn rol bij beide misdrijven. Hij heeft spijt betuigd en excuses aangeboden richting de slachtoffers. De rechtbank houdt hiermee rekening in het voordeel van de verdachte.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd en de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, zoals ter terechtzitting is gebleken en hiervoor is omschreven.
De rechtbank heeft gelet op hetgeen in vergelijkbare strafzaken aan straffen is opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die zijn ontwikkeld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en die betrekking hebben op de bij de artikelen 312 en 302 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijven ‘overval’ en ‘zware mishandeling’.
De oriëntatiepunten gaan voor een overval op een winkel uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar indien sprake is geweest van licht geweld en/of bedreiging en van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar indien sprake is geweest van ander geweld.
De rechtbank is van oordeel dat het laatstgenoemde oriëntatiepunt van 3 jaar het meest passend is, gelet op de omstandigheden dat de verdachte de overval op de juwelierswinkel samen met anderen heeft gepleegd, hij meerdere personen met een vuurwapen heeft bedreigd en bij de overval op grove en intimiderende wijze forse schade is toegebracht aan (de inventaris van) de juwelierswinkel.
Ten aanzien van een zware mishandeling (waarbij geen gebruik is gemaakt van een wapen) gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat geen sprake is van een voltooid misdrijf maar van een poging daartoe, zoals bedoeld in artikel 45 van voornoemd wetboek.
De rechtbank is, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of minder zware straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Een lichtere strafrechtelijke afdoening zou de aard en de ernst van de bewezen feiten miskennen. De rechtbank zal dan ook een gevangenisstraf opleggen aan de verdachte.
Bij het bepalen van de duur en de vorm van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de hiervoor vermelde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en proceshouding, het blanco strafblad en de licht verminderde toerekenbaarheid van de feiten en ook met de over de verdachte uitgebrachte rapporten en de daarin opgenomen adviezen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een lagere gevangenisstraf op te leggen dan in de oriëntatiepunten wordt genoemd en om deze gevangenisstraf gedeeltelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Alles overwegend vindt de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. De tijd die de verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op deze gevangenisstraf in mindering worden gebracht. De duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf betekent dat de verdachte (alsnog) een deel van deze straf zal moeten uitzitten. Dit deel is echter niet zodanig lang dat dit de (door de verdachte voorgenomen) positieve wending van zijn leven zal doorkruizen en hem het toekomstperspectief zal ontnemen. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen en om aan de verdachte een aantal (bijzondere) voorwaarden op te leggen.
Om recidive te voorkomen en de ontwikkeling van de verdachte positief te beïnvloeden, oordeelt de rechtbank het van groot belang dat er nog geruime tijd toezicht en begeleiding door de reclassering zal zijn en dat de verdachte (ambulant) zal worden behandeld door Kairos of een soortgelijke zorgverlener. De rechtbank zal dit als bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf. De rechtbank zal ook de overige door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden aan de verdachte opleggen, met dien verstande dat het contactverbod met de medeverdachten niet alleen zal gelden ten aanzien van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar ook ten aanzien van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .
6. Vorderingen benadeelde partijen
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
De heer [slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 38.504,35 voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het gevorderde bedrag bestaat uit € 20.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld) en € 18.504,35 ter vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende posten: verkoopwaarde gestolen juwelen (€ 12.210,-), schade aan vitrines (€ 5.658,98) en schade aan etalagepoppen (€ 635,37).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de post die ziet op de gestolen sieraden onvoldoende is onderbouwd. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt welke sieraden daadwerkelijk missen. Ook de post die ziet op schade aan etalagepoppen is onvoldoende onderbouwd, met alleen een aanschaffactuur. Gevraagd wordt om de benadeelde partij in deze delen van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
De officier van justitie acht de post die ziet op de schade aan de vitrines voldoende onderbouwd en vraagt om dit deel van de vordering toe te wijzen.
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op immateriële schade, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er weliswaar PTSS is geconstateerd, maar dat er geen informatie bekend is over de prognose en het herstel. De officier van justitie adviseert een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding toe te wijzen, en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in dit deel van de vordering.
De officier van justitie heeft ten slotte gevraagd het toe te wijzen bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en gijzeling toe te passen indien niet wordt betaald.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ingestemd met het standpunt van de officier van justitie en verzoekt op de vordering te beslissen overeenkomstig het voorstel van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op de sieraden niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering is door de verdediging betwist. De rechtbank constateert dat geen stukken zijn overgelegd, zoals een bedrijfsinventaris of administratieve gegevens, waaruit blijkt dat de goederen daadwerkelijk ontbreken. Gelet hierop is de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit deel van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Het deel van de vordering dat ziet op de schade aan de vitrines is voldoende onderbouwd. Weliswaar is alleen een offerte overgelegd die enige tijd na de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgesteld, maar de rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe tot het gevorderde bedrag van € 5.658,98.
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op schade aan de etalagepoppen, stelt de rechtbank op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting vast dat er schade is ontstaan die in rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezen verklaarde feit. Onvoldoende onderbouwd is echter waarom het nodig is om alle etalagepoppen te vervangen, aangezien niet is gebleken dat alle etalagepoppen vernield zijn. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit deel van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank stelt wel vast dat er enige schade is geleden en schat deze schade op een bedrag van € 300,-. De rechtbank wijst deze post tot dit bedrag toe en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit (feit 1) geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de overgelegde stukken volgt dat de benadeelde een traumagerichte behandeling krijgt voor PTSS-klachten, als gevolg van dit feit.
De ernstige gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad, zijn tijdens de zitting verder toegelicht. Wel houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat op dit moment onduidelijk is hoe de behandeling zal verlopen en hoe de benadeelde zal herstellen van zijn PTSS-klachten.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 14.2 categorie c (PTSS, middelzwaar) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- tot uitgangspunt.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 10.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijke toewijzing
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 15.958,98 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 104 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
De heer [slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 56.525,- voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 25.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld) en € 31.525,- ter vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende posten: studievertraging (€ 27.525,-) en een behandeling bij een psycholoog, gevorderd als toekomstige schade (€ 4.000,-).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de post die ziet op studievertraging onvoldoende onderbouwd. Ook de toekomstige kosten voor de psycholoog zijn onvoldoende onderbouwd; onduidelijk is of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt. De officier van justitie verzoekt de benadeelde partij daarom geheel niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot vergoeding van materiële schade.
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op immateriële schade, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat weliswaar PTSS is geconstateerd, maar dat nog weinig bekend is over de prognose daarvan. De officier van justitie vraagt toewijzing van een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schadevergoeding en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in dit deel van de vordering.
De officier van justitie heeft ten slotte gevraagd het toe te wijzen bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en gijzeling toe te passen indien niet wordt betaald.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ingestemd met het standpunt van de officier van justitie en verzoekt op de vordering te beslissen overeenkomstig het voorstel van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van schade door opgelopen studievertraging onvoldoende onderbouwd. Zo ontbreekt een bewijs van inschrijving over het studiejaar 2025-2026 en is onvoldoende onderbouwd op welke manier studievertraging zou zijn opgelopen en of deze het gevolg is van de strafbare feiten. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit deel van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van toekomstige zorgkosten, overweegt de rechtbank dat dit toekomstige schade betreft. Op dit moment is nog niet duidelijk of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij op deze eerste en laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Uit het dossier en de vordering volgt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een breuk aan zijn pink. De benadeelde partij heeft daarnaast voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit (feit 1) geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de stukken blijkt dat bij de benadeelde sprake is van ernstige en invaliderende PTSS, waarbij de klachten hem op allerlei leefgebieden beperken. Uit een stuk van een psycholoog volgt dat vanwege de ernst van de klachten direct gestart is met een EMDR-behandeling.
De ernstige gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad, zijn tijdens de zitting verder toegelicht. Wel houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat op dit moment onduidelijk is hoe de behandeling zal verlopen en hoe de benadeelde zal herstellen van de PTSS-klachten.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
Gelet op het feit dat de benadeelde partij in de onderhavige zaak verschillende soorten letsel heeft opgelopen, maakt de rechtbank een onderscheid tussen primair en secundair letsel. Voor wat betreft het primaire letsel, het voornaamste (zwaarste) letsel, neemt de rechtbank het volledige bedrag (of de bandbreedte) van de toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal tot uitgangspunt. Voor wat betreft het secundaire letsel (het overige letsel), neemt de rechtbank de helft van het bedrag (of van de bandbreedte) van de toepasselijke categorie tot uitgangspunt. Deze bedragen worden bij elkaar opgeteld. In deze zaak gaat de rechtbank ervan uit dat het primaire letsel bestaat uit de bij de benadeelde partij vastgestelde PTSS en dat het secundaire letsel bestaat uit een breuk in de pink.
Het primaire letsel valt naar het oordeel van de rechtbank onder categorie 14.2, categorie c, van de Rotterdamse schaal, te weten PTSS, middelzwaar. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- tot uitgangspunt.
Het secundaire letsel valt naar het oordeel van de rechtbank onder categorie 13.a van de Rotterdamse schaal, te weten licht letsel. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 1.450,- tot € 2.675,- tot uitgangspunt en zal, zoals gezegd, uitgaan van de helft hiervan. De rechtbank gaat niet uit van de categorie vingerletsel, als bedoeld in hoofdstuk 5.11 f tot en met i, omdat het daarbij gaat om blijvend letsel. Uit objectieve stukken blijkt niet wat de hersteltijd van de pink is en of de pink daadwerkelijk niet zal herstellen.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 10.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijke toewijzing
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 10.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
Mevrouw [slachtoffer 3] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 15.385,- voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 15.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld) en € 385,- ter vergoeding van materiële schade in verband met het betalen van het eigen risico zorgverzekering voor het jaar 2026.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vraagt een bedrag van € 10.000,- toe te wijzen ter vergoeding van immateriële schade en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering betreffende immateriële schade. Ten aanzien van de materiële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de gestelde kosten in verband met het eigen risico zorgverzekering 2026 niet zijn onderbouwd en dat de benadeelde daarom ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De officier van justitie heeft gevraagd het toe te wijzen bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en gijzeling toe te passen indien niet wordt betaald.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om ter vergoeding van immateriële schade een lager bedrag vast te stellen dan de door de officier van justitie genoemde € 10.000,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van materiële schade onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt waaraan het eigen risico zorgverzekering precies is opgemaakt en of het betalen van het eigen risico een rechtstreeks gevolg is van dit feit. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de overgelegde stukken volgt dat bij de benadeelde PTSS is gediagnosticeerd en dat zij een traumagerichte behandeling ondergaat bij een psycholoog.
De ernstige gevolgen die het feit voor het slachtoffer hebben (gehad), zijn tijdens de zitting verder toegelicht. Wel houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat op dit moment onduidelijk is hoe de behandeling zal verlopen en hoe de benadeelde zal herstellen van haar PTSS-klachten.
Voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 14.2 categorie c (PTSS, middelzwaar) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- tot uitgangspunt.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 10.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijke toewijzing
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 10.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]
De heer [slachtoffer 4] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 35.557,54 voor feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het gevorderde bedrag bestaat uit € 19.250,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld) en € 16.307,54 ter vergoeding van materiële schade.
De materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- medische kosten:
medicijnen en verbandmiddelen € 70,37
eigen risico / bijdrage zorgverzekering € 934,82
toekomstig eigen risico zorgverzekering € 605,18
facturen medische informatie huisarts € 135,20 +
€ 1.745,57
- verzorging, huishoudelijke hulp, begeleiding:
persoonlijke verzorging € 684,32
mantelzorg, begeleiding € 1.081,00
huishoudelijke hulp € 5.051,50
toekomstige mantelzorg, begeleiding
en huishoudelijke hulp € 624,00 +
€ 7.440,82
- zelfredzaamheid:
geleden schade 2025 € 306,40
geleden schade 2026 € 229,80
toekomstige schade € 76,60 +
€ 612,80
- verlies van arbeidsvermogen / gederfd levensonderhoud:
doordeweeks voetbalclub [voetbalclub] € 840,00
zaterdagen [voetbalclub] , geleden schade € 2.100,00
zaterdagen [voetbalclub] , toekomstige
schade € 450,00 +
€ 3.390,00
- extra vervoers- en parkeerkosten:
reiskosten, geleden en toekomstige € 2.949,50
schade
overige reis- en parkeerkosten € 100,00 +
€ 3.049,50
- onbenut fitnessabonnement: € 68,85
Totale materiële schade € 16.307,54
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade toewijsbaar is voor zover deze schade in rechtstreeks verband staat met het ten laste gelegde feit en niet te complex is voor het strafrecht. Een groot deel van de vordering, waaronder de gestelde toekomstige schade, is echter te complex voor het strafrecht.
Toewijsbaar zijn de volgende materiële schadeposten:
medicijnen en verbandmiddelen € 70,37
eigen risico / bijdrage zorgverzekering € 934,82
facturen medische informatie huisarts € 135,20
overige reis- en parkeerkosten € 100,00
onbenut fitnessabonnement € 68,85 +
€ 1.309,24
Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op immateriële schade, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er een grondslag is voor immateriële schadevergoeding, maar dat het gevorderde bedrag bovenmatig is. De officier van justitie vraagt een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding toe te wijzen.
Voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële en immateriële schade is gevraagd de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Ten slotte heeft de officier van justitie gevraagd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en gijzeling toe te passen indien niet wordt betaald.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gesteld dat de door de officier van justitie genoemde bedragen aan materiële schade van € 1.309,24 en immateriële schade van € 3.000,- kunnen worden toegewezen. Voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële en immateriële schade is de vordering te complex en te uitgebreid en dient de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De gestelde schade betreffende
medicijnen en verbandmiddelen
eigen risico / bijdrage zorgverzekering
facturen medische informatie huisarts
overige reis- en parkeerkosten en
onbenut fitnessabonnement
ter hoogte van (in totaal) € 1.309,24 komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schadebedragen zijn door de verdediging niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken van een rechtstreeks verband tussen deze schadeposten en de onder feit 2 bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling als bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Ter onderbouwing van de gestelde schade wegens verlies van arbeidsvermogen / gederfd levensonderhoud op doordeweekse dagen bij voetbalclub [voetbalclub] is een door de facilitair coördinator van deze voetbalclub ondertekende verklaring overgelegd, waaruit blijkt dat de benadeelde zijn werkzaamheden voor de voetbalclub in de eerste vier maanden van 2025 niet heeft kunnen uitvoeren en dat hij om die reden de vergoeding voor deze werkzaamheden van € 210,- per maand niet heeft ontvangen.
De gestelde schade van € 840,- (4 maanden à € 210,- per maand) komt voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het voorgaande is deze schade voldoende onderbouwd en naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken van een rechtstreeks verband tussen deze schade en de onder feit 2 bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling als bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Ten aanzien van de gestelde toekomstige schade betreffende
eigen risico zorgverzekering
mantelzorg, begeleiding en huishoudelijke hulp
zelfredzaamheid
verlies van arbeidsvermogen, gederfd levensonderhoud (zaterdagen [voetbalclub] ) en
reiskosten
overweegt de rechtbank dat onduidelijk is of, en zo ja, in welke omvang die kosten zich in de toekomst zullen verwezenlijken. Deze kosten zijn door de benadeelde geschat en niet onderbouwd, zodat deze schadebedragen zonder nader onderzoek niet kunnen worden vastgesteld. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt vast dat de gestelde schadebedragen betreffende
persoonlijke verzorging
mantelzorg, begeleiding
huishoudelijke hulp
zelfredzaamheid, geleden schade 2025 en 2026
verlies van arbeidsvermogen / gederfd levensonderhoud (zaterdagen [voetbalclub] , geleden schade) en
reiskosten (geleden schade)
niet, althans onvoldoende zijn onderbouwd en door de verdediging gemotiveerd zijn betwist.
Met betrekking tot de gestelde schade wegens verlies van arbeidsvermogen / gederfd levensonderhoud is een niet-ondertekende verklaring van de voorzitter van [voetbalclub] overgelegd. De rechtbank acht een zodanige verklaring onvoldoende ter onderbouwing van de gestelde schade. Met betrekking tot de gestelde reiskosten is weliswaar een overzicht van data en taxikosten overgelegd, maar de benadeelde heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd waarom hij voor het vervoer tussen zijn woning en de voetbalvereniging gebruik heeft gemaakt van taxi’s.
Aanhouding van de strafprocedure, om de benadeelde partij in staat te stellen de vordering op voornoemde punten nader te onderbouwen en de verdachte en zijn advocaat en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zich voor dat deel van de vordering wenden tot de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij op de eerste en op de laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte fysieke schade heeft opgelopen, zodat de benadeelde in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Daarnaast zijn door de benadeelde partij voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de overgelegde stukken volgt dat bij hem PTSS is gediagnosticeerd en dat hij één behandeling heeft ondergaan bij een psycholoog en is aangemeld voor een vervolgbehandeling. Dat het door verdachte gepleegde feit ernstige gevolgen voor het slachtoffer heeft (gehad), is tijdens de zitting nader toegelicht. De rechtbank neemt hierbij echter ook in overweging dat op dit moment onduidelijk is hoe de behandeling en het herstel van de PTSS-klachten (verder) zal verlopen.
De rechtbank acht de gevorderde immateriële schade niet geheel toewijsbaar. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd aan immateriële schade dan zal worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Totaal toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering als volgt toewijzen:
materiële schade:
medicijnen en verbandmiddelen € 70,37
eigen risico / bijdrage zorgverzekering € 934,82
facturen medische informatie huisarts € 135,20
overige reis- en parkeerkosten € 100,00
onbenut fitnessabonnement € 68,85
verlies van arbeidsvermogen / gederfd
levensonderhoud (doordeweeks [voetbalclub] ) € 840,00 +
€ 2.149,24
immateriële schade: € 5.000,00 +
Totaal toe te wijzen € 7.149,24
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 14 december 2024, zijnde de datum van het schadeveroorzakende feit. De rechtbank gaat uit van deze datum, omdat de benadeelde partij heeft gevorderd om de wettelijke rente met ingang van deze datum toe te wijzen en de verdediging dit niet heeft weersproken.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 7.149,24 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
(einddossier: pagina’s 187-195)
(einddossier: pagina’s 489-490)
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde;
Straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast;
- als voorwaarden gelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
* meldplicht bij de reclassering:
zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak geldt dat de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 in Arnhem;
* ambulante behandeling:
zich laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
* contactverbod:
op geen enkele wijze (direct of indirect) contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [slachtoffer 4] , geboren op [1966] , wonende aan het [adres] , [woonplaats] ;
- [medeverdachte 1] , geboren op [2007] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] ;
- [medeverdachte 2] , geboren op [2011] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] ;
- [A] , geboren op [2003] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] ;
- [medeverdachte 4] , geboren op [2002] , wonende aan de [adres] , [woonplaats] .
De politie ziet toe op handhaving van dit verbod;
* locatieverbod:
zich niet zal bevinden op het terrein van voetbalvereniging [voetbalclub] aan de [adres] , [woonplaats] en ook niet binnen een straal van 100 meter afstand van het terrein van deze vereniging, zolang de reclassering dat nodig vindt.
De politie ziet toe op handhaving van dit verbod;
* dagbesteding:
zich zal inspannen voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
* aflossing schulden:
zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte zal de reclassering inzicht geven in zijn financiën en schulden;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair)
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1 primair)
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 1 primair)
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 2 primair)
Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mr. M. Wolfrat en mr.
V.A. Groeneveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2026.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:
parketnummer 16.325400-25, na een nadere omschrijving van de tenlastelegging:
op of omstreeks 29 november 2025 te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de-juwelier binnen te rennen met gezichtsbedekkende kleding en/of een hamer en/of een
of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, en/of een tas,
- te roepen: "overval, overval!",
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richten, en/of
- met een hamer de vitrines kapot te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
op of omstreeks 29 november 2025 te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten iele aan [juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- de juwelier binnen is gerend met gezichtsbedekkende kleding en/of een hamer en/of een
of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, en/of een tas,
- heeft geroepen: "overval, overval!",
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht, en/of
- met een hamer de vitrines kapot heeft geslagen;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
parketnummer 05.149671-25:
op of omstreeks 14 december 2024 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer 4] een of meerdere heeft geduwd en/of
- die [slachtoffer 4] een of meerdere malen in het gezicht, althans op het hoofd, heeft geslagen en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag) die [slachtoffer 4] een of meerdere malen op het hoofd heeft geslagen en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag) die [slachtoffer 4] een of meerdere malen tegen het lichaam heeft getrapt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
op of omstreeks 14 december 2024 te Nijmegen [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer 4] een of meerdere te duwen en/of
- die [slachtoffer 4] een of meerdere malen in het gezicht, althans op het hoofd, te slaan en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag) die [slachtoffer 4] een of meerdere malen op het hoofd te slaan en/of
- ( terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag) die [slachtoffer 4] een of meerdere malen tegen het lichaam te trappen.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen feit 1 primair
Uit het proces-verbaal Dossier Sierra (einddossier), proces-verbaalnummer 119, documentcode MD2R025193-302, parketnummer 16.325400-25:
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal aangifte van 29 november 2025, proces-verbaalnummer 5, documentcode MD2R025193-9, opgemaakt door een verbalisant van politie eenheid Midden-Nederland, met daarin een verklaring van aangever [slachtoffer 1]
(einddossier: pagina’s 93-94);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal aangifte van 29 november 2025, proces-verbaalnummer 7, documentcode MD2R025193-11, opgemaakt door een verbalisant van politie eenheid Midden-Nederland, met daarin een verklaring van aangever [slachtoffer 2]
(einddossier: pagina’s 96-97);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal van bevindingen (beelden juwelier) van 30 november 2025, proces-verbaalnummer 16, documentcode MD2R025193-22, opgemaakt door een verbalisant van politie eenheid Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal van bevindingen (onderzoek vuurwapen) van 28 januari 2026, proces-verbaalnummer PL0900-2025406981-81, opgemaakt door een verbalisant van politie eenheid Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 29 september 2026.
Bewijsmiddelen feit 2 primair
Het proces-verbaal aangifte van 16 januari 2025, met daarin een verklaring van aangever [slachtoffer 4] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: [adres] , [woonplaats]
Pleegdatum: zaterdag 14 december 2024
Man 3 duwde mij met flinke kracht aan de kant.
Ik voelde een vuistslag op mijn gezicht, ter hoogte van beide kaken.
Ik voelde opnieuw harde vuistslagen in mijn gezicht. Ik denk dat het twee klappen waren.
Meteen daarop voelde ik weer een vuistslag op de linkerkant van mijn gezicht. Ik wil
dit omschrijven als een mokerslag op mijn linker oogkas en linker slaap. De vuistslag
was vele malen pijnlijker dan de voorafgaande vuistslagen. Ik voelde dat ik in elkaar
zakte en op de grond viel. Terwijl ik op de grond lag, voelde ik trappen tegen mijn buik en schouder. Ik voelde ook meerdere slagen of trappen tegen mijn hoofd.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 mei 2025, met daarin een verklaring van de verdachte, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik duwde de man weg en sloeg hem.
Ik sloeg met mijn handen tegen zijn hoofd. Ik trapte hem in zijn ribben.
Mijn vrienden probeerden mij en de man uit elkaar te halen. De man en ik zijn de enigen die hadden gevochten; mijn vrienden hebben niets gedaan.
De verklaring van de verdachte, onder meer inhoudende:
Het is uit de hand gelopen, ik ben te ver gegaan.
Ik heb de man driemaal met de vuist geslagen. Anderen hebben geprobeerd mij van de man af te trekken. Ik heb de man geslagen en hij viel toen op de grond. Ik was boos.