RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11919878 \ LC EXPL 25-2139 AW/1583
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
VITENS N.V.,
gevestigd te Zwolle,
eisende partij,
hierna te noemen: Vitens,
gemachtigde: Syncasso Amsterdam B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] heeft volgens Vitens een betalingsachterstand laten ontstaan voor het drinkwater dat Vitens aan hem levert. Vitens wil dat [gedaagde] deze achterstand voldoet. Volgens [gedaagde] neemt hij niet vanaf 15 november 2019 water af van Vitens, maar vanaf 3 september 2022. [gedaagde] zat tot maart 2021 in detentie. Vitens hanteerde verder de verkeerde naam. [gedaagde] heeft zich aangemeld met zijn juiste naam. Pas tijdens deze procedure heeft Vitens de naam van [gedaagde] aangepast en kan hij het bij Vitens openstaande bedrag afbetalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het openstaande bedrag moet betalen en wijst de vorderingen van Vitens toe. De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren.
3. De beoordeling
[gedaagde] moet betalen voor de drinkwaterlevering
Volgens Vitens is met [gedaagde] op of omstreeks 15 november 2019 een overeenkomst tot het leveren van drinkwater tot stand gekomen. [gedaagde] heeft over de periode 15 november 2019 tot en met 19 juli 2025 voor € 1.824,59 aan verbruikt drinkwater onbetaald gelaten. Vitens heeft in september 2022 een verzoek ontvangen van Sociale Banken Nederland (SBN) om opgave te doen van haar vordering omdat [gedaagde] gedupeerde was van de toeslagenaffaire. Vitens heeft opgave gedaan over de periode november 2019 tot en met 15 mei 2021. Op 28 december 2022 heeft SBN dit deel van de vordering vermeerderd met buitengerechtelijke kosten betaald. Dit heeft Vitens op de vordering in mindering gebracht, zodat nog resteert te voldoen een bedrag van € 783,43.
[gedaagde] betwist dat er sprake is van een overeenkomst per 15 november 2019. Volgens [gedaagde] is hij per 3 september 2022 een overeenkomst aangegaan. Van maart 2018 tot maart 2021 zat hij in detentie. Vitens hanteert verder de verkeerde naam. Pas op 3 december 2025 heeft Vitens zijn naam aangepast. Omdat de gegevens nu kloppen kan hij de achterstand betalen. [gedaagde] maakt bezwaar tegen de bijkomende kosten. Als Vitens zijn naam eerder correct had aangepast, had het zover niet hoeven komen, aldus [gedaagde] .
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, althans dat deze pas per 3 september 2022 tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft echter niet betwist dat hij al vanaf 2013 de huurder is van de woning waaraan het water is geleverd. Vitens heeft dit op 15 november 2019 van de verhuurder vernomen. Vitens heeft daarom [gedaagde] per 15 november 2019 geregistreerd als afnemer en de aanmelding per 15 november 2019 aan [gedaagde] bevestigd. [gedaagde] is water gaan verbruiken en heeft dat ook steeds voortgezet.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er, gelet op die omstandigheden en op grond van vaste jurisprudentie, een overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889, r.o. 3.2.2 en 3.2.3). In de onderhavige zaak is van belang dat algemeen bekend is dat de levering en het gebruik van water niet gratis is. Gebruikelijk is dat daarvoor een afzonderlijke overeenkomst met een leverancier (een derde) wordt afgesloten. [gedaagde] stelt weliswaar dat niet op 15 november 2019 een overeenkomst met Vitens kan zijn gesloten omdat hij tot maart 2021 in detentie zat, maar dit maakt voor de beoordeling van het onderhavige geschil echter geen verschil. Vanuit de SBN is het verbruikte water immers voldaan tot 15 mei 2021. De vordering voordien staat in dit geding dan ook niet meer ter discussie. [gedaagde] was vanaf maart 2021 in ieder geval woonachtig op het leveringsadres. Hij stond daar ook ingeschreven. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat hij vanaf dat moment water heeft gebruikt, zodat er, mede gelet op het vorenstaande, vanaf dat moment in ieder geval sprake is van een overeenkomst. [gedaagde] heeft tegen de bevestiging door Vitens van de aanmelding per 15 november 2019 ook geen bezwaren geuit door aan te geven dat geen sprake is van waterverbruik door hem.
[gedaagde] betwist de hoogte van het gevorderde bedrag verder niet. Dit betekent dat de hoofdsom van € 783,43, welke ziet op de waterleveranties van 15 mei 2021 tot en met 19 juli 2025, voor toewijzing in aanmerking komt.
De proceskosten worden gecompenseerd
[gedaagde] is de partij die in het ongelijk is gesteld. Dit zou in beginsel betekenen dat [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Vitens heeft echter aanvankelijk niet de juiste naam gebruikt. Zij heeft [gedaagde] aangeschreven als [A] . Ondanks dat de stukken van SBN op naam van [gedaagde] stonden en [gedaagde] dit al eerder aan Vitens heeft aangegeven, heeft zij de naam van [gedaagde] gedurende deze procedure op 3 december 2025 pas gecorrigeerd. Volgens [gedaagde] heeft hij dit meerdere malen met Vitens proberen op te lossen. Niet onaannemelijk is dat als Vitens de naam van [gedaagde] eerder correct had weergegeven, [gedaagde] – zoals hij zelfs stelt – zonder rechtelijke tussenkomst had voldaan. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Vitens te betalen een bedrag van € 783,43,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.