ECLI:NL:RBMNE:2026:707

ECLI:NL:RBMNE:2026:707

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer 12001060 \ MV EXPL 25-197 AW/1583
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Geen sprake van een arbeidsovereenkomst tussen ex-partners. Verzoek om betaling van loon afgewezen. De tegenvordering tot terugbetaling wordt eveneens afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12001060 \ MV EXPL 25-197 AW/1583

Vonnis in kort geding van 18 februari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. A.D. van Koningsveld,

tegen

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. M.A.L.M. Willems.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 december 2025 met 7 producties- de conclusie van antwoord met een eis in reconventie met 13 producties

- de nadere producties van [eiser]- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser] .

Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2. De kern van de zaak

[eiser] en [A] , bestuurder van [gedaagde] , zijn op [datum] 2008 met elkaar gehuwd. Op [datum] 2024 is een echtscheidingsverzoek ingediend. Per 1 maart 2019 is tussen [eiser] en [gedaagde] een arbeidsovereenkomst gesloten voor de functie van [functie] tegen een salaris van € 6.541,00 bruto per maand. Tussen partijen is in geschil of zij beoogd hebben een arbeidsovereenkomst met gezagsverhouding aan te gaan. Volgens [eiser] is daarvan sprake. Omdat [gedaagde] is gestopt met betalen vordert [eiser] betaling van het loon vanaf november 2025. [gedaagde] op haar beurt vordert terugbetalingen van de betalingen over de periode 1 juli 2025 tot 1 november 2025. Volgens [gedaagde] heeft zij [eiser] in de gelegenheid gesteld om een andere baan te zoeken en hem daarom over die periode nog uitbetaald. [eiser] heeft aan de voorwaarde om een andere baan te zoeken niet voldaan. De kantonrechter wijst beide vorderingen af.

3. De beoordeling

Ten aanzien van de vordering van [eiser] (in conventie)

Het toetsingskader in dit kort geding

In dit kort geding moet allereerst worden beoordeeld of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening nodig is en van partijen niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Vervolgens moet worden beoordeeld of aannemelijk is dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. In dit vonnis geeft de kantonrechter alleen een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Het spoedeisend belang is aanwezig

Het spoedeisend belang heeft [eiser] voldoende toegelicht en volgt ook uit de aard van de vordering. Hij ontvangt partneralimentatie van [A] , maar om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud is hij ook afhankelijk van het ontvangen van loon. Dit betekent dat de vordering van [eiser] inhoudelijk kan worden behandeld.

Er is geen sprake van strijd met de goede procesorde

[eiser] heeft allereerst aangevoerd dat [gedaagde] in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door plotseling de stelling in te nemen dat er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat omdat er geen sprake zou zijn van een gezagsverhouding. Aan de stelling van [eiser] dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen te onderbouwen dat sprake was van een gezagsverhouding en dat dit verweer niet past binnen het bestek van een kort geding, gaat de kantonrechter voorbij. Artikel 3.16 van het procesreglement bepaalt dat processtukken zo spoedig mogelijk worden ingediend. Processtukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend, worden in beginsel buiten beschouwing gelaten. [gedaagde] heeft haar conclusie van antwoord, met daarin het verweer dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, voor het ingaan van de termijn van 24 uur ingediend. Dat geldt ook voor de eis in reconventie. Daarnaast geldt dat [gedaagde] haar verweer zelfs nog mondeling op de zitting had kunnen voeren. Er is daarom geen reden om aan het door [gedaagde] gevoerde verweer voorbij te gaan.

De loonvordering met nevenvorderingen van [eiser] vanaf november 2025 zijn niet toewijsbaar

- Toetsingskader

In deze procedure dient de vraag beantwoord te worden of tussen partijen een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW tot stand is gekomen.

Het toetsingskader hiervoor wordt gevormd door artikel 7:610 BW, nader ingevuld door (onder meer) de arresten van de Hoge Raad van 14 november 1997 (Groen/Schoevers, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495) en 6 november 2020 (X./Gemeente Amsterdam, ECLI:NL:HR:2020:1746).

Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. De definitie van de arbeidsovereenkomst kan dus worden onderscheiden in vier elementen: (i) de verplichting tot het verrichten van (persoonlijke) arbeid, (ii) de verplichting tot het betalen van loon, (iii) gedurende een zekere tijd en (iv) de aanwezigheid van een gezagsverhouding.

Welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen, moet worden vastgesteld door middel van uitleg aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Op grond van die maatstaf komt het bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van door partijen gemaakte afspraken aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van alle omstandigheden van het geval.

Nadat de overeengekomen rechten en verplichtingen – en hiermee de inhoud van de overeenkomst – zijn vastgesteld, moet beoordeeld worden of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van een arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 BW, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.

- Arbeid gedurende een zekere tijd

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in enige vorm werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] . Ter zitting heeft [eiser] aangegeven dat hij allerlei klusjes deed, hij bij vergaderingen zat en hij gym en voetbaltrainingen gaf. Wat de omvang van die werkzaamheden was en of [eiser] die werkzaamheden verrichtte omdat hij hiertoe op grond van een overeenkomst verplicht was, of dat hij dit deed uit hoofde van de affectieve relatie tussen partijen, is niet komen vast te staan. De kantonrechter heeft uit de stellingen van partijen wel begrepen dat [eiser] in het begin niet hoefde in te klokken, er geen afspraken zijn gemaakt over (het opnemen van) vakantiedagen en hij zich ook niet ziek hoefde te melden. Hieruit volgt dat [eiser] veel vrijheden had. Weliswaar is er een arbeidsovereenkomst op schrift gesteld, maar uit de stellingen van [gedaagde] heeft de kantonrechter begrepen dat dit is gebeurd in verband met de aankoop van een woning en het verkrijgen van een hypotheek. Per mail van 29 november 2022 heeft de controller van [gedaagde] ook uitleg gegeven over deze constructie aan [bedrijf 1] . In die mail staat onder meer dat [eiser] de functie naar eigen inzicht kan invullen zonder dat de DGA daar controle of toezicht op kan uitoefenen. Deze mail is ook naar [eiser] verstuurd. [eiser] heeft daarop niet gereageerd in die zin dat het anders zou zijn. Ter zitting heeft [eiser] weliswaar gesteld dat hij de mail nooit heeft gezien omdat zijn (zakelijke) mail het niet altijd deed en hij daarom maanden met de controller via zijn privemail contact heeft gehad, maar [eiser] laat na om aan te geven of dit ook in november 2022 het geval is geweest. Maar ook als dat wel het geval zou zijn geweest, dan laat [eiser] na op het moment dat hij wel weer de beschikking heeft tot zijn mail, om hierop te reageren en aan te geven dat het anders is. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd verklaard dat het huis inderdaad is aangekocht in die periode, maar dat hij het zich niet kan herinneren dat er een arbeidsovereenkomst is opgesteld ten behoeve van de hypotheek. Dat wekt enige verbazing nu er wel een arbeidsovereenkomst door hem is getekend. Dit alles leidt naar het oordeel van de kantonrechter tot de slotsom dat niet vast is komen te staan dat partijen een verplichting tot het verrichten van arbeid zijn overeengekomen.

- Loon

Tussen partijen is niet in geschil dat door [bedrijf 2] B.V. (waarvan [gedaagde] directeur-grootaandeelhouder is) over de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 en door [gedaagde] vanaf 1 januari 2022 bedragen zijn overgemaakt aan [eiser] . Dat [gedaagde] gedurende meerdere jaren, maandelijks een bedrag onder de noemer ‘salaris’ en onder verstrekking van loonstroken aan [eiser] heeft betaald, maakt nog niet dat kan worden gesproken van loon in het kader van artikel 7:610 BW. Daarvan is slechts sprake als de betaling kan worden aangemerkt als een tegenprestatie voor de bedongen arbeid (Hoge Raad 18 december 1953, ECLI:NL:HR:1953:219).

Dat de maandelijkse betaling het karakter van loon had, is onvoldoende gebleken. Hierbij acht de kantonrechter van belang dat [gedaagde] heeft gesteld dat het een manier is geweest om het gezinsinkomen te verdelen. De hoogte van de maandelijkse betaling was gebaseerd op een optimale belastingverdeling. De controller heeft ter zitting ook aangegeven dat het door [eiser] te ontvangen bedrag zo is vastgesteld om binnen een bepaalde schaal te blijven, omdat [eiser] anders meer belasting moest betalen. Dat is door [eiser] niet voldoende weersproken. Verder acht de kantonrechter van belang dat uit de loonstroken blijkt dat er geen werknemerspremies worden afgedragen. Ook is het niet ongebruikelijk dat de ene levenspartner c.q. echtgenoot meewerkt in het bedrijf van de andere en dat in dit verband ‘fiscale constructies’ worden gehanteerd. Dat in onderhavig zaak sprake was van een dergelijke constructie, blijkt temeer uit het feit dat de hoogte van het maandelijks door [eiser] te ontvangen bedrag. Dat bedrag staat niet in verhouding tot de werkzaamheden die [eiser] verrichtte. [eiser] was immers [functie] . De daartegenover staande beloning is zo hoog dat zonder nadere motivering niet kan worden volgehouden dat die is overeengekomen als onderdeel van een zakelijke, tussen werkgever en werknemer gesloten arbeidsovereenkomst. Er is derhalve onvoldoende vast komen te staan dat sprake is van overeengekomen loon in de zin van artikel 7:610 BW.

- Gezagsverhouding

[eiser] heeft aangevoerd dat sprake was van een gezagsverhouding tussen partijen, zowel in formele als in materiële zin. Materieel omdat [gedaagde] de bevoegdheid had om aanwijzingen en instructies te geven over de werkinhoud en formeel omdat [gedaagde] kan bepalen op welke locatie [eiser] deze werkzaamheden verricht. Verder is [eiser] op verzoek van [gedaagde] verplicht om overwerk te verrichten. [gedaagde] heeft betwist dat er sprake was van een gezagsverhouding. Volgens [gedaagde] kwam [eiser] wel eens naar het [bedrijf 2] , maar deed hij dit volkomen naar eigen inzicht. Er werd geen administratie van uren of vakantiedagen bijgehouden en hij had geen beoordelings- of functioneringsgesprekken.

De kantonrechter stelt voorop dat, hoewel een arbeidsovereenkomst tussen echtgenoten niet is uitgesloten, een gezagsverhouding binnen een huwelijk niet voor de hand ligt. Degene die zich op een arbeidsovereenkomst met zijn of haar (voormalige) echtgenoot c.q. echtgenote beroept, zal daarom een gedegen onderbouwing van de gestelde gezagsverhouding moeten geven (ECLI:NL:GHAMS:2023:3458)

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd dat er sprake is van een gezagsverhouding. Ook al zou [gedaagde] formeel instructies kunnen geven, dan vindt de kantonrechter dat, om hiernavolgende redenen, onvoldoende om een gezagsverhouding aan te nemen. Hiervoor is al vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst in een heel ander kader is opgesteld, namelijk voor het verkrijgen van een hypotheek. Juist is dat [gedaagde] op enig moment tegen [eiser] heeft gezegd dat hij zich aan de werktijden moest houden en moest inklokken en later dat hij helemaal niet meer op het werk hoefde te verschijnen. Zij is derhalve (materieel) instructies gaan geven. [gedaagde] is echter pas instructies gaan geven vanaf het moment dat de relatie tussen [eiser] en [A] gebrouilleerd is geraakt. Ter zitting heeft [gedaagde] ook aangegeven dat het geven van instructies is gebeurd om de rust op de werkvloer te bewaren. Dit in verband met de scheidingsperikelen en om [eiser] duidelijk te maken dat hij te ver ging en het bedrijf zo kapot zou maken, omdat door het gedrag van [eiser] , [gedaagde] klanten dreigde kwijt te raken. Zoals [gedaagde] heeft verklaard heeft zij dit uit wanhoop gedaan. De kantonrechter heeft hieruit opgemaakt dat niet uit hoofde van een werkgever/werknemer relatie, maar om de gemoederen niet hoger te laten oplopen op de werkvloer, instructies zijn gegeven. Verder is nog van belang dat zowel [eiser] als [A] loon ontvangen zonder daarop werknemerspremies in te houden of af te dragen. Daaruit blijkt dat zij beiden op dezelfde manier werden behandeld binnen de onderneming, hetgeen ook een aanwijzing is voor het niet bestaan van een arbeidsovereenkomst en/of gezagsverhouding. Dit wordt bevestigd door de mededeling van de gemachtigde van [eiser] op 28 november 2024 aan de gemachtigde van [A] , te weten dat partijen zich beiden gedroegen als DGA, zij niet inklokten en zij werktijden aanhielden naar eigen inzicht. Op 14 maart 2025 bericht de gemachtigde van [eiser] nog eens aan [A] dat [eiser] formeel gezien werknemer is, maar dat partijen zich in het verleden altijd samen gedragen hebben als ware zij samen bestuurders van de onderneming. Dit alles duidt erop dat er geen sprake is van een gezagsverhouding. [eiser] heeft nog aangevoerd dat uit het verzoekschrift voorlopige voorziening van [A] moet worden opgemaakt dat hij bij haar werkt, maar dat geeft geen reden om anders te oordelen. Zoals hiervoor is opgemerkt is het immers niet ongebruikelijk dat de ene levenspartner c.q. echtgenoot meewerkt in het bedrijf van de andere, maar dat maakt nog niet dat er sprake is van een gezagsverhouding. [A] geeft in datzelfde verzoekschrift ook aan dat [eiser] voor het verkrijgen van de hypotheek in loondienst is gekomen, maar niet verscheen op de werkvloer. De slotsom van dit alles is dat er geen gezagsverhouding tussen partijen bestaat.

- Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de kantonrechter voorshands dat de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen niet kwalificeren als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] tot betaling van het loon van € 6.541,00 bruto over november 2025 en betaling van het verdere verschuldigde loon, en ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente niet voor toewijzing in aanmerking komen.

[eiser] moet de proceskosten betalen

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

865,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.009,00

De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

Ten aanzien van de tegenvordering van [gedaagde] (reconventie):

[eiser] hoeft de betalingen die zijn verricht tussen 1 juli en 1 november 2025 niet terug te betalen

De tegenvordering van [gedaagde] betreft terugbetaling van de betalingen die tussen 1 juli en 1 november 2025 hebben plaatsgevonden. Volgens [gedaagde] heeft zij in een mail van 16 juli 2025 voorwaarden gesteld waaronder de betalingen aan [eiser] nog plaats zouden vinden. [eiser] is in de gelegenheid gesteld om een andere baan te zoeken, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Aan de voorwaarden waaronder de betalingen hebben plaatsgevonden heeft [eiser] volgens [gedaagde] niet voldaan waardoor zij geen betaling verschuldigd was.

Met een geldvordering in kort geding moet terughoudend worden omgegaan. Een geldvordering kan alleen worden toegewezen als deze voldoende aannemelijk is en er sprake is van een grote mate van spoedeisendheid. Slechts als het evident is dat de geldvordering door de bodemrechter zal worden toegewezen, bestaat er aanleiding minder strenge eisen aan de spoedeisendheid te stellen. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. [gedaagde] heeft niet gesteld welk spoedeisend belang zij bij de vordering heeft. De kantonrechter ziet niet in dat een eventuele bodemprocedure niet kan worden afgewacht en neemt daarom ook geen spoedeisend belang aan. De tegenvordering van [gedaagde] wordt dus bij gebrek aan een spoedeisend belang afgewezen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering wordt dan ook niet toegekomen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De kosten van [eiser] in verband met de tegenvordering van [gedaagde] worden begroot op nihil, omdat het verweer tegen deze vordering geen noemenswaardig meerwerk heeft opgeleverd.

4. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?