RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/601424 / KL ZA 25-265
Vonnis in kort geding van 16 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] (Portugal),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T.A. Phijffer,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
beiden te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 28 oktober 2025 betekende dagvaarding met producties 1-16,- de conclusie van antwoord met producties 1-5,
- de op 30 december 2025 uitgebrachte oproeping van gedaagden voor een nieuwe zittingsdatum; de zitting op de in de dagvaarding aangekondigde datum was namelijk verplaatst naar een latere datum,
- de akte van de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met aanvullende producties 6-9,- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
[eiser] heeft op 30 januari 2026 productie 17 geüpload in het digitale systeem van de rechtspraak. Deze productie is buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling. De indiening is in strijd met de goede procesorde. Per abuis is de productie, nadat het is geüpload, niet doorgezonden naar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Het stuk heeft hen niet bereikt voorafgaand aan de mondelinge behandeling. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] procederen in persoon en hebben geen toegang tot het digitale systeem. Maar ook als de productie wel onmiddellijk zijn weg naar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] had gevonden, zou het volgens de regels van het procesreglement te laat zijn geweest. Het betreft een stuk dat veel eerder had kunnen en moeten worden ingediend en [eiser] heeft geen legitieme reden voor de (te) late toezending.
2. Kern van de zaak
Partijen zijn eigenaar van naast elkaar gelegen percelen. Tussen hen is een slepend geschil ontstaan over de perceelsgrens. In dit kort geding vordert [eiser] dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] maatregelen moeten treffen aan hun keerwanden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.
3. De beoordeling
Achtergrond van het geschil
Partijen zijn ieder eigenaar van een perceel grond in [plaats] . Die percelen zijn gesitueerd op een smalle strook grond tussen twee plassen in. [eiser] is in 2022 geëmigreerd en verhuurt zijn perceel sindsdien aan derden, die daar wonen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben hun perceel gekocht in 2016. Zij hebben de woning die op het perceel stond gesloopt en een nieuwe woning gebouwd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wonen op hun perceel.
Partijen hebben de afgelopen jaren meerdere procedures tegen elkaar gevoerd. Zij maakten onder meer ruzie over de plek van de erfgrens. Op 4 augustus 2020 hebben partijen de procedure over de erfgrens beëindigd met een schikking. Voor zover hier van belang hebben partijen met elkaar afgesproken dat zij een betonnen erfafscheiding zullen (laten) plaatsen tegen de al op het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aanwezige keerwanden. Die betonnen erfafscheiding zal mandelig zijn (gezamenlijk eigendom van partijen) en de erfgrens loopt onder het midden van die betonnen erfafscheiding.
Partijen hebben opdracht gegeven aan een bedrijf om zo’n betonnen erfafscheiding te plaatsen. Bij de start van de werkzaamheden stelde het bedrijf vast dat de door partijen gewenste erfafscheiding niet mogelijk was. De constructie was te zwaar voor de drassige ondergrond. Vervolgens zijn partijen in een impasse geraakt over de manier waarop invulling zou moeten worden gegeven aan wat zij hadden afgesproken over de erfafscheiding.
Op verzoek van [eiser] is op 20 april 2022 een voorlopig deskundigenbericht gelast. [eiser] wilde dit verzoek omdat er volgens hem een oplossing is zodat alsnog de betonnen schutting kan worden geplaatst: het onderheien van de keerwand op het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en het aanbrengen van een drainagebuis onder de keerwand. De op verzoek van [eiser] benoemde deskundige moest onderzoeken of de aanleg van de keerwand goed is gedaan en wat nodig was om tot uitvoering van de in 2020 gemaakte afspraken te komen. Op 16 november 2023 bracht de deskundige zijn rapport uit.
Wat [eiser] wil
[eiser] vordert in deze procedure dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de maatregelen moeten nemen die de deskundige in zijn rapport heeft genoemd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de keerwanden op eigen kosten laten verankeren en zij moeten de keerwanden laten draineren. Dat is zijn hoofdvordering. De overige vorderingen borduren hierop voort.
[eiser] heeft geen spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vorderingen
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat heeft hij niet. De overeenkomst waarin partijen afspraken hebben gemaakt over de erfafscheiding is al van 2020; het rapport van de deskundige is van eind 2023. Niet valt in te zien waarom nu op stel en sprong maatregelen zouden moeten worden genomen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Uit niets blijkt dat er (op korte termijn) sprake is van een dreigend gevaar op kantelen van (delen van) de keerwand met eventuele schade voor [eiser] tot gevolg. Vanwege het ontbreken van spoedeisend belang moeten de vorderingen van [eiser] al worden afgewezen.
Er is geen juridische grondslag voor toewijzing van de vorderingen van [eiser]
Ook een inhoudelijke beoordeling leidt tot afwijzing van de vorderingen. Partijen hebben afspraken met elkaar gemaakt over de erfafscheiding. Daarvan kan nakoming gevorderd worden. Gebleken is dat de erfafscheiding die partijen voor ogen hadden niet mogelijk is. Partijen zullen dus op zoek moeten naar een alternatief. Volgens [eiser] moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] doen wat de deskundige volgens [eiser] zegt. Maar [eiser] miskent hierbij dat de inhoud van een deskundigenrapport enkel dient ter onderbouwing van een vordering. Conclusies uit een deskundigenbericht vormen geen zelfstandige verplichtingen waarvan nakoming gevorderd kan worden. Nog daargelaten dat de vordering van [eiser] is gebaseerd op een onjuiste lezing van het rapport van de deskundige. De deskundige heeft namelijk (letterlijk) vastgesteld dat de keerwand op het terrein van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet gebrekkig is. De deskundige concludeert enkel dat er maatregelen mogelijk zijn voor (verdere) verbetering. Bovendien staat de vordering zoals die hier is ingesteld, te ver af van de gemaakte afspraken. De gevorderde maatregelen zien namelijk niet op het mogelijk maken van een erfafscheiding, maar op herstel van een in de (onjuiste) visie van [eiser] gebrekkige keerwand. Niet valt in te zien op welke grond [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verplicht kunnen worden tot het treffen van (kostbare) maatregelen aan een bouwwerk waarvan niet gebleken is dat het gevaarlijk is of schade veroorzaakt en dat zich volledig bevindt op eigen terrein.
Overigens is voor de erfafscheiding een alternatieve (en goedkopere) oplossing beschikbaar die de deskundige ook heeft genoemd in zijn rapport: een houten schutting.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betalen. Voor de tijd gemoeid met het opstellen van processtukken of het lezen van processtukken (de voorbereiding) wordt geen vergoeding voor verletkosten toegekend. Voor de kosten van tijdverzuim in verband met het bijwonen van de zitting wel. Uitgangspunt is vergoeding van een forfaitair bedrag van € 50,00 voor reis- en verblijfkosten. Als een hogere vergoeding gewenst is, moeten de kosten goed onderbouwd worden. Daarvan is in dit geval geen sprake.
De proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden daarom begroot op:
- griffierecht
- reis- en verletkosten
€
€
331,00
50,00
Totaal
€
381,00
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 381,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
4403