RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/112907-25; 16/283187-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2005] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ’,
(hierna: [verdachte] ).
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
In de zaak met parketnummer 16/112907-25:
feit 1
op 12 april 2025 te Hilversum meerdere keren met een mes in de borstkas en/of de buik en/of de rug van [slachtoffer 2] heeft gestoken;
dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling;
feit 2
op 12 april 2025 te Hilversum meerdere keren met een mes in de rug en/of de borst van [slachtoffer 1] heeft gestoken;
dit is primair tenlastegelegd als een poging tot doodslag, subsidiair als een zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling;
feit 3
op 12 april 2025 te Hilversum samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] ;
In de zaak met parketnummer 16/283187-25:
feit 1
in de periode van 9 april 2025 tot en met 12 april 2025 te Hilversum een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie en meerdere scherpe gaspatronen voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair (poging doodslag op [slachtoffer 2] ), 2 primair (poging doodslag op [slachtoffer 1] ) en 3 (openlijk geweld) onder de zaak met parketnummer 16/112907-25 en feit 1 (voorhanden hebben van een wapen en munitie) onder de zaak met parketnummer 16/283187-25 heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
[verdachte] bekent dat hij de voornoemde feiten heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
Onder de zaak met parketnummer 16/112907-25:
de bekennende verklaring van [verdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting van 2 oktober 2026;
het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] van 12 april 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 16 april 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 24 april 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met een beschrijving van de camerabeelden van verbalisant [verbalisant 1] van 12 april 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- de letselrapportage van 25 april 2025 van [slachtoffer 2] opgemaakt door forensisch arts dr. M. Balai;
- de letselrapportage van 25 april 2025 van [slachtoffer 1] opgemaakt door forensisch arts dr. L.S. Spekhorst onder supervisie van forensisch arts G. Tan;
Onder de zaak met parketnummer 16/283187-25:
de bekennende verklaring van [verdachte] zoals afgelegd ter terechtzitting van 2 oktober 2026;
het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen inhoudende het verslag van binnentreden in woning [adres] , inclusief fotobijlagen, van verbalisant [verbalisant 2] van 15 april 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, inclusief fotobijlage, van verbalisant [verbalisant 3] van 3 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
Onder de zaak met parketnummer 16/112907-25:
feit 1
hij op 12 april 2025 te Hilversum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven meermalen met een mes in de borstkas en de buik en de rug en de armen van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
feit 2
hij op 12 april 2025 te Hilversum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven meermalen met een mes in de rug en de borst van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
feit 3
hij op of omstreeks 12 april 2025 te Hilversum openlijk, te weten op de Groest/Spuisteeg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , door -meermalen die [slachtoffer 3] te duwen en slaan en schoppen en -meermalen die [slachtoffer 1] te duwen en slaan en schoppen en - -meermalen, (terwijl die [slachtoffer 3] op de grond ligt) tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] te schoppen en slaan en - meermalen met een mes in het bovenlichaam en de armen van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te steken, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten - meerdere steekwonden in de borstkast en de buik en rug en de armen en een klaplong (met bloed in één long) en steekverwondingen van het middenrif en een beuk van een rib van die [slachtoffer 2] en - meerdere steekwonden in de borstkast en de rug en een hematothorax (bloed in de borstholte) van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
Onder de zaak met parketnummer 16/283187-25:
feit 1
hij in de periode van 9 april 2025 tot en met 12 april 2025 te Hilversum, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Colt, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en acht scherpe gaspatronen, zijnde munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Onder de zaak met parketnummer 16/112907-25:
feit 1
poging doodslag;
feit 2
poging doodslag;
feit 3
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Onder de zaak met parketnummer 16/283187-25:
feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten zijn strafbaar.
Ten aanzien van de pogingen doodslag en het openlijk geweld (de zaken onder parketnummer 16/112907-25):
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De advocaat stelt zich op het standpunt dat [verdachte] ten aanzien van deze zaken dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem primair een beroep op noodweerexces en subsidiair een beroep op putatief noodweerexces toekomt.
Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar waartegen hij zich mocht verdedigen (noodweersituatie). Er was bij [verdachte] sprake van een hevige gemoedsbeweging, omdat de aangevers op een dreigende manier op hem af kwamen lopen, de confrontatie zochten en een stuk groter waren. [verdachte] was ernstig aangedaan door deze dreiging en voelde zich in het nauw gedreven. Deze angstreactie op de aanval van aangevers zorgde ervoor dat verdachte verder is gegaan dan geboden. Zonder deze gemoedsbeweging zou hij niet zo ver zijn gegaan in zijn verdediging.
Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat er geen sprake was van een noodweersituatie, dan stelt de advocaat zich op het standpunt dat [verdachte] dat wel kon en redelijkerwijs mocht menen (putatief noodweerexces). Daartoe is aangevoerd dat [verdachte] zich ingesloten voelde en in de veronderstelling was dat hij in zijn eentje tegenover de aangevers stond. De advocaat voert aan dat bij de overweging of er sprake is geweest van putatief noodweerexces ook de persoonlijkheidsstoornis (die er onder meer voor zorgt dat [verdachte] intenties moeilijk kan inschatten en sneller kwaadaardig invult en dat hij – wanneer de spanning oploopt – overspoeld kan worden door emoties, minder goed nadenkt en zijn emoties niet goed af kan remmen)van [verdachte] meegewogen dient te worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] geen beroep op noodweerexces dan wel putatief noodweerexces toekomt.
Oordeel van de rechtbank
Noodweerexces
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [verdachte] was in het centrum van Hilversum met twee van zijn kennissen. Eén van die kennissen heeft op enig moment een brokje hasj van aangever [slachtoffer 1] afgepakt toen [slachtoffer 1] om een sigaret vroeg. [slachtoffer 1] is even later, samen met aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] naar het groepje van [verdachte] toe gelopen. [verdachte] stond toen met de twee medeverdachten tegenover de drie aangevers. Er ontstond een woordenwisseling, waarna een medeverdachte een duw geeft aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] een klein, afhoudend, duwtje geeft aan [verdachte] . Vervolgens begint [verdachte] in te steken op [slachtoffer 2] en daarna op [slachtoffer 1] .
Naar het oordeel van de rechtbank was er geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar waartegen [verdachte] zich mocht verdedigen. Op dit moment was er slechts sprake van een woordenwisseling en wat geduw over en weer. De duw van [slachtoffer 2] kan in deze omstandigheden niet worden gezien als een aanval waartegen [verdachte] zich mocht verdedigen. Uit de beelden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het vervolgens [verdachte] is die zich na de duw aanvallend opstelt. [verdachte] stapt naar voren en steekt in korte tijd meerdere keren in op [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] deinst terug en [verdachte] blijft op hem af lopen. Het beroep op noodweerexces ten aanzien van feit 1 wordt dan ook verworpen, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen [verdachte] zich mocht beschermen.
Ook ten aanzien van feit 2 en 3 wordt het beroep op noodweerexces verworpen. Nadat [slachtoffer 2] ten val is gekomen, richt [verdachte] direct zijn pijlen op [slachtoffer 1] . De rechtbank is echter van oordeel dat er geen sprake is van een nieuwe situatie, maar dat [verdachte] door is gegaan met zijn aanvallende handelingen. [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn medeverdachte wilde beschermen tegen de veel grotere [slachtoffer 1] , maar het was [verdachte] die zich vanaf het begin aanvallend opstelde en in een hele korte tijd heel vaak heeft ingestoken op achtereenvolgens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Nu het handelen van [verdachte] in de kern als aanvallend moet worden beschouwd, komt hem ook ten aanzien van zijn latere geweldshandelingen geen beroep op noodweerexces toe.
Putatief noodweerexces
Namens [verdachte] is subsidiair een beroep gedaan op putatief noodweerexces. De rechtbank zal dan ook moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van [verdachte] , bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Daar moet dan wel een objectieve aanleiding voor bestaan die door verdachte verkeerd is ingeschat (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.7.2. en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:485).
De rechtbank leidt uit de feiten en omstandigheden af dat er geen objectieve aanleiding bestond voor [verdachte] om in de veronderstelling te verkeren dat sprake was van een zodanig ernstige (dreiging van een) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door elk van de slachtoffers dat verdediging door de wijze waarop verdachte heeft gehandeld, geboden was, ondanks de stoornis van [verdachte] . In dit verband acht de rechtbank met name van belang dat de slachtoffers ongewapend waren, dat geen sprake was van een getalsmatig overwicht aan de zijde van de slachtoffers en dat bovendien niet is gebleken van eerdere gewelddadig of agressief gedrag door de slachtoffers tegen [verdachte] of zijn kennissen. Ook blijkt niet uit de beelden dat de verdachte werd ingesloten door de slachtoffers of dat hij dat mocht denken. Iedereen staat dicht op elkaar en verdachte staat nog vlak naast zijn kennissen. [verdachte] staat tegenover [slachtoffer 2] , de tweede persoon staat tegenover [slachtoffer 3] en de derde persoon staat tegenover [slachtoffer 1] . De rechtbank heeft oog voor de psychische problematiek die bij [verdachte] is vastgesteld en voor het feit dat hij daardoor bij oplopende spanningen soms onvoldoende in staat is om gedragsalternatieven af te wegen. In de gegeven omstandigheden was er echter objectief gezien geen enkele aanleiding voor [verdachte] om te menen dat de slachtoffers voor hem een dusdanige bedreiging vormden dat hij zich moest verdedigen met een mes.
Op grond van het procesdossier, van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd en overigens ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank dan ook van oordeel dat uit feiten en omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Conclusie
De rechtbank verwerpt zowel het beroep op noodweerexces als putatief noodweerexces ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten onder 16/112907-25.
Verder zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. [verdachte] is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde voor zowel 16/112907-25 als 16/283187-25.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 22 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De officier van justitie eist dat aan [verdachte] daarnaast wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel).
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om het adolescentenstrafrecht toe te passen. De advocaat voert daarnaast aan dat niet aan de vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel als bedoeld in artikel 77 s lid 1, onder 3 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, nu een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . De advocaat verzoekt om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met bijzondere voorwaarden (waaronder ambulante forensische behandeling en begeleid wonen) of anders (subsidiair) een voorwaardelijke PIJ-maatregel met de geadviseerde voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] de feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan tweemaal een poging doodslag en openlijke geweldpleging door met een mes meermalen de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in te steken. Na een woordenwisseling en wat geduw volgde een heftige geweldsuitbarsting van [verdachte] , waarbij [verdachte] [slachtoffer 2] maar liefst elf keer heeft gestoken en [slachtoffer 1] zeven keer. Dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] nog leven is te danken aan het snelle optreden van omstanders en toegesnelde politieagenten. De toestand van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] was zo kritiek dat zij met spoed geopereerd moesten worden en in het ziekenhuis opgenomen bleven. Vooral voor [slachtoffer 2] was de periode in het ziekenhuis en de ingrepen die plaats moesten vinden heel erg heftig. Zij hebben beiden, zowel lichamelijk als mentaal, nog steeds last van de gevolgen van de steekpartij. De steekpartij heeft een enorme impact gehad op de levens van de slachtoffers en hun naasten, zoals ook bleek uit de verklaringen die zij hebben afgelegd op de zitting. Verder vindt de rechtbank het zeer zorgelijk en onacceptabel dat [verdachte] het blijkbaar nodig vond om met een mes op zaak de stad in te gaan, met in dit geval zeer ernstige gevolgen omdat hij het ook daadwerkelijk gebruikt heeft.
Ook op slachtoffer [slachtoffer 3] heeft dit feit een grote impact gehad. Hij heeft gezien dat twee van zijn vrienden levensbedreigend gewond waren geraakt en hij was bang dat ze dood zouden gaan. En ook voor andere omstanders moet dit geweld en de gevolgen zeer beangstigend zijn geweest. Niet alleen voor hun, maar ook voor anderen in de samenleving die hierover hebben gehoord, zorgen dit soort feiten ook voor gevoelens van angst en onveiligheid.
Verder heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gaspistool en bijbehorende munitie die hij bewaarde in zijn woning. Het behoeft geen verdere uitleg dat het voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
Bij haar beslissing heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 24 oktober 2025. Daaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft verder de volgende rapporten over [verdachte] gelezen:
- een psychologisch rapport van 9 januari 2026, uitgebracht door een GZ-psycholoog;
- een reclasseringsadvies van 10 februari 2026, uitgebracht door Reclassering Nederland;
- een aanvulling op het reclasseringsadvies van 20 mei 2026, uitgebracht door Reclassering Nederland.
Toepassing jeugdstrafrecht
Ten aanzien van de vraag of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast, overweegt de rechtbank dat [verdachte] ten tijde van het plegen van de feiten 19 jaar oud was. In beginsel is dan het volwassenenstrafrecht van toepassing. Maar op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan ook het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven. Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat er meerdere indicaties zijn, gelegen in de persoon en het functioneren van [verdachte] , voor de toepassing van het jeugdstrafrecht en zij adviseren dan ook het jeugdstrafrecht toe te passen. De psycholoog schrijft daarover:
Met betrekking tot zijn handelingsvaardigheden kan betrokkene de risico’s
van zijn eigen gedrag nauwelijks inschatten. Betrokkene is beïnvloedbaar en overziet niet
goed wat de gevolgen van zijn gedrag zijn. Hij kan zijn eigen gedrag nauwelijks organiseren (hij is weinig zelfredzaam) en hij handelt zonder na te denken. In het contact komt
hij hoewel hij zich volwassen presenteert, ook over als sociaal emotioneel jonger dan zijn
kalenderleeftijd. Over de pedagogische beïnvloeding valt te zeggen dat een pedagogische
aanpak noodzakelijk en ook mogelijk is. Betrokkene doet het goed op de afdeling voor
jongvolwassenen waar hij verblijft, de structuur van deze omgeving lijkt hem goed te
doen. Een groepsgericht klimaat is dan ook aan te raden. Er komen ook enkele contra-
indicaties naar voren. Met betrekking tot zijn justitiële voorgeschiedenis kan worden gezegd dat hoewel betrokkene geen uitgebreid justitieel verleden heeft, hij wordt verdacht
van een ernstig delict en er bestaat een hoog recidiverisico. Beveiliging van de maatschappij is daarmee noodzakelijk. Op het cluster psychopathische trekken komt als enige
contra-indicatie naar voren dat er antisociale trekken zijn. Voor wat betreft het cluster
criminele levensstijl kan worden gezegd dat betrokkene enigszins lijkt te zijn ingebed in
een crimineel milieu. Er worden geen pedagogische onmogelijkheden gezien.
Betrokkene heeft een onrijpe persoonlijkheid. Hoewel hij enigszins lijkt te zijn ingebed in
een criminele vriendengroep en er ook wel antisociale trekken bestaan, is betrokkene
niet verhard. Eerder is hij onderliggend kwetsbaar en is hij geneigd zichzelf op te blazen
en stoerder voor te doen. Hij is beïnvloedbaar. De verwachting is dat betrokkene gebaat
is bij een setting waarin men naast hem staat en hij leert op eigen benen te staan. Al
met al wordt ingeschat dat het jeugdstrafrecht het beste past bij de behandelbehoefte
van betrokkene.
De rechtbank neemt dit advies over en zal het jeugdstrafrecht toepassen.
Verminderde toerekenbaarheid
Uit het rapport van de psycholoog volgt dat bij [verdachte] sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en antisociale trekken. Deze problematiek had [verdachte] ook toen hij de feiten pleegde en zijn gedrag en keuzes die hij maakte werden daardoor beïnvloed. De psycholoog adviseert daarom de gepleegde feiten in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen.
Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door haar bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De gepleegde feiten kunnen in verminderde mate aan [verdachte] worden toegerekend.
Hiermee houdt de rechtbank dus rekening bij het bepalen van de straf.
Jeugddetentie
Vanwege de ernst van de gepleegde feiten is alleen een lange jeugddetentie een passende straf. De maximale jeugddetentie die kan worden opgelegd is 24 maanden en de rechtbank is van oordeel dat bij een geweldsexplosie zoals die hier heeft plaatsgevonden, met twee keer een poging doodslag tot gevolg, de maximale duur van de jeugddetentie wel in zicht komt. Maar omdat [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar was en ook een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd (wat hierna zal worden uitgelegd) zal niet de maximale jeugddetentie worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.
PIJ-maatregel
Uit het rapport van de psycholoog volgt dat de kans dat [verdachte] nog een keer (vergelijkbare) strafbare feiten pleegt wordt ingeschat als hoog. De psycholoog adviseert dat [verdachte] voor de behandeling van zijn stoornissen en ter beveiliging van de maatschappij moet worden behandeld in een kliniek. De behandeling moet systemisch worden ingestoken Onderliggend is er kwetsbaarheid, die door behandeling en bij het afbrokkelen van het schild dat betrokkene heeft opgebouwd, waarschijnlijk naar boven zal komen. Het is daarom van belang dat behandeling in een veilige en gestructureerde omgeving plaatsvindt. Wanhoop kan bij betrokkene leiden tot impulsiviteit, zoals eerder toen hij een suïcidepoging deed. Een klinische setting is daarom noodzakelijk. Waarschijnlijk vergt het tijd om een behandelrelatie te bestendigen en de persoonlijkheidsproblematiek te bewerken. Gelet hierop en gelet op het hoge gevaar voor herhaling en omdat er geen plek is waar hij buiten de jeugdgevangenis terecht kan, is het noodzakelijk dat hij direct vanuit de gevangenis naar een kliniek kan. Als dit mogelijk is, dan is juridisch gezien het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel aangewezen. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het meest aangewezen.
Volgens de reclassering was een voorwaardelijke PIJ-maatregel mogelijk, onder (onder meer) de voorwaarde dat [verdachte] zou kunnen worden opgenomen in een kliniek. Uit het aanvullend advies van de reclassering blijkt dat [verdachte] bij geen van de in Nederland beschikbare jeugdklinieken terecht kan. De Fjord, Fivoor en Inforsa geven aan dat zij geen klinische behandelmogelijkheden hebben voor cliënten met een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De Catamaran heeft de aanvraag afgewezen omdat zij [verdachte] ongeschikt achten binnen het groepsklimaat waarbij de cliënten tussen de 14 en 16 jaar oud zijn en omdat [verdachte] nog niet eerder behandelpogingen heeft gehad. De reclassering volgt in dit geval het advies van de psycholoog, namelijk een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
De rechtbank stelt vast dat, gelet op de bewezenverklaring en de conclusies en adviezen van de deskundigen, aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de PIJ-maatregel is voldaan. Hieruit blijkt namelijk dat (1) bij [verdachte] sprake is van een gebrekkige ontwikkeling/ziekelijke stoornis van de geestvermogens, (2) [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven, waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, (3) de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de maatregel eist en (4) de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . In deze zaak is lang stilgestaan bij de vraag of [verdachte] bij een kliniek terecht kan. Het heikele punt in deze zaak is dat er geen geschikte kliniek gevonden kon worden, terwijl de noodzaak voor klinische behandeling evident is.
De advocaat van [verdachte] heeft aangevoerd dat het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] is, omdat niet duidelijk is of een langer verblijf in de justitiële jeugdinrichting (JJI) in afwachting van een plek bij een kliniek wel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] is. De deskundigen hebben zich niet uitgelaten over die vraag en nu ligt het gevaar op de loer dat oplegging van de maatregel alleen de belangen van de maatschappij dient. Hierbij speelt mee dat in de JJI’s sprake is van een steeds verdergaande versobering van de kwaliteit van het verblijf, de zorg, de behandeling en het onderwijs van jeugdigen (verwijzing naar de brandbrief van de inspecties aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 september 2026). Hoewel de rechtbank de brandbrief waarnaar verwezen wordt kent en ook deze signalen opvangt, ziet zij in deze zaak niet in dat het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet in het belang is van een zo gunstig mogelijk ontwikkeling van [verdachte] . De rechtbank vindt het, net als de deskundigen, noodzakelijk dat [verdachte] (mogelijk langdurig) wordt behandeld in een kliniek. Alleen op die manier kan in een veilige en gestructureerde omgeving worden gewerkt aan zijn persoonlijkheidsstoornis en onderliggende problematiek en kan ook worden voorkomen dat [verdachte] wederom in de problemen komt omdat hij anders geen plek heeft waar hij terecht kan. En alleen daarmee kan dan het risico dat het nog een keer misgaat worden verminderd. Dit is uiteindelijk in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] , zijn toekomst en de maatschappij en is ook noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij. Als een PIJ-maatregel wordt opgelegd, dan kan daar binnen de JJI direct mee worden gestart (bijvoorbeeld het vaststellen van een traject- en perspectiefplan). Dat is weliswaar nog niet hetzelfde als daadwerkelijke behandeling in een kliniek en zal mogelijk worden beïnvloed door wachttijden en personele krapte in de JJI, maar gelet op de adviezen is dit beter voor [verdachte] dan dat hij zonder verblijfplaats en behandeling naar buiten gaat. Daar komt bij dat uit het rapport van de psycholoog volgt dat [verdachte] het goed doet op de afdeling en gedijt bij de structuur daar. Ook hier geldt dat mogelijk de problemen binnen de JJI’s zoals omschreven in de brandbrief daarop van invloed kunnen gaan zijn, maar dat is door [verdachte] en de advocaat niet concreet gemaakt en het maakt het oordeel van de rechtbank ook niet anders. De rechtbank acht daarom ook het opleggen van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] .
Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in dit geval ook de enige mogelijkheid voor behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek en ter beveiliging van de maatschappij. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel biedt die behandeling en veiligheid niet en ook bijzondere voorwaarden volstaan niet. De rechtbank kijkt daarbij – naast de hiervoor beschreven zo gunstig mogelijke ontwikkeling voor [verdachte] – ook uitdrukkelijk naar de zeer ernstige gepleegde feiten en het hoge risico op herhaling.
De rechtbank acht een klinische behandeling in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . Nu dit met een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet mogelijk is, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen.
De PIJ-maatregel geldt voor een termijn van drie jaren. Na twee jaren eindigt de maatregel van rechtswege voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze zoals bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt vast dat de maatregel is opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom kan de maatregel verlengd worden, telkens met ten hoogste twee jaren en tot een maximum van zeven jaren, als bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorwaardelijk verzoek verdediging
De advocaat heeft verzocht om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van het horen van de deskundigen F. Boers (GZ-psycholoog) en supervisor T.W. van de Kant (klinisch psycholoog) ter terechtzitting, indien de rechtbank overweegt om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.
De rechtbank acht het psychologisch rapport voldoende duidelijk en acht zich voldoende voorgelicht om tot een beslissing te komen. De rechtbank ziet geen noodzaak om de deskundigen ter terechtzitting te horen. De rechtbank overweegt daarbij dat uit zowel het reclasseringsrapport als het psychologisch rapport blijkt dat een klinische behandeling noodzakelijk is en dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het meest aangewezen juridisch kader is, als er geen kliniek beschikbaar is. De vragen die de advocaat wilde stellen aan de deskundigen over de inhoud en invulling van de PIJ-maatregel zijn naar het oordeel van de rechtbank ook niet noodzakelijk gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de vraag of oplegging van de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen (de hasj, het wapen en de munitie) te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen standpunt ingenomen over de beslissing met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten de hasj, het gaspistool en de munitie, onttrekken aan het verkeer. Met betrekking tot het gaspistool en de munitie geldt dat de verdachte daarmee een van de feiten heeft begaan. De hasj is bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten bij de verdachte aangetroffen. Voor alle voorwerpen geldt dat deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, waarbij voor de hasj geldt dat deze kan dienen tot het begaan of voorbereiding van soortgelijke feiten.
7. Vorderingen benadeelde partijen
Vordering van de benadeelde partijen
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 62,786,92 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 41.786,92 voor vergoeding van materiële schade en € 21.000 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Eigen risico 2025: € 302,70;
Ziekenhuisgelddagvergoeding: € 630,00;
Kosten behandelingen fysiotherapeut: € 442,00;
Pijnstillers en antibiotica (zelfmedicatie): € 50,00;
Toekomstige medische kosten: € 3.000,00;
Persoonlijke verzorging: € 4.788,00;
Studievertraging: € 26.225,00;
Collegegeld: € 2.601,00;
Reiskosten: € 273,31 (km vergoeding ad € 168,96 en taxikosten ad € 104,35);
Kledingstukken: € 325,00;
Airpods: € 222,00;
Doorlopende huurkosten: €1.875,00;
Nieuw matras: € 927,96;
Doorlopen abonnement sportschool: € 124,95;
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 56.739,65 voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 35.739,65 voor vergoeding van materiële schade en € 21.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Eigen risico 2025: € 385,00;
Ziekenhuisgelddagvergoeding: € 245,00;
Pijnstillers en verbandmateriaal (zelfmedicatie): € 50,00;
Toekomstige medische kosten: € 3.000,00;
Persoonlijke verzorging: € 2.128,00;
Studievertraging: € 26.225,00;
Collegegeld: € 2.601,00;
Reiskosten: € 232,32;
Slipcursus: € 109,00;
Kledingstukken: € 293,87;
Hoofdkussen: € 67,96;
Gemiste vakantie: € 373,00;
Ticket Thuishaven festival 2025: € 29,50;
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.425,00 vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.425,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De benadeelde partij vordert de vergoeding toe te wijzen als gevolg van de feiten 1, 2 en 3. De benadeelde partij stelt dat er sprake is van zowel primair slachtofferschap (smartengeld) ten aanzien van feit 3 als ook secundair slachtofferschap (shockschade) ten aanzien van de feiten 1 en 2.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen in volledig dienen te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Vordering benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]
De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, gelet op het verzochte ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de vorderingen afgewezen dienen te worden. Meer subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat vergoeding van de materiële schade gematigd dient te worden. Ten aanzien van de materiële schade voert de advocaat meerdere verweren. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 7.4.1 en 7.4.2.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op het verzochte ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu er geen grondslag is op grond van artikel 6:106 lid 1, onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Oordeel van de rechtbank
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de onderstaande schadeposten is voldoende onderbouwd en namens [verdachte] niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het gepleegde feit tegen [slachtoffer 2] (feit 1). De rechtbank wijst daarom de volgende schadeposten van de vordering toe:
Eigen risico 2025: € 302,70;
Ziekenhuisgelddagvergoeding: € 630,00;
Kosten behandelingen fysiotherapeut: € 442,00;
Pijnstillers en antibiotica (zelfmedicatie): € 50,00;
Persoonlijke verzorging: € 4.788,00;
Collegegeld: € 2.601,00;
Reis- en taxikosten: € 273,31;
Kledingstukken: € 325,00;
Doorlopende huurkosten: €1.875,00;
Nieuw matras: € 927,96.
Studievertraging
De advocaat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost met betrekking tot de studievertraging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, subsidiair dat deze schadepost gematigd dient te worden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het onduidelijk is of de studievertraging uitsluitend, of in overwegende mate, het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde. Niet valt uit te sluiten dat dat andere elementen hebben bijgedragen aan de opgelopen vertraging. Een verder onderzoek levert een onevenredige belasting van het strafproces op.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de schadepost met betrekking tot de studievertraging voldoende is onderbouwd met stukken. Uit de brief van de studieadviseur van de UvA blijkt dat de benadeelde partij niet aan de tentamenperiode deel heeft kunnen nemen door het bewezenverklaarde feit. Doordat deze tentamens niet op een ander moment ingehaald kunnen worden, worden deze verschoven naar het volgende jaar. De conclusie van de studieadviseur is dan ook dat de benadeelde partij een studievertraging van een jaar heeft opgelopen. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook volledig toewijzen tot een bedrag van € 26.225,00.
Airpods
De advocaat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat vordering ten aanzien van de schadepost met betrekking tot de Airpods afgewezen dient te worden, subsidiair dat deze schadepost gematigd dient te worden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat onduidelijk is dat de benadeelde partij de Airpods tijdens het bewezenverklaarde feit heeft verloren en dat, indien de rechtbank hier wel vanuit gaat, er gekeken moet worden naar de dagwaarde van de Airpods en niet de aankoopwaarde.
De rechtbank is van oordeel dat er een causaal verband is tussen het bewezenverklaarde feit en de schade, nu zij ervan uitgaat dat de benadeelde partij tijdens het gevecht zijn Airpods is verloren dan wel tijdens de verleende eerste hulp ter plaatse. Gelet op de aankoopdatum van de Airpods, ziet de rechtbank geen reden om te matigen. De Airpods waren niet lang voor het bewezenverklaarde feit aangekocht en het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort goederen niet snel hun waarde verliezen. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook volledig toewijzen tot een bedrag van € 222,00.
Doorlopen abonnement sportschool
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van schadepost met betrekking tot het doorlopen van het abonnement van de sportschool niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat uit de algemene voorwaarden van deze sportschoolaanbieder zou blijken dat het abonnement bij een medische situatie gepauzeerd kan worden en dat niet blijkt dat de benadeelde partij geprobeerd heeft het abonnement te pauzeren.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de vordering blijkt dat de overeenkomst tussen de benadeelde partij en de sportschool start vanaf 2 december 2024 en dat de minimale looptijd 365 dagen bedraagt. Uit deze overeenkomst blijkt niet dat tussentijds opzeggen mogelijk is of dat er een mogelijkheid is tot pauzeren. De advocaat heeft gesteld dat uit de algemene voorwaarden zou blijken dat pauzeren mogelijk is op grond van medische redenen. De advocaat heeft dit echter niet onderbouwd met stukken. De rechtbank ziet dan ook geen reden om deze schadepost af te wijzen of de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook volledig toewijzen tot een bedrag van € 124,95.
Toekomstige medische kosten
De rechtbank zal de kosten ten aanzien van de toekomstige medische kosten niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze op dit moment onvoldoende zijn onderbouwd.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. De rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 4.1 ‘borstletsel’ wordt onder categorie ‘(d) Minder ernstig borstletsel’ reeds een bedrag tussen de € 8.500,00 tot € 12.000,00 genoemd. Voor beschadiging van de milt in de zin van hoofdstuk 4.11 onder (b) geldt een bandbreedte van € 3.000,00 tot € 6.000,00 De rechtbank is – anders dan de advocaat – van oordeel dat de gevorderde leeftijdsopslag en de opslag wegens opzet van toepassing zijn. De benadeelde partij was slechts 19 jaar oud op het moment van het bewezenverklaarde en zal nog lange tijd moeten leven met de gevolgen van wat hem is aangedaan. Alleen al als het gaat om de littekens ligt het voor de hand dat hij hier blijvend last van zal houden. Anders dan de verdediging heeft betoogd neemt de verminderde toerekeningsvatbaarheid van [verdachte] niet weg dat hij opzettelijk heeft gehandeld. Een opslag van 25% is dan ook op zijn plaats. Alles afwegend, stelt de rechtbank de omvang van de immateriële schade daarom naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van €21.000,00.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van het eigen risico wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de volgende schadeposten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan:
Ziekenhuisgelddagvergoeding
Kledingstukken
Airpods
Taxirit (reiskosten)
De vergoeding van de kosten van de behandelingen fysiotherapeut wordt voor een bedrag van € 168,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2025 en voor een bedrag van € 274,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de pijnstillers en antibiotica (zelfmedicatie) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2026, omdat niet vast is komen te staan op welke datum de schade is ontstaan. De rechtbank gaat daarom uit van de datum van de vordering.
De vergoeding van persoonlijke verzorging wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025. Uit de vordering is gebleken dat de benadeelde partij tot acht weken na zijn ontslag uit het ziekenhuis persoonlijke verzorging nodig heeft gehad. De rechtbank neemt het midden van deze periode als uitgangspunt voor de ingang van de wettelijke rente.
De rechtbank is van oordeel dat er – ten aanzien van de studievertraging – sprake is van toekomstige schade. De rechtbank zal voor de ingang van de wettelijke rente uitgaan van de datum waarop het schadebedrag is vastgesteld, namelijk de datum van de uitspraak.
De vergoeding van deze schadepost wordt daarom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2026, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van het collegegeld wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de reiskosten bestaande uit een kilometervergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025. Uit de vordering is gebleken dat de benadeelde partij gedurende een langere periode reiskosten heeft gemaakt ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank neemt uit praktisch oogpunt het midden van deze periode als uitgangspunt voor de ingang van de wettelijke rente.
De vergoeding voor de doorlopende huurkosten wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de maandelijkse huur ad € 750,00 betaald moest worden. Blijkens het huurcontract dient de huurprijs op of vóór de 27e van de maand voorafgaand aan de maand van verhuur voldaan te worden. Dat betekent dat een bedrag van € 375,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2025, een bedrag van € 750,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2025 en een bedrag van € 750,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025.
De vergoeding van de kosten van het nieuwe matras wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de kosten van het doorlopen abonnement sportschool wordt voor een bedrag van € 17,85 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025, voor een bedrag van € 34,70 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2025, voor een bedrag van € 34,70 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2025 en voor een bedrag van € 34,70 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 59.786,92 aan de Staat moet betalen.
De vergoeding van de materiële schade (€ 38.786,92) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de volgende data tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald:
voor een bedrag van € 302,70 vanaf 16 april 2025;
voor een bedrag van € 1.281,35 vanaf 12 april 2025;
voor een bedrag van € 168,- vanaf 16 juni 2025;
voor een bedrag van € 274,- vanaf 19 augustus 2025;
voor een bedrag van € 50,- vanaf 16 februari 2026;
voor een bedrag van € 4.788,- vanaf 27 mei 2025;
voor een bedrag van € 26.225,- vanaf 16 oktober 2026;
voor een bedrag van € 2.601,- vanaf 25 september 2025;
voor een bedrag van € 168,96 vanaf 27 mei 2025;
voor een bedrag van € 375,00 vanaf 27 maart 2025;
voor een bedrag van € 750,00 vanaf 27 april 2025;
voor een bedrag van € 750,00 vanaf 27 mei 2025;
voor een bedrag van € 927,96 vanaf 12 mei 2026;
voor een bedrag van € 17,85 vanaf 12 april 2025;
voor een bedrag van € 34,50 vanaf 24 april 2025;
voor een bedrag van € 34,50 vanaf 22 mei 2025;
voor een bedrag van € 34,50 vanaf 20 juni 2025.
De vergoeding van de immateriële schade (€ 21.000,00) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald,
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van [verdachte] ) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte en de toepassing van het jeugdstrafrecht in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de onderstaande schadeposten is voldoende onderbouwd en namens [verdachte] niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 bewezen verklaarde. De rechtbank wijst daarom de volgende schadeposten van de vordering toe:
Eigen risico 2025: € 385,00;
Ziekenhuisgelddagvergoeding: € 245,00;
Pijnstillers en verbandmateriaal (zelfmedicatie): € 50,00;
Persoonlijke verzorging: € 2.128,00;
Collegegeld: € 2.601,00;
Slipcursus: € 109,00;
Kledingstukken: € 293,87;
Hoofdkussen: € 67,96;
Gemiste vakantie: € 373,00;
Ticket Thuishaven festival 2025: € 29,50;
Studievertraging
De advocaat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost met betrekking tot de studievertraging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, subsidiair dat deze schadepost gematigd dient te worden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het onduidelijk is of de studievertraging uitsluitend, of in overwegende mate, het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde. Niet valt uit te sluiten dat dat andere elementen hebben bijgedragen aan de opgelopen vertraging. Een verder onderzoek levert een onevenredige belasting van het strafproces op.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de schadepost met betrekking tot de studievertraging voldoende is onderbouwd met stukken. Uit de brief van de studentendecaan van de HvA blijkt dat de benadeelde partij 35 EC aan studiepunten niet heeft kunnen halen naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zou het eerste jaar succesvol hebben afgerond, maar heeft als gevolg van het bewezenverklaarde het Bindend Studieadvies niet kunnen behalen. De gemiste studiepunten dienen het volgende studiejaar alsnog behaald worden. De conclusie van de studentendecaan is dan ook dat de benadeelde partij een studievertraging heeft opgelopen. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook volledig toewijzen tot een bedrag van € 26.225,00.
Reiskosten
De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de schadepost met betrekking tot de reiskosten gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 201,96. De reiskosten ten aanzien van het reizen naar een slachtoffergesprek met de officier van justitie en het reizen naar de pro forma-zitting op de rechtbank Lelystad worden afgewezen. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat deze reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, mede gelet op het feit dat de benadeelde partij wordt bijgestaan door een gemachtigde.
Toekomstige medische kosten
De rechtbank zal de kosten ten aanzien van de toekomstige medische kosten niet-ontvankelijk verklaren. Deze zijn op dit moment onvoldoende onderbouwd.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. De rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 4.1 ‘borstletsel’ wordt onder categorie ‘(d) Minder ernstig borstletsel’ reeds een bedrag tussen de € 8.500,00 tot € 12.000,00 genoemd. Voor ‘minder ernstige littekenvorming’ in het gezicht in de zin van hoofdstuk 9.2 onder (d) geldt een bandbreedte van € 2.500,00 tot € 9.500,00. De rechtbank is – anders dan de advocaat – van oordeel dat de gevorderde leeftijdsopslag en de opslag wegens opzet van toepassing zijn. De benadeelde partij was slechts 19 jaar oud op het moment van het bewezenverklaarde en zal nog lange tijd moeten leven met de gevolgen van wat hem is aangedaan. Alleen al als het gaat om de littekens ligt het voor de hand dat hij hier blijvend last van zal houden. Anders dan de verdediging heeft betoogd neemt de verminderde toerekeningsvatbaarheid van [verdachte] niet weg dat hij opzettelijk heeft gehandeld. Een opslag van 25% is dan ook op zijn plaats Alles afwegend, stelt de rechtbank de omvang van de immateriële schade daarom naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van €21.000,00.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van het eigen risico wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de kosten ziekenhuisgelddagvergoeding en de kledingstukken wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de pijnstillers en verbandmiddelen (zelfmedicatie) en het hoofdkussen wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2026, omdat niet vast is komen te staan op welke datum de schade is ontstaan. De rechtbank gaat daarom uit van de datum van de vordering.
De vergoeding van persoonlijke verzorging wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2025. Uit de vordering is gebleken dat de benadeelde partij tot vijf weken na zijn ontslag uit het ziekenhuis persoonlijke verzorging nodig heeft gehad. De rechtbank neemt het midden van deze periode als uitgangspunt voor de ingang van de wettelijke rente.
De rechtbank is van oordeel dat er – ten aanzien van de studievertraging – sprake is van toekomstige schade. De rechtbank zal voor de ingang van de wettelijke rente uitgaan van de datum waarop het schadebedrag is vastgesteld, namelijk de datum van de uitspraak.
De vergoeding van deze schadepost wordt daarom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2026, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van het collegegeld wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de reiskosten wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2025. Uit de vordering is gebleken dat de benadeelde partij gedurende een langere periode reiskosten heeft gemaakt ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank neemt uit praktisch oogpunt het midden van deze periode als uitgangspunt voor de ingang van de wettelijke rente.
De vergoeding van de slipcursus wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de gemiste vakantie wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van het ticket Thuishaven festival wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 53.715,89 aan de Staat moet betalen.
De vergoeding van de materiële schade (€ 32.715,89) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de volgende data tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald:
voor een bedrag van € 385,- vanaf 16 april 2025;
voor een bedrag van € 538,87 vanaf 12 april 2025;
voor een bedrag van € 117,96 vanaf 16 februari 2026;
voor een bedrag van € 2.128,- vanaf 5 mei 2025;
voor een bedrag van € 26.225,- vanaf 16 oktober 2026;
voor een bedrag van € 2.601,- vanaf 25 september 2025;
voor een bedrag van € 201,96 vanaf 23 juni 2025;
voor een bedrag van € 109,- vanaf 20 februari 2025;
voor een bedrag van € 373.- vanaf 24 april 2025;
voor een bedrag van € 29,50 vanaf 16 maart 2025.
De vergoeding van de immateriële schade (€ 21.000,00) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald,
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van [verdachte] ) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte en de toepassing van het jeugdstrafrecht in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
Schokschade
De benadeelde partij vordert vergoeding van schokschade. Schokschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door (i) het waarnemen van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) blijkt dat het bestaan van geestelijk letsel kan in het algemeen alleen worden aangenomen als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een diagnose is daarvoor niet vereist, maar het bestaan van geestelijk letsel moet wel kunnen worden vastgesteld op grond van een rapportage van een bevoegde en bekwame deskundige, zoals een psychiater, huisarts of psycholoog. Als sprake is van geestelijk letsel, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van geestelijk letsel in de voornoemde zin, omdat uit de vordering niet blijkt van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vordering is wat dat betreft onvoldoende onderbouwd en er is geen ruimte meer om dat nader te onderbouwen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft het verzoek tot vergoeding van schokschade niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit, namelijk feit 3. De rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal als uitgangspunt. In deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(b) Herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden’ een bedrag tussen de € 725,00 tot € 2.175,00 genoemd. De rechtbank is – anders dan de advocaat – van oordeel dat de gevorderde leeftijdsopslag en de opslag wegens opzet van toepassing zijn. Alles afwegend, stelt de rechtbank de omvang van de immateriële schade daarom naar billijkheid vast op € 2.500,-. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet -ontvankelijk, omdat dit onvoldoende onderbouwd is en in dit strafproces geen ruime meer is om dat nader te onderbouwen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 12 april 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 2.500,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2026 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van [verdachte] ) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Hoofdelijk aansprakelijk
Omdat [verdachte] het feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voor zover van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie voor de duur van 20 (twintig) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- legt aan [verdachte] op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (16/112907-25 feit 1)
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 59.786,92;
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
telkens tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 59.786,92 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente
telkens tot de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (16/112907-25 feit 2)
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 53.715,89;
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
- voor een bedrag van € 29,50 vanaf 20 april 2025.
telkens tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft de gevorderde toekomstige medische kosten niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde ten aanzien van de reiskosten af;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 53.715,89 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente
- voor een bedrag van € 29,50 vanaf 20 april 2025.
telkens tot de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (16/112907-25 feit 3)
- wijst de vordering van [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.500,-;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [slachtoffer 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededaders op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mrs. J.A. Koorevaar en B.A. Nijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker, als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.
Mrs. N.P.J. Janssens, B.A. Nijs en C.D. Brenker zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/112907-25
feit 1
hij op of omstreeks 12 april 2025 te Hilversum ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2]
opzettelijk
van het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal met een mes in de borstkas en/of de buik
en/of de rug, althans het bovenlichaam, en/of de arm(en) van die [slachtoffer 2]
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
feit 2
hij op of omstreeks 12 april 2025 te Hilversum ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1]
opzettelijk
van het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal met een mes in de rug en/of de borst,
althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
feit 3
hij op of omstreeks 12 april 2025 te Hilversum openlijk, te weten op de
Groest/Spuisteeg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een
voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] ,
door
-meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 3] te duwen en/of
slaan/stompen en/of schoppen en/of
-meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] te duwen en/of
slaan/stompen en/of schoppen en/of
-meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2] te slaan/stompen en/of
schoppen en/of
-meermalen, althans eenmaal (terwijl die [slachtoffer 3] op de grond ligt)
tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3] te schoppen en/of
slaan en/of
- meermalen, althans eenmaal met een mes in het bovenlichaam en/of
de arm(en) van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te steken,
terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans
enig lichamelijk letsel, te weten
- meerdere steekwonden in de borstkast en/of de buik en/of rug en/of
de arm(en), althans in het bovenlichaam, en/of (een) klaplong(en) (met
bloed in één long) en/of scheur(en)/steekverwondingen van het
middenrif en/of een beuk van een rib van die [slachtoffer 2] en/of
- meerdere steekwonden in de borstkast en/of de rug, althans in het
bovenlichaam, en/of een hematothorax (bloed in de borstholte) van die
[slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 16/283187-25
hij in of omstreeks de periode van 9 april 2025 tot en met 12 april 2025
te Hilversum, in elk geval in Nederland,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een gaspistool, van het merk Colt, kaliber 9mm, zijnde een
vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
en/of acht scherpe gaspatronen, in elk geval munitie van categorie III,
voorhanden heeft gehad.