2 [mentor] van [bedrijf] B.V., in hoedanigheid van mentor van
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummers / rekestnummers: 11973452 \ UE VERZ 25-350 en
11977830 \ UE VERZ 25-354
Beschikking van 19 februari 2026
in de zaken van
1. [bewindvoerder] , handelend onder de naam [handelsnaam] , in hoedanigheid van bewindvoerder van [onderbewindgestelde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: de bewindvoerder,
en
[onderbewindgestelde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: de mentor,
verzoekende partijen, hierna gezamenlijk te noemen: [verzoekers] ,
verwerende partijen in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen,
tegen
de besloten vennootschap
[verweerder] B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L.A. de Haan.
1. De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [verzoekers] om vernietiging van het hem door [verweerder] gegeven ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag (rechts)geldig is. Het verzoek van [verzoekers] om achterstallig loon te betalen wordt gedeeltelijk toegewezen. Het tegenverzoek van [verweerder] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoekers] (zaaknummer 11973452 \ UE VERZ 25-350)
- het verzoekschrift van [verweerder] (zaaknummer 11977830 \ UE VERZ 25-354)
- de e-mail van de gemachtigde van [verzoekers] van 20 januari 2026 met een bijlage
- de pleitnota van de gemachtigde van [verweerder]
- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De verzoekschriften zijn gezamenlijk behandeld tijdens een hybride zitting op
22 januari 2026. [verzoekers] en zijn gemachtigde, mr. E.D. van Tellingen, hebben op eigen verzoek aan de zitting deelgenomen via een beeld- en geluidsverbinding. Namens [verweerder] was in de zittingszaal aanwezig [A] , HR-manager, bijgestaan door
mr. L.A. de Haan, de gemachtigde. Aan het einde van de zitting is de beschikking in beide zaken bepaald op vandaag.
3. De achtergrond van de zaak
[verzoekers] , 25 jaar oud, is per 15 februari 2025 in dienst getreden bij [verweerder] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van een jaar. De functie van [verzoekers] is [functie] met een loon van € 2.036,35 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, bij een arbeidsomvang van 32 uur per week. [verzoekers] woonde bij aanvang van het dienstverband in [plaats] .
[verweerder] is een onderneming die zich bezighoudt met dienstverlening op het gebied van verkeersdiensten, zoals het uitlenen van [functie] .
Op maandag 28 juli 2025 heeft [verzoekers] zich via whatsapp bij [verweerder] ziekgemeld voor zijn dienst op 29 juli 2025. Daarbij heeft hij geschreven dat hij op woensdag weer wil proberen te werken.
Op 29 juli 2025 heeft [verweerder] aan [verzoekers] via whatsapp gevraagd of hij inderdaad op woensdag 30 juli 2025, de dag waarop hij stond ingepland, weer inzetbaar zou zijn. [verzoekers] heeft daarop gereageerd dat hij nog een dagje wilde uitzieken, maar dat hij op
1 augustus 2025, de dag waarop hij ook was ingepland, klaar was om te werken. Op
31 juli 2025 heeft [verweerder] aan [verzoekers] nog een keer gevraagd of hij inzetbaar was, nu voor zijn dienst op 1 augustus 2025. [verzoekers] heeft daarop aangegeven dat hij zich niet optimaal voelde, maar dat hij klaar was om te werken op 1 augustus 2025. Hij heeft voor die dag ook de dienstbon bevestigd.
[verzoekers] is op 1 augustus 2025 niet op het werk verschenen. [verweerder] heeft die dag geprobeerd met [verzoekers] contact op te nemen, maar zij kreeg geen gehoor.
Op 5 augustus 2025 heeft [verweerder] een bericht gekregen van een vriend van [verzoekers] dat [verzoekers] en hij uit waren gegaan in België, dat [verzoekers] ruzie had gekregen en dat [verzoekers] (in ieder geval vanaf [datum] 2025) vastzat op een politiebureau in België. Hij werd verdacht van mishandeling omdat hij iemand met een steen op het hoofd zou hebben geslagen.
Op [datum] 2025 is [verzoekers] weer vrijgekomen en heeft hij met [verweerder] gebeld. Daarbij is afgesproken dat [verzoekers] op 20 augustus 2025 zijn werk weer zou hervatten. Op 19 augustus 2025 heeft [verweerder] [verzoekers] de dienstbon voor 20 augustus 2025 gestuurd met het verzoek die te bevestigen. [verzoekers] heeft deze dienstbon niet bevestigd en heeft geen contact opgenomen met [verweerder] .
Op 27 augustus 2025 hebben [verzoekers] en de heer [A] , de HR-manager van [verweerder] , telefonisch afgesproken dat [verzoekers] op 29 augustus 2025 op station Woerden zou worden opgehaald door [A] om samen naar het kantoor van [verweerder] in [vestigingsplaats] te rijden. [verzoekers] is niet op die afspraak verschenen. [A] heeft daarna met [verzoekers] nieuwe afspraken gemaakt, waarop hij ook niet is verschenen.
Toen bleek dat [verzoekers] ook op de afspraak voor 3 september 2025 niet zou komen, heeft [A] via whatsapp met [verzoekers] een nieuwe afspraak gemaakt voor 5 september 2025, met de aankondiging dat dit zijn laatste kans is en dat anders zijn loon wordt opgeschort. Ook op deze afspraak is [verzoekers] zonder bericht niet verschenen. [A] heeft daarop per whatsapp-bericht van 5 september 2025 aan [verzoekers] meegedeeld dat zijn loon wordt opgeschort.
[verweerder] heeft [verzoekers] zowel op 10 september 2025 als op 17 september 2025 per aangetekende e-mail een officiële waarschuwing gestuurd voor het niet verschijnen op een afspraak op kantoor. [verweerder] heeft [verzoekers] in de beide e-mails opgeroepen om op het kantoor van [verweerder] te verschijnen. [verweerder] heeft in de e-mail van 10 september 2025 ook vermeld dat [verzoekers] sinds [datum] 2025 met onbetaald verlof was ‘vanwege problemen in zijn privé situatie’, en dat dit aan hem telefonisch en via whatsapp was kenbaar gemaakt. In de e-mail van 17 september 2025 is vermeld dat hij een allerlaatste kans kreeg om op kantoor te verschijnen op 19 september 2025 en dat als hij niet zou verschijnen dit zou leiden tot ontslag (op staande voet).
Op 19 september 2025 heeft [verweerder] [verzoekers] per aangetekende e-mail meegedeeld dat hij op staande voet is ontslagen. Als dringende reden noemt [verweerder] dat [verzoekers] die dag weer niet is verschenen, ondanks haar verzoek van 17 september 2025 om op kantoor te verschijnen om te praten over hoe nu verder met het werken bij [verweerder] , in relatie tot de persoonlijke zaken van [verzoekers] in zijn privéleven.
Op 20 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [verzoekers] aan [verweerder] meegedeeld dat [verzoekers] niet akkoord is met het ontslag op staande voet. Namens [verzoekers] is daarbij onder meer gesteld dat hij vanaf 3 juni 2025 ziek is, en dat dat de reden is waarom hij niet op kantoor is verschenen.
[verweerder] heeft [verzoekers] vanaf 1 augustus 2025 alleen loon betaald voor de periode van 20 augustus 2025 tot 5 september 2025.
Het verzoek van [verzoekers]
verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen om hem toe te laten tot de werkvloer, tot betaling van het achterstallig salaris vanaf 1 augustus 2025 en tot doorbetaling van het verschuldigde salaris tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en tot het verstrekken van de salarisspecificaties vanaf 1 augustus 2025. Tijdens de zitting heeft [verzoekers] zijn verzoek verminderd met het salaris over de periode van 20 augustus 2025 tot 5 september 2025 omdat [verweerder] dit al heeft betaald.
Het tegenverzoek van [verweerder]
verzoekt de kantonrechter [verzoekers] te veroordelen tot betaling van € 3.079,85 als gefixeerde schadevergoeding. Tijdens de zitting heeft [verweerder] schriftelijk verzocht [verzoekers] ook te bevelen om de aan hem ter beschikking gestelde bedrijfseigendommen in goede staat bij haar in te leveren op straffe van het verbeuren van een dwangsom als [verzoekers] dit niet doet.
De standpunten van partijen
Volgens [verzoekers] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig omdat een dringende reden ontbreekt. [verzoekers] betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofd werkverzuim of werkweigering. [verzoekers] heeft zich op 28 juli 2025 ziek gemeld bij [verweerder] en is vanaf die datum arbeidsongeschikt. [verzoekers] is op 1 augustus 2025 niet komen werken omdat hij nog te ziek was. [verweerder] had uit zijn whatsapp-bericht van
31 juli 2025, waarin hij had gemeld dat hij nog steeds bloed spuugt, moeten begrijpen dat hij op 1 augustus 2025 nog steeds ziek was. [verweerder] had daarom als zorgvuldig handelend werkgever een bedrijfsarts moeten inschakelen. [verweerder] heeft het loon niet rechtsgeldig opgeschort over de periode dat onduidelijkheid bestond over de arbeidsongeschiktheid.
[verweerder] stelt dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet omdat [verzoekers] heeft geweigerd te voldoen aan een redelijke opdracht en hij zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen op grond van de arbeidsovereenkomst. [verzoekers] is in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 19 september 2025 op meerdere dagen zonder geldige reden niet op het werk te verschenen. [verweerder] betwist dat [verzoekers] vanaf 1 augustus 2025 door ziekte niet in staat was op zijn werk en op afspraken te verschijnen. [verzoekers] heeft tot drie keer toe gemeld dat hij weer zou werken vanaf 1 augustus 2025, zodat zij daarop mocht vertrouwen en er geen enkele aanleiding was de bedrijfsarts in te schakelen. Uit de gedragingen van [verzoekers] blijkt dat hij wel degelijk in staat was om op het werk en op het kantoor van [verweerder] te verschijnen. In de contacten met [verweerder] na 1 augustus 2025 spreekt [verzoekers] niet over ziekte of arbeidsongeschiktheid. Ook als [verzoekers] vanaf 1 augustus 2025 wel ziek was, heeft [verzoekers] volgens [verweerder] zijn plichten grovelijk veronachtzaamd door afspraken vanaf die datum niet meer na te komen en na 5 september 2025 niet meer op haar berichten te reageren.
4. De beoordeling
in het verzoek van [verzoekers]
het ontslag op staande voet is rechtsgeldig
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Een ontslag op staande voet moet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor het ontslag. Als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.
Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.
[verweerder] heeft voldoende onderbouwd dat zij in de periode van 1 augustus 2025 tot
19 september 2025 vele pogingen heeft gedaan om met [verzoekers] in gesprek te gaan. Dit blijkt uit de door [verweerder] overgelegde whatsapp-berichten met [verzoekers] en de emails aan [verzoekers] . Daarnaast heeft [verweerder] in deze periode meerdere keren telefonisch met [verzoekers] gesproken om een nieuwe afspraak te maken. Uit de whatsapp-berichten blijkt verder dat de HR-manager van [verweerder] bereid was om [verzoekers] op het station Woerden op te halen zodat hij kon meerijden naar het kantoor van [verweerder] en voor het gesprek op 5 september 2025 zijn treinkaartje te kopen. Uit de whatsapp-berichten blijkt dat [verzoekers] telkens andere redenen had om niet op een afspraak te komen. Voor zover [verzoekers] stelt dat hij op deze afspraken niet kon verschijnen omdat hij vanaf 1 augustus 2025 doorlopend ziek was, blijkt dit niet uit de redenen die hij bij [verweerder] heeft genoemd waarom hij niet op een afspraak kan komen. Integendeel, zoals [verweerder] op de zitting heeft toegelicht, had [verzoekers] voor het niet verschijnen op het werk en op het kantoor van [verweerder] , steeds verschillende redenen maar niet dat hij ziek was: vanaf 1 augustus 2025 was [verzoekers] in België en raakte hij daar gedetineerd. Voor de afspraken op 20 augustus 2025, 2 september 2025 en 5 september 2025 gaf [verzoekers] geen reden voor zijn afwezigheid. Voor de afspraak op 29 augustus 2025 gaf [verzoekers] aan ‘dat hij het niet meer kon redden’. Voor de afspraken daarna werd als reden gegeven ‘moest nog mega veel regelen’ (1 september), ‘verdwaald en stoned’ (3 september) en ‘verhuizing’ (4 september).
Op geen enkel moment heeft [verzoekers] vanaf 1 augustus 2025 in de contacten met [verweerder] gemeld dat hij (nog steeds) ziek was. Daarbij komt dat [verzoekers] rond of vlak na 1 augustus 2025 kennelijk wel in staat was om naar België te gaan, waar hij iemand met een steen op het hoofd zou hebben geslagen. De stelling van [verzoekers] dat hij niet op afspraken van [verweerder] kon komen omdat hij arbeidsongeschikt was, volgt de kantonrechter daarom niet. [verweerder] heeft, toen [verzoekers] op 3 september 2025 weer niet op een afspraak was verschenen en niet reageerde, in een whatsapp-bericht meegedeeld dat zij het loon gaat opschorten en dat [verzoekers] tot vrijdag [5 september, rb] de tijd had om langs te komen. Na deze mededeling is [verzoekers] niet verschenen, waarna [verweerder] de loonbetaling heeft opgeschort. Vervolgens heeft [verweerder] [verzoekers] in drie aangetekende emails (van 10, 17 en 19 september 2025) opgeroepen om op kantoor te verschijnen. [verzoekers] is niet op deze afspraken verschenen. [verweerder] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij in haar emailsysteem kon zien dat [verzoekers] de aangetekende emails heeft ontvangen en heeft geopend. [verzoekers] heeft tijdens de zitting eerst gezegd dat hij de emails met de oproepen niet kon openen, maar uiteindelijk heeft hij wel bevestigd dat hij in ieder geval één aangetekende email heeft kunnen openen. [verzoekers] heeft erkend dat hij na ontvangst van deze email(s) geen contact heeft opgenomen met [verweerder] . De kantonrechter is van oordeel dat de herhaalde verzoeken en de oproepen om bij haar op kantoor in gesprek te gaan redelijk zijn. [verzoekers] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 19 september 2025 een goede reden had om daaraan geen gehoor te geven, terwijl ook de loonopschorting kennelijk geen effect had. Door weer niet te verschijnen op de afspraak voor 19 september 2025 heeft [verzoekers] daarom voor [verweerder] een dringende reden laten ontstaan.
[verzoekers] heeft zijn stelling dat hij op 19 september 2025 nog ziek was, op geen enkele manier onderbouwd. [verzoekers] heeft geen verklaring overgelegd van een behandelaar, bijvoorbeeld een huisarts, noch van zijn bewindvoerder, om aan te nemen dat hij een medische reden had om niet op de herhaalde oproepen van [verweerder] te verschijnen. Voor [verweerder] was er – anders dan [verzoekers] stelt – daarom geen reden om de bedrijfsarts in te schakelen. Uit de verschillende redenen die [verzoekers] in de periode vanaf 1 augustus 2025 tot 5 september 2025 aan [verweerder] heeft opgegeven om niet op het werk te kunnen verschijnen, blijkt op geen enkel moment dat hij zichzelf ziek vond of dat hij als gevolg van ziekte niet op het werk kon komen. Voor zover al zou kunnen worden geconcludeerd dat [verzoekers] zich per 1 augustus 2025 niet had beter gemeld, nadat hij [verweerder] twee keer had gemeld die dag weer te komen werken, is voldoende komen vast te staan dat hij na de loonopschorting op
5 september 2025 voor [verweerder] onbereikbaar was. [verweerder] mocht het niet verschijnen van [verzoekers] na deze loonopschorting, op de oproepen voor 10 september, 17 september en
19 september 2025, daarom opvatten als een dringende reden voor ontslag op staande voet. Dat is ook het geval indien achteraf zou komen vast te staan dat [verzoekers] toen ziek was, zoals blijkt uit de door [verweerder] genoemde rechtspraak.
Het verzoek van [verzoekers] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst op 19 september 2025 rechtsgeldig is geëindigd. Het verzoek om doorbetaling van loon vanaf deze datum en het verzoek om weer tot het werk te worden toegelaten, zullen daarom worden afgewezen.
De loonvordering vanaf 1 augustus 2025, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de eindafrekening
[verzoekers] heeft ook verzocht om het achterstallig salaris vanaf 1 augustus 2025 tot
20 augustus 2025 te betalen. De kantonrechter zal dit verzoek van [verzoekers] toewijzen. [verweerder] stelt in haar verzoekschrift dat zij aan het niet-verschijnen op 1 augustus 2025 niet gelijk gevolgen heeft verbonden en dat zij met [verzoekers] telefonisch heeft afgesproken dat de periode vanaf 1 augustus 2025 tot en met 19 augustus 2025 als onbetaald verlof zou gelden. [verzoekers] heeft tijdens de zitting betwist dat hij heeft afgesproken om onbetaald verlof op te nemen. [verweerder] heeft tijdens de zitting voor de afspraak over het onbetaalde verlof verwezen naar de bevestiging daarvan in haar brief aan [verzoekers] van 10 september 2025. Die brief is echter pas van een maand later en er staat in dat [verzoekers] sinds 4 (en dus niet 1) augustus 2025 met onbetaald verlof is. De kantonrechter is van oordeel dat deze late bevestiging, die door [verzoekers] is weersproken, onvoldoende is om aan te nemen dat er tussen [verzoekers] en [verweerder] een heldere afspraak gold over een periode van onbetaald verlof. Dat geldt eens te meer nu [verzoekers] onder bewind staat en een mentor heeft, waardoor het niet aannemelijk is dat hij, als hij deze afspraak heeft gemaakt, zich heeft gerealiseerd wat daarvan de gevolgen zouden zijn. Al met al zal de kantonrechter het verzoek tot betaling van het achterstallig loon voor de periode van 1 augustus 2025 tot en met 19 augustus 2025 toewijzen.
De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [verweerder] het loon te laat heeft betaald. Omdat [verzoekers] na 1 augustus 2025 niet beschikbaar was omdat hij vastzat en omdat hij pas bij brief van zijn gemachtigde van 20 oktober 2025 heeft verzocht het loon door te betalen, zal de wettelijke verhoging worden gematigd tot 10%. De wettelijke rente over het achterstallige loon gaat in vanaf de dag van opeisbaarheid. De verzochte wettelijke rente over de wettelijke verhoging, die niet is weersproken, zal ook worden toegewezen.
Ook de vordering tot veroordeling van [verweerder] om aan [verzoekers] salarisspecificaties vanaf 1 augustus 2025 te verschaffen, wordt voor de periode tot 5 september 2025 toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat er geen aanwijzing is dat [verweerder] niet aan deze veroordeling zal voldoen.
proceskosten
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.
in het verzoek van [verweerder]
de gefixeerde schadevergoeding
Artikel 7:677 lid 2 BW bepaalt dat een partij die door opzet of schuld aan de andere partij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, schadeplichtig is indien de andere partij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Uit wat de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld, volgt dat [verzoekers] schuld heeft aan het ontslag op staande voet, zodat hij de gefixeerde schadevergoeding aan [verweerder] verschuldigd is. [verzoekers] heeft de hoogte van het verzochte bedrag van € 3.079,85 niet betwist. Omdat deze vergoeding wordt gebaseerd op het brutoloon over de opzegtermijn betreft het een brutobedrag. De verzochte vergoeding is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van datum indiening verzoekschrift, 18 november 2025.
inleveren bedrijfseigendommen
[verweerder] heeft tijdens de zitting verzocht [verzoekers] ook te veroordelen tot het inleveren van de bedrijfseigendommen die [verzoekers] nog niet heeft ingeleverd. [verzoekers] heeft erkend dat hij nog spullen van [verweerder] heeft die hij moet inleveren en heeft zich niet verzet tegen het verzoek. Wel heeft [verzoekers] hierover tijdens de zitting opgemerkt dat [verweerder] deze spullen bij hem in Goes kan komen ophalen. [verweerder] heeft erop gewezen dat [verzoekers] op grond van artikel 9.2 van de arbeidsovereenkomst alle bedrijfseigendommen binnen veertien dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij haar moet inleveren. Tijdens de zitting hebben partijen toegezegd de kantonrechter te zullen informeren als zij het inleveren van de spullen onderling hebben kunnen regelen. Nu de kantonrechter hierover van partijen geen bericht meer heeft ontvangen, zal de kantonrechter, gelet op het bepaalde in de arbeidsovereenkomst, de vordering van [verweerder] toewijzen. Dit betekent dat [verzoekers] de spullen die hij nog van [verweerder] heeft binnen vijf dagen na deze beschikking in goede staat moet inleveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De gevorderde dwangsom wordt gematigd tot € 50,00 per dag dat [verzoekers] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 1.000,00.
proceskosten
De proceskosten voor het tegenverzoek komen voor rekening van [verzoekers] , omdat hij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.523,00 (€ 514,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
in het verzoek van [verzoekers]
wijst het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet af,
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekers] van het achterstallige loon over de periode van 1 augustus 2025 tot en met 19 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% ex artikel 7:625 BW, en te vermeerderen met de wettelijke rente over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] tot het verstrekken van salarisspecificaties over de periode van
1 augustus 2025 tot 5 september 2025 aan [verzoekers] binnen veertien dagen na deze beschikking,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
wijst het meer of anders verzochte af,
in het verzoek van [verweerder]
veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de gefixeerde vergoeding van € 3.079,85 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verzoekers] om de door [verweerder] aan hem ter beschikking gestelde bedrijfseigendommen binnen vijf dagen na deze beschikking in goede staat bij [verweerder] in te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [verzoekers] daaraan niet voldoet, tot een maximum van € 1.000,00,
veroordeelt [verzoekers] in de proceskosten van € 1.523,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
40160