RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2026 in de zaak tussen
LageLanden Zorg B.V., uit Huizen, verzoekster
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/756
(gemachtigde: mr. C.J. Koenen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. P. Gomez).
1. Aan verzoekster is een last onder dwangsom opgelegd, omdat zij de vijf appartementen van het pand aan de [adres] in Bussum gebruikt in strijd met het omgevingsplan en de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening Gooi- en Vechtstreek 2024. Volgens het college is sprake van illegale kamerverhuur en woningonttrekking aan de woningmarkt.
Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en zij weegt de belangen van partijen. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze afweging maakt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster huurt de bovenverdiepingen van de panden aan de [adres] in Bussum voor ambulante woonbegeleiding. Het gaat om vijf appartementen. Verzoekster biedt in deze appartementen onderdak aan jongeren tussen de 15 en 23 jaar, omdat zij niet meer thuis kunnen wonen. Bij de jongeren is onder andere sprake van loverboyproblematiek.
Op 7 augustus 2024 heeft het college verzoekster een voornemen last onder dwangsom gestuurd wegens strijdig gebruik van de appartementen. Het college heeft verzoekster tot 1 oktober 2024 de tijd gegeven om het strijdig gebruik te beëindigen. Verzoekster heeft een zienswijze ingediend tegen het voornemen.
Met het besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit I) heeft het college aan verzoekster gelast het strijdige gebruik en de kamergewijze verhuur van alle appartementen uiterlijk 1 januari 2026 te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 15.000,- ineens in totaal. Voor elke volgende constatering wordt een dwangsom van € 1.500,- per appartement verbeurd met een maximum van € 15.000,-. Verzoekster is het niet eens met de aan haar opgelegde last onder dwangsom en heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij het college.
Verzoekster heeft recent op 3 december 2025 en op 16 januari 2026 aanvragen ingediend voor respectievelijk woningonttrekking en een omgevingsvergunning deels voor het verbouwen en deels voor het gebruik in afwijking van het omgevingsplan. Op deze aanvragen heeft het college nog niet beslist.
Het college heeft met het besluit van 15 december 2025 (het bestreden besluit II) de begunstigingstermijn verlengd tot uiterlijk 1 maart 2026.
Verzoekster heeft vervolgens de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, omdat de begunstigingstermijn om aan de last onder dwangsom te voldoen op 28 februari 2026 afloopt.
Het college heeft daarop de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift en aanvullend een constateringsrapport ingediend. Verzoekster heeft op dit constateringsrapport gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 17 februari op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] , manager zorg bij verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
Verzoekster voert aan dat het spoedeisend belang erin is gelegen dat het verplaatsen van de kwetsbare jongeren gigantisch psychisch belastend is voor hen en dat de stappen die zij hebben gemaakt, bij een spoedverplaatsing volledig teniet worden gedaan. Het college heeft het spoedeisend belang niet weersproken. De voorzieningenrechter gaat gelet daarop ervan uit dat het spoedeisend belang is gegeven.
Toets bij een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar
4. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel over de vraag of de last onder dwangsom rechtmatig is of niet. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel aanleiding als de last onder dwangsom zodanig gebrekkig is dat die in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de belangen van verzoeker om de last onder dwangsom te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college om de last onder dwangsom in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker.
De rechtmatigheid van het besluit
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van de percelen aan de [adres] in Bussum geldt het omgevingsplan gemeente Gooise Meren (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
Op de betreffende percelen was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Centrum” (het bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Gooise Meren.
Is er sprake van een overtreding?
Volgens het college is sprake van gebruik in strijd met het bestemmingsplan, de Huisvestingswet en met de Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek 2024 (HVV 2024). De activiteiten van verzoekster zijn namelijk aan te merken als maatschappelijke voorziening. Maatschappelijke voorzieningen zijn op grond van artikel 6.1, onder h, van de planregels enkel toegestaan op de begane grond. De vijf appartementen bevinden zich niet op de begane grond. Verder is volgens het college sprake van onttrekking aan de woonbestemming in de zin van artikel 21, aanhef en onder c Huisvestingswet en artikel 6.1.2 van de HVV 2024. Uit de huurovereenkomsten blijkt dat sprake is van kamerverhuur, er is geen sprake van binding tussen bewoners en er is sprake van onzelfstandige woonruimtes. Dit is zonder vergunning niet toegestaan. Verder zijn de woningen niet vrij beschikbaar voor mensen die geen relatie hebben met verzoekster. De nadruk ligt op zorg en niet op wonen.
Verzoekster stelt (zo begrijpt de voorzieningenrechter primair) dat het gebruik onder wonen valt zodat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Omdat het begrip ‘wonen’ niet is gedefinieerd in het bestemmingsplan, moet volgens verzoekster aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2024. Hieruit volgt dat naast zelfstandige bewoning door een gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met een woonbestemming verdragen, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. Daar is in dit geval sprake van. Verzoekster heeft verder onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2019 aangevoerd dat geen sprake is van het onttrekken aan de woonbestemming.
De appartementen aan de [adres]
Verzoekster heeft aangevoerd dat de appartementen aan de [adres] zelfstandig worden bewoond. Er is geen sprake van kamerbewoning, zodat volgens verzoekster geen sprake is van een overtreding. Het college heeft op de zitting toegelicht dat gelet op de eerdere aanvragen van verzoekster om een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik, ervan uit wordt gegaan dat ook bij deze appartementen de nadruk ligt op zorg.
De voorzieningenrechter stelt vast dat niet betwist is dat deze appartementen zelfstandig worden bewoond. Onduidelijk is op welke voorwaarden deze appartementen worden verhuurd. De huurovereenkomsten van deze appartementen ontbreken en het college heeft niet onderzocht in hoeverre de bewoners van deze appartementen zijn aangewezen op de begeleiding van verzoekster. Op de zitting heeft verzoekster verklaard dat deze bewoners meer zelfstandigheid kunnen dragen dan de kamerbewoners in de andere appartementen en dat de bedoeling is dat zij op termijn doorstromen naar een andere woonplek. Het is aan het college om te bepalen in hoeverre deze situatie vergelijkbaar is met ieder ander die een zelfstandige woonruimte bewoont, bijvoorbeeld omdat de bewoner zelf kan bepalen hoe lang hij/zij daar wil blijven wonen. Ook speelt daarbij een rol in hoeverre deze bewoners gebruik (moeten) maken van de woonbegeleiding van verzoekster. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het college dit verder duidelijk moeten maken in de te nemen beslissing op bezwaar.
De overige appartementen
Ten aanzien van de overige drie appartementen kan de voorzieningenrechter het college volgen dat het gebruik niet valt onder ‘wonen’ zoals gedefinieerd in de planregels. In artikel 1, onder 1.61 van de planregels staat dat een woning is: “een complex van ruimten geschikt voor de huisvesting van één huishouden”. In 1.43 van artikel 1 van de planregels wordt onder huishouden verstaan: “een groep mensen waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling en onderlinge verbondenheid”. In de toelichting in het bezwaarschrift spreekt verzoekster over jongeren, die zelfstandig uit bed komen, zichzelf aankleden en zelf hun eten klaarmaken. De begeleider is er om toezicht te houden, ook in de nacht. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter komt hieruit een beeld naar voren van bewoners die niet onderling zijn verbonden. Ook lijkt geen sprake van continuïteit in de samenstelling. Immers als een jongere meer zelfstandig wordt, kan deze doorstromen naar een zelfstandig appartement, zo is op de zitting uitgelegd door verzoekster. Gelet op de (verplichte) begeleiding aan de jongeren, de mate van zorg dan wel begeleiding en het feit dat geen sprake is van continuïteit in de samenstelling of onderlinge verbondenheid, wordt niet voldaan aan de definitiebepalingen voor ‘woning’ en ‘huishouden’. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook ten aanzien van de overige drie appartementen sprake van een overtreding van de planvoorschriften, de Huisvestingswet en de HVV 2024.
Is er een reden om af te zien van handhaving?
Verzoekster heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend ten aanzien van het strijdig gebruik en een omgevingsvergunning voor bouwen en verzocht om toestemming voor woningonttrekking. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt aldus dat zij subsidiair stelt dat, indien sprake is van een overtreding, zij verzoekt om de overtredingen te legaliseren. De meest recente aanvragen, van 3 december 2025 en 16 januari 2026, zijn in behandeling genomen door het college. Op de zitting heeft het college erop gewezen dat er nog verklaringen ontbreken. Verzoekster heeft hierop geantwoord dat de ontbrekende verklaringen diezelfde week worden toegestuurd. Verzoekster heeft eerder op 7 mei 2025 en op 13 oktober 2025 aanvragen om een omgevingsvergunning ingediend. Deze aanvragen zijn buiten behandeling gesteld door het college, omdat deze niet voldeden aan de indieningsvereisten.
Op 2 april 2026 staat een hoorzitting gepland, waarbij het bezwaar tegen de last onder dwangsom zal worden behandeld. De gemachtigde van het college hoopt dat ook op dat moment inzichtelijk zal zijn hoe kansrijk de aanvragen voor legalisatie van de huidige situatie zijn. Naar verwachting zal er in mei van dit jaar een beslissing op het bezwaar tegen de last onder dwangsom wordt genomen. Het college heeft verder toegelicht dat de verwachting is dat ook in mei van dit jaar op de aanvragen om een omgevingsvergunning en woningonttrekking zal worden beslist.
Gelet op deze stand van zaken kan de voorzieningenrechter nog niet zeggen of het primaire besluit, de last onder dwangsom, in stand kan blijven. Het is namelijk onduidelijk of het strijdige gebruik gelegaliseerd kan worden. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat het college in beginsel niet onwelwillend staat tegenover huisvesting van kwetsbare jongeren in zijn gemeente. Dit betekent dat bij deze stand van zaken onduidelijk is of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Het wegen van de belangen door de voorzieningenrechter
Verzoekster voert aan dat zij belang heeft bij opschorting van de begunstigingstermijn tot drie maanden na de beslissing op het bezwaar. Het gaat om getraumatiseerde jongeren die door hun (pleeg)ouders het huis uit zijn gezet, die zijn verwaarloosd, verstoten of mishandeld, en die in de appartementen aan de Kerkstraat rust hebben gevonden. Het verplaatsen van de jongeren betekent dat er een nodeloos, abrupt einde komt aan het natuurlijke verloop van begeleiding en uitstroom van de jongeren. Dit brengt een gigantische psychische belasting met zich voor de jongeren en de stappen die zij hebben gemaakt worden volledig tenietgedaan. Daarbij komt dat op korte termijn ook geen geschikte alternatieve locatie in de buurt beschikbaar is om de jongeren te huisvesten.
Het college heeft toegelicht dat zijn belang is gelegen in het eindigen van het strijdige gebruik van de appartementen. Daarbij wijst het college erop dat de zelfstandige woningen nu niet langer voor iedereen beschikbaar zijn, terwijl er grote woningnood is. Omdat verzoekster de afgelopen periode voldoende kans heeft gekregen om een omgevingsvergunning aan te vragen, is het college niet (langer) bereid de begunstigingstermijn verder te verlengen. Het college ziet de last onder dwangsom als een stok achter de deur.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoekster bij tijdelijk behoud van de huidige situatie in dit geval zwaarder weegt dan het belang van het college bij een onmiddellijke ontruiming van de appartementen. Hoewel de voorzieningenrechter goed begrijpt dat de woningnood ook in Bussum hoog is, is zij van oordeel dat de impact van onmiddellijke ontruiming van deze kwetsbare jongeren die er nu wonen groot is. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in overweging dat er een mogelijkheid bestaat dat de situatie gelegaliseerd kan worden. Daarom zal zij het verzoek toewijzen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar. Het toewijzen van de voorlopige voorziening betekent niet dat het college definitief niet kan handhaven. Het college kan vasthouden aan het handhavingsbesluit als blijkt dat legalisatie van de huidige situatie niet wordt toegestaan. Indien verzoekster na de beslissing op het bezwaar meent dat er een spoedmaatregel noodzakelijk is, kan zij een nieuw verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank indienen.
Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden last onder dwangsom is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst, dient het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 397,- te vergoeden.
De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 397,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: