ECLI:NL:RBMNE:2026:7229

ECLI:NL:RBMNE:2026:7229

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 20-10-2026
Zaaknummer UTR 26/6846
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Verzoek om voorlopige voorziening. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft een inspectie gedaan bij het bedrijf van verzoekster. Tijdens deze inspectie heeft de arbeidsinspectie geconstateerd dat twee vreemdelingen werkzaam waren zonder dat zij een vergunning hadden waarmee zij mogen werken. De minister heeft daarom een boete opgelegd aan verzoekster voor overtreding van de Wav. Ook publiceert de minister de inspectiegegevens op de website van de arbeidsinspectie. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Deze uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening gaat over de vraag of de minister moet wachten met het publiceren van de inspectiegegevens totdat op het bezwaar van verzoekster is beslist. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De minister hoeft dus niet te wachten met het publiceren van de inspectiegegevens.

Uitspraak

[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A.B. Kardes),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het openbaar maken van inspectiegegevens.

2. Arbeidsinspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie hebben op 2 juli 2024 een inspectie gedaan bij het bedrijf van verzoekster. Van het inspectiebezoek is op 21 november 2025 een boeterapport opgemaakt. Volgens het boeterapport is geconstateerd dat tijdens de inspectie bij verzoekster twee Syrische vreemdelingen werkzaam waren zonder dat zij in bezit waren van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden (GVVA).

3. De minister heeft op grond van het boeterapport bij besluit van 15 juli 2026 aan verzoekster een boete opgelegd van € 11.400,- voor twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en besloten de inspectiegegevens openbaar te maken op grond van artikel 19g, eerste lid, van de Wav. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorzieningen te treffen. Dit verzoek komt erop neer om het besluit, voor zover dit gaat over het openbaar maken van de inspectiegegevens, te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

4. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] namens verzoekster en mr. J. Nagtegaal als waarnemer voor de gemachtigde van verzoekster. De minister is, met bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter van de rechtbank kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij het nemen van een beslissing op een verzoek tot voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dit betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Spoedeisend belang

8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van een spoedeisend belang waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft. Als de minister de inspectiegegevens openbaar maakt dan lijdt verzoekster daardoor reputatieschade, commerciële schade en dreigt zij opdrachtgevers te verliezen, aldus verzoekster. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende reden om spoedeisend belang aan te nemen. De minister heeft dit ook niet betwist.

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

9. De voorzieningenrechter overweegt dat er aanleiding kan zijn om openbaarmaking van de inspectiegegevens te schorsen als de gerede kans bestaat dat onjuiste gegevens worden gepubliceerd. De voorzieningenrechter beoordeelt dit aan de hand van wat verzoekster in deze procedure heeft aangevoerd.

Is sprake van een overtreding van de Wav?

10. Verzoekster vindt dat de minister ten onrechte een boete heeft opgelegd. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de documenten die de twee vreemdelingen hadden. Vreemdeling 1 heeft verklaard dat hij beschikt over een Bulgaars paspoort. De minister maakt niet duidelijk welk nader onderzoek hiernaar is gedaan. Ook heeft de minister niet onderzocht of de twee vreemdelingen de status van EU-langdurig ingezetene hebben. Verder heeft de minister geen juiste belangenafweging gemaakt bij het besluit tot openbaarmaking van de inspectiegegevens en heeft de minister wel degelijk ruimte om te bepalen wanneer de inspectiegegevens openbaar worden gemaakt.

11. De minister heeft aan verzoekster een boete opgelegd voor twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav. De bewijslast voor de overtredingen ligt bij de minister.

12. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in het standpunt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de documenten van de vreemdelingen voordat hij de boete heeft opgelegd. In het boeterapport staat dat vreemdeling 1 op 2 juli 2024 een Bulgaars verblijfsdocument heeft getoond aan de arbeidsinspecteur. Vreemdeling 1 heeft toen tegenover de arbeidsinspecteur verklaard dat hij ook een Bulgaars paspoort heeft. Dat heeft hij toen echter niet getoond aan de arbeidsinspecteur. In het boeterapport staat ook dat een bedrijfsleider heeft verklaard dat na de controle van vreemdeling 1 een Bulgaars paspoort is ontvangen. De arbeidsinspecteur heeft hierover in het boeterapport opgemerkt dat ook uit dit document blijkt dat de nationaliteit van vreemdeling 1 Syrisch is. Dat vreemdeling 1 heeft verklaard dat hij een Bulgaars paspoort heeft is dus – anders dan verzoekster betoogt – wel betrokken in het boeterapport en het bestreden besluit. Verder blijkt uit het boeterapport dat de minister nader onderzoek heeft gedaan door navraag te doen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Ook uit deze navraag is gebleken dat de twee vreemdelingen niet beschikten over een tewerkstellingsvergunning of een GVVA. Deze informatie is ook opgenomen in het boeterapport. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister daarmee voldoende onderzoek heeft gedaan naar de documenten van de twee vreemdelingen en de vraag of zij beschikten over de juiste vergunningen om arbeid te mogen verrichten in Nederland. Dat op het Bulgaarse verblijfsdocument het woord ‘passport’ staat en dat volgens verzoekster (daardoor) onduidelijk is wat de precieze status is van het Bulgaarse verblijfsdocument van vreemdeling 1, betekent niet dat de minister geen of onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of daarmee arbeid mocht worden verricht. Dat de minister geen onderzoek zou hebben gedaan naar de vraag of de twee vreemdelingen de status van EU-langdurig ingezetene hebben, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft de twee vreemdelingen gevraagd naar hun documenten. Daaruit is niet naar voren gekomen dat zij de status van EU-langdurig ingezetene hebben. Verder zijn er geen aanknopingspunten naar voren gekomen waaruit dit zou blijken en dus was de minister niet gehouden om dit verder te onderzoeken. Daarbij komt dat de minister in het besluit ook heeft toegelicht dat de enkele mogelijkheid dat de vreemdelingen in een andere lidstaat de status van langdurig ingezetenen hebben, niet betekent dat zij zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland mochten werken.

13. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het bezwaar dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan niet slaagt en dat de minister de boete terecht heeft opgelegd.

Is sprake van verwijtbaarheid van de overtreding?

14. Voor zover verzoekster heeft aangevoerd dat de minister de boete had moeten matigen, omdat sprake is van normale verwijtbaarheid en niet van grove schuld, zal de voorzieningenrechter hierover geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven. Dit omdat bij de openbaarmaking van inspectiegegevens alleen wordt vermeld dat een overtreding is geconstateerd en dus niet de mate van verwijtbaarheid van die overtreding of de hoogte van het opgelegde boetebedrag. De minister moet in de beslissing op bezwaar weliswaar beoordelen of in dit geval sprake is geweest van normale verwijtbaarheid of grove schuld, maar dit is geen reden om het verzoek toe te wijzen omdat dit geen onderdeel is van de gegevens die de minister openbaar wil maken.

Had de minister een belangenafweging moeten maken?

15. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat, anders dan verzoekster betoogt, de minister geen ruimte heeft om een belangenafweging te maken bij het besluit tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. De wet verplicht de minister om de inspectiegegevens openbaar te maken. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in het standpunt dat in de wet ruimte bestaat voor de minister om te bepalen op welk moment de inspectiegegevens openbaar worden gemaakt. De minister moet de inspectiegegevens namelijk openbaar maken tien dagen nadat het besluit aan verzoekster bekend is gemaakt. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om inspectiegegevens openbaar te maken voordat het besluit onherroepelijk is. Als daarmee zou worden gewacht zou de transparantie van het openbaar maken minder effectief zijn en worden werkgevers in staat gesteld om openbaarmaking voor langere tijd uit te stellen. Bovendien dient de periode van tien werkdagen om werkgevers in de gelegenheid te stellen een zienswijze en/of een voorlopige voorziening in te dienen. Aan het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening is namelijk expliciet schorsende werking toegekend.

Conclusie voorlopig rechtmatigheidsoordeel

16. Gelet op het voorgaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet op voorhand gezegd kan worden dat het opleggen van een boete onrechtmatig is en dat er een gerede kans zou bestaan dat ten onrechte onjuiste gegevens openbaar worden gemaakt. Deze bezwaren hebben dus geen redelijke kans van slagen.

Belangenafweging van de voorzieningenrechter

17. De voorzieningenrechter moet bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook zelf nog de belangen afwegen. Als de bezwaren van verzoekster geen redelijke kans van slagen hebben, is er weinig ruimte om op grond van een belangenafweging alsnog het verzoek toe te wijzen. Verzoekster heeft gewezen op haar belang om reputatieschade, commerciële schade en het verliezen van opdrachtgevers te voorkomen. Gelet op het feit dat de voorzieningenrechter in deze uitspraak heeft geoordeeld dat de bezwaren van verzoekster geen redelijke kans van slagen hebben, ziet de voorzieningenrechter geen reden om het verzoek alsnog toe te wijzen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat een eventuele wijziging in de mate van verwijtbaarheid (en daarmee de hoogte van de boete) in bezwaar, geen gevolgen heeft voor de te publiceren gegevens omdat de hoogte van de boete niet wordt gepubliceerd. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat bij de openbaarmaking wordt vermeld of een rechtsmiddel (zoals bezwaar of beroep) is ingesteld. Tot slot weegt de voorzieningenrechter mee dat het verzoekster vrij staat om een reactie te plaatsen bij de publicatie van de gegevens, en daarmee de context te schetsen waarin een en ander zich heeft afgespeeld en zo eventuele reputatieschade te beperken.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden beluit niet wordt geschorst. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. B.J. van Rossum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand