RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-032219-21
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1990] te [geboorteplaats] (Syrië),
ingeschreven op het adres: [adres] , [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 29 september 2026. Het onderzoek is gesloten op 21 oktober 2026 en aansluitend is uitspraak gedaan.
Op de zitting van 29 september 2026 waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
in de periode van 1 september 2020 tot en met 31 december 2020 in Utrecht en/of De Bilt, samen met een ander, zich heeft schuldig gemaakt aan seksuele uitbuiting van [slachtoffer] ;
feit 2
in de periode van 1 september 2020 tot en met 1 januari 2021 te Utrecht en/of De Bilt,
een hoeveelheid geld (€ 6.420,-), heeft witgewassen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het voorbereidend onderzoek niet voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
Het openbaar ministerie heeft niet en/of niet tijdig en/of niet adequaat gereageerd op redelijke verzoeken van de verdediging waardoor het openbaar ministerie geen, althans onvoldoende, oog heeft gehad voor de belangen van de verdachte.
Er is gehandeld in strijd met de verbaliseringsplicht, aangeefster is sturend en onjuist beïnvloed en er is niets gedaan met aantoonbare onwaarheden in de verklaringen van aangeefster.
Bovendien is sprake van een onherstelbaar vormverzuim ten aanzien van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte: alle gegevens zijn veiliggesteld vóórdat aangifte van mensenhandel was gedaan, terwijl door de rechter-commissaris geen toestemming was gegeven en het onderzoek aan de telefoon onbeperkt was, zodat ten onrechte een min of meer volledig beeld van de persoon van de verdachte is verkregen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een eerlijk proces. Dat de uitgebreide verklaringen van aangeefster niet volledig in het proces-verbaal zijn uitgewerkt betekent niet dat de rechten van de verdediging bewust zijn geschonden. Door aangeefster is aanvankelijk aangegeven dat de verdachte € 3.000,- van haar bankrekening zou hebben afgeschreven, maar uit later uitgevoerd onderzoek blijkt dat dit genuanceerder ligt. De politie heeft echter tijdens het verhoor van aangeefster niet moedwillig een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Verder was het onderzoek aan de telefoon van de verdachte rechtmatig. Hoewel de rechter-commissaris niet vooraf om toestemming is gevraagd kan worden volstaan met de constatering van een vormverzuim omdat het onderzoek in de telefoon was gericht op het prostitutiewerk van [slachtoffer] .
Tenslotte is van belang dat de verdediging tijdens het voorbereidend onderzoek - uiteindelijk - al zijn rechten heeft kunnen uitoefenen, hoewel de communicatie van de zijde van het openbaar ministerie en de voortvarendheid te wensen hebben overgelaten.
Oordeel van de rechtbank
Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats, namelijk indien opsporingsambtenaren of het openbaar ministerie een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Een vormverzuim kan leiden tot nietontvankelijkverklaring als het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat, in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, “the proceedings as a whole were not fair”. In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, is er in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat de advocaat in het voorbereidend onderzoek het openbaar ministerie meermalen verzocht heeft om het verstrekken van de dossierstukken, een (definitieve) vervolgingsbeslissing, de (concept-)tenlastelegging en de opnames van de verhoren van aangeefster, terwijl de officier van justitie de mails van de advocaat structureel niet tijdig en adequaat heeft beantwoord. De rechtbank overweegt ook dat sprake was van een groot tijdsverloop in deze zaak. Wel heeft de verdediging uiteindelijk, al dan niet na tussenkomst van de rechtercommissaris, de stukken en opnames ontvangen waarom was verzocht. Vervolgens is zij in de gelegenheid geweest haar rechten in het voorbereidend onderzoek uit te oefenen. Het door de advocaat op 17 juni 2025 ingediende verzoek op grond van artikel 29f van het Wetboek van Strafvordering is door bijzondere raadkamer van de rechtbank op 11 november 2025 gemotiveerd afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat de verklaringen van aangeefster niet in zijn geheel in het proces-verbaal zijn opgenomen en dat de politie er tijdens de verhoren van aangeefster kennelijk nog vanuit ging dat de verdachte € 3.000,- van de rekening van aangeefster zou hebben gehaald, niet betekent dat het proces niet eerlijk is geweest.
De verdediging heeft - uiteindelijk - kennis kunnen nemen van de opnames van de verhoren van aangeefster en heeft die gebruikt voor de verdediging van de verdachte.
Uit het proces-verbaal van 23 december 2022 blijkt dat nader onderzoek is gedaan naar de bankrekening van aangeefster en de bankrekening van de verdachte. Daaruit is het vermoeden ontstaan dat de verdachte heeft geprofiteerd van de opbrengst van het prostitutiewerk van [slachtoffer] . De geldopnames van in totaal € 3.023,95 van de bankrekening van [slachtoffer] betreffen de periode van 3 januari 2020 tot 3 februari 2021.
Deze uitkomst van het onderzoek naar de bankrekening van [slachtoffer] was dus nog niet beschikbaar tijdens de verhoren van aangeefster op 24 december 2020, 17 januari 2021 en 4 mei 2022.
Met betrekking tot het beslag op de iPhone X van de verdachte (hierna: de telefoon) stelt de rechtbank vast dat de gegevens van de telefoon op 14 januari 2021 zijn veilig gesteld (pagina 562) en dat op 17 februari 2021 onderzoek is verricht aan de veiliggestelde gegevens (pagina 563). De telefoon is dus onderzocht nádat op 17 januari 2021 aangifte was gedaan.
De rechtbank overweegt dat bij het onderzoek aan de telefoon van de verdachte een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte te voorzien viel. Hoewel het Landeck-arrest nog niet was gewezen ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte, gaat het niet om nieuw recht, maar om uitleg van reeds bestaand recht. De rechtercommissaris had dus toestemming moeten geven voordat dit onderzoek mocht worden uitgevoerd.
De rechtbank overweegt dat sprake was van een onderzoek naar een ernstig strafbaar feit, waarbij de aard van het feit een onderzoek aan de telefoon van de verdachte rechtvaardigde. Indien een machtiging van de rechter-commissaris zou zijn aangevraagd, zou deze onder de gegeven omstandigheden zonder meer zijn verkregen. De verdachte is door het vormverzuim dus niet in een nadeligere positie geraakt ten opzichte van de situatie waarin dit verzuim niet zou zijn begaan.
De rechtbank oordeelt dat zich vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar dat die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen. De hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, leiden niet tot de conclusie dat geen sprake meer is van een eerlijk proces. Op grond van het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
4. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.
De onderbouwing van het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
Standpunt van de verdediging
Feit 1
De advocaat verzoekt de rechtbank om (de gegevens uit) de telefoon van de verdachte van het bewijs uit te sluiten, mocht tot een veroordeling van de verdachte worden gekomen. Daartoe voert hij aan dat het onderzoek aan die telefoon onrechtmatig was en dat het bij de opsporingsinstanties eerder regel dan uitzondering lijkt te zijn dat telefoons onrechtmatig worden onderzocht. Bij deze ernstige schending is bewijsuitsluiting volgens de advocaat noodzakelijk als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van seksuele uitbuiting
vanwege onvoldoende betrouwbaar, objectief wettig en overtuigend bewijs.
De liefdesrelatie die de verdachte en [slachtoffer] in het najaar van 2020 zijn aangegaan was ingewikkeld en haar verklaringen daarover zijn onbetrouwbaar en deels aantoonbaar onjuist. Hierbij wordt ook verwezen naar de berichten die [slachtoffer] aan de verdachte heeft verstuurd. [slachtoffer] heeft vrijwillig voor prostitutiewerk gekozen want zij wilde op eigen benen staan en veel geld verdienen. Zij is niet in de prostitutie terecht gekomen door dwang, misleiding of misbruik door de verdachte en steunbewijs voor het tegendeel daarvan ontbreekt. De verdachte heeft [slachtoffer] bij haar werkzaamheden geholpen om te voorkomen dat zij in verkeerde handen zou vallen. Zij was vrij om te gaan en staan waar zij wilde, zij nam zelf steeds contact op met de verdachte en zij kreeg haar geld.
De advocaat voert verschillende verweren over de betrouwbaarheid van het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.
Feit 2
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van witwassen. Verdachte ontkent dat hij geld heeft witgewassen en hij heeft direct een onderbouwde en niet op voorhand onaannemelijke verklaring afgelegd die wordt bevestigd door het onderzoek. De medeverdachte heeft bevestigd dat het geld van hem is. Dat de coupures niet helemaal overeenkomen met de gepinde coupures betekent niet dwingend dat het niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. Daarvoor zijn meerdere voor de hand liggende scenario’s denkbaar, bijvoorbeeld dat het geld ondertussen is gewisseld.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsuitsluiting telefoongegevens
Uit overweging 3.3. volgt dat de telefoon van de verdachte is onderzocht zonder de vereiste voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Er is dan ook sprake van een onherstelbaar vormverzuim.
De vraag is vervolgens of en, zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde factoren, te weten: het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Zoals overwogen in 3.3. gaat de rechtbank ervan uit dat de rechter-commissaris in de gegeven omstandigheden, als deze machtiging wel was gevraagd, een machtiging zou hebben afgegeven. Dit betekent dat de verdachte niet in een nadeligere positie is geraakt ten opzichte van de situatie waarin dit verzuim niet zou zijn begaan.
Daarnaast ziet de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet dat er sprake is van een situatie waarin bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om de politie ervan te weerhouden (in de toekomst) onrechtmatig op te treden. De werkwijze is na het Landeck-arrest ook aangepast.
De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolgen verbinden. Er is geen aanleiding tot bewijsuitsluiting.
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 (medeplegen van seksuele uitbuiting van [slachtoffer] gedurende de periode van 14 oktober 2020 tot en met 22 december 2020) en 2 (eenvoudig witwassen) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Beoordelingskader en bewijsoverwegingen
Feit 1 mensenhandel/seksuele uitbuiting
De rechtbank moet beoordelen of het handelen van verdachte ten aanzien van [slachtoffer]
kan worden aangemerkt als mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4, 6 en/of 9 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Juridisch kader
De strafbaarstelling van mensenhandel (artikel 273f Sr) staat in titel XIII, de titel die ziet op ‘de misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Het belang van het individu staat voorop: dat belang is behoud van zijn of haar lichamelijke of geestelijke integriteit en vrijheid.
De in artikel 273f Sr verboden gedragingen beïnvloeden de wil en/of beperken de keuzemogelijkheid van het slachtoffer. De gedragingen leiden tot het ontbreken van de vrijwilligheid bij het slachtoffer om bepaalde handelingen te verrichten. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f, eerste lid, Sr, komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten seksuele activiteiten, de beperkingen die dit voor het slachtoffer meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte is behaald. In het geval van prostitutiewerkzaamheden (of in dit geval het hebben van seksafspraken) zal er – gelet op de forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer – in het geval van gebruik van enig dwangmiddel en enig gewin door de verdachte al snel sprake zijn van uitbuiting.
Instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting is niet relevant indien één van de in artikel 273f Sr genoemde dwangmiddelen is gebruikt. Bij het dwangmiddel ‘misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ is er sprake van een relationele ongelijkheid of van het brengen in zo’n situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid wordt beperkt. Met een ‘kwetsbare positie’ wordt (onder andere) een situatie bedoeld waarin het slachtoffer geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. De verdachte moet zich wel bewust zijn van de relevante feiten en omstandigheden van het slachtoffer waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel van de kwetsbare positie van het slachtoffer. De verdachte moet tenminste voorwaardelijk opzet hebben ten aanzien van die omstandigheden en/of de kwetsbare positie.
Ook is strafbaar degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander of die iemand dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
In zijn algemeenheid moet zorgvuldig worden omgegaan met verklaringen van getuigen in strafzaken, zoals in dit geval ook met de verklaringen van aangeefster. Met name in zeden- en mensenhandelzaken is bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van verklaringen van vermeende slachtoffers en/of aangevers behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van zowel belastende als ontlastende verklaringen kan onder druk staan of negatief beïnvloed worden door angst, maar ook door gevoelens van voortdurende loyaliteit en/of afhankelijkheid.
De Hoge Raad heeft op grond van artikel 342 lid 2 Sv, criteria geformuleerd voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een verklaring (zie ECLI:NL:HR:2020:1095). Het bewijs dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan kan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (in dit geval aangeefster [slachtoffer] ). Er is ook steunbewijs nodig. De vraag of aan het zogenoemde bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Als algemene regel geldt het bewijsminimum op de tenlastelegging in haar geheel ziet, en niet op een onderdeel daarvan. Dit brengt mee dat het steunbewijs niet noodzakelijkerwijs betrekking hoeft te hebben op het daderschap van de verdachte of op de ten laste gelegde gedraging. Voldoende is dat het steunbewijs de getuigenverklaring op concrete en wezenlijke punten bevestigt. Het steunbewijs mag echter niet in een te ver verwijderd verband staan met de bewezen verklaarde gedraging. Ook is van belang of er contra-indicaties zijn voor een bewezenverklaring.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om in dit geval nog kritischer dan gebruikelijk naar de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] te kijken. De rechtbank beoordeelt de verklaringen van [slachtoffer] op basis van consistentie (telkens hetzelfde verhaal vertellen), accuraatheid (verklaring strookt met de werkelijkheid) en volledigheid (gedetailleerdheid). De verklaringen van [slachtoffer] over de ten laste gelegde feiten en gedragingen voldoen daaraan en worden op belangrijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de inhoud van de telefoon van de verdachte ( [telefoonnummer verdachte] ) en de werktelefoon ( [werktelefoon] ), de informatie van [website] .nl, de bevindingen bij de prostitutiecontrole op 16 december 2020 en de uitkomst van het financieel onderzoek.
Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Dat in de verklaringen van [slachtoffer] op bepaalde punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Aangeefster is zeer uitgebreid en meermalen verhoord en tegenstrijdigheden kunnen ontstaan door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, worden teweeggebracht door emoties, schaamte of middelengebruik of zijn ontstaan door het delict of tijdsverloop. Op relevante punten zijn de verklaringen van [slachtoffer] echter consistent.
De rechtbank neemt in aanmerking dat aangeefster (ook) steeds heeft verklaard dat het (aanvankelijk) haar idee is geweest om prostitutiewerk te gaan doen en dat zij ook na de ten laste gelegde periode steeds contact is blijven opnemen met de verdachte. De raadsman heeft erop gewezen dat de inhoud van de berichten van [slachtoffer] moeilijk is te rijmen met het ten laste gelegde feit. De rechtbank beziet de inhoud van de berichten echter tegen de achtergrond van hetgeen bekend is over de ingewikkelde dynamiek tussen loverboys en hun slachtoffers. De rechtbank ziet daarin, het steunbewijs mede in aanmerking genomen, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] .
De rechtbank overweegt in het kader van de contra-indicaties voor de betrouwbaarheid het volgende. Dat op de beelden van het [hotel] niet te zien is dat de verdachte aangeefster bij haar pols heeft gepakt betekent, naar het oordeel van de rechtbank, niet zonder meer dat dit niet is gebeurd. Ook ziet de rechtbank in het opgenomen gesprek tussen de verdachte en aangeefster over het op vrijwillige basis uitvoeren van het prostitutiewerk, geen aanleiding om te oordelen dat er dus geen sprake was van dwang door de verdachte omdat aangeefster bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de verdachte haar had gechanteerd om dit te zeggen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de verklaringen van [slachtoffer] als onbetrouwbaar aan te merken en zal deze gebruiken voor het bewijs.
Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van aangeefster
De verdediging heeft in dit kader een voorwaardelijk verzoek gedaan: indien aangeefsters verklaringen voor het bewijs worden gebruikt, verzoekt de verdediging tot het horen van aangeefster ten overstaan van de rechtbank. De verklaringen van aangeefster en alle berichten die zij tijdens en na de ten laste gelegde periode heeft verstuurd naar de verdachte raken haar betrouwbaarheid direct, zodat ook de rechtbank door het horen van aangeefster zich een oordeel over de betrouwbaarheid kan vormen.
De rechtbank overweegt dat aangeefster herhaaldelijk en uitgebreid is verhoord door de politie en is verhoord door de rechtercommissaris terwijl de raadsman daarbij aanwezig was en vragen aan haar heeft gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het nogmaals horen van aangeefster op grond van het onderzoek op de zitting niet noodzakelijk is (noodzakelijkheidscriterium) en wijst het verzoek af.
De bewijsminimumregel ten aanzien van getuigenbewijs
De advocaat heeft aangevoerd dat feit 1 niet kan worden bewezen, wegens het ontbreken van voldoende betrouwbaar steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank heeft hierboven al het juridisch kader geschetst zoals – aan de hand van verschillende criteria – is ontwikkeld voor artikel 342 lid 2 Sv.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verklaringen van [slachtoffer] niet op zichzelf staan en in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. De rechtbank zal dit hieronder toelichten aan de hand van een bespreking van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging.
De bewezen feitelijke handelingen
Gelet op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat een deel van de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
De verdachte heeft [slachtoffer] , nadat hij in een hoog tempo een vertrouwensband met haar had opgebouwd, gevraagd om bij hem te komen wonen. Wel moest zij dan een oplossing zoeken voor het samen delen van de kosten daarvan. [slachtoffer] had een huurachterstand, en had inmiddels dermate intensief contact met de verdachte, dat zij dacht dat zij het niet ‘normaal zou kunnen afsluiten’. Bovendien wist de verdachte haar adres. Dus bood [slachtoffer] aan in de prostitutie te gaan werken ‘om de huur te betalen’.
De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geholpen met haar prostitutiewerkzaamheden. Uit de verklaring van [slachtoffer] , de verklaring van de verdachte zelf en uit de gegevens uit de telefoon van de verdachte blijkt dat hij en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) zich op verschillende manieren met de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster hebben beziggehouden. De verdachten hebben [slachtoffer] bij de verdachte in de woning laten verblijven en ruimte beschikbaar gesteld voor prostitutiewerkzaamheden. De advertentie met betrekking tot [slachtoffer] op [website] .nl is aangemaakt door de verdachte met behulp van de medeverdachte: de verdachte heeft in aanwezigheid van de medeverdachte in de woning van de medeverdachte in [woonplaats] foto’s van [slachtoffer] gemaakt. De verdachte vraagt aan [A] op 3 december 2020 of [A] een mailadres wil aanmaken en dan komt het volgende adres tevoorschijn: [e-mailadres] @hotmail.com. Met dit adres is diezelfde dag een kinkyadvertentie [telefoonnummer 1] aangemaakt, waarbij gebruik is gemaakt van een bij de medeverdachte thuis gemaakte foto en de tekst die de medeverdachte per telefoon met de verdachte heeft gedeeld. Uit de gegevens van [website] .nl blijkt dat in eerste instantie ook alleen het telefoonnummer van de verdachte gekoppeld was aan het [website] .nl account en dat er meermalen betalingen vanaf de bankrekening op naam van de verdachte zijn verricht om tegoed te kopen om de advertentie omhoog te kunnen plaatsen. Voor de werkzaamheden was er voor [slachtoffer] een speciale werktelefoon geregeld.
Op basis van de in de telefoon van de verdachte aangetroffen chatberichten kan eveneens worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het onderhouden van contacten, het maken van afspraken met prostitutieklanten van [slachtoffer] , het maken van afspraken met die klanten over de aard van de werkzaamheden en de daarvoor te betalen bedragen en dat hij [slachtoffer] heeft geïnstrueerd over haar werkzaamheden.
De niet onderbouwde stelling van de verdachte dat [slachtoffer] mogelijk alles dat in zijn telefoon is aangetroffen (afspraken, tikkies en bankbetalingen) zelf heeft gedaan op momenten dat hij zijn telefoon had achtergelaten vindt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank vindt dit ongeloofwaardig gelet op de hoeveelheid aan berichten, de tijdstippen van deze berichten waaruit blijkt dat deze verstuurd zijn op verschillende dagen en momenten, en de aard van de handelingen (zoals ook betalingen van de bankrekening van de verdachte waarmee de advertentie op [website] .nl omhoog werd geplaatst). Daarnaast zijn er ook veel tikkies verstuurd vanaf de telefoon van de medeverdachte naar de telefoon van de verdachte waarna deze nagenoeg direct zijn doorgestuurd naar [slachtoffer] , en daarvan heeft de medeverdachte aangegeven dat het nummer waar hij de berichten heen stuurde in gebruik is bij de verdachte.
Op grond van de verklaringen van de verdachte en van [slachtoffer] kan worden vastgesteld dat de verdachte haar ook heeft vervoerd naar haar escortwerkzaamheden. Volgens [slachtoffer] was de medeverdachte vaak bij de verdachte en haar in de auto wanneer ze naar een seksafspraak werd gebracht en werd ze door beiden in de gaten gehouden.
Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij een administratie had waarin het werk en de verdiensten van [slachtoffer] werden bijgehouden. Deze notities zijn ook aangetroffen in de telefoon van de verdachte. Op basis van de financiële bevindingen van de politie en de verklaring van [slachtoffer] , acht de rechtbank ook bewezen dat de verdachte (een groot deel van) het geld van [slachtoffer] heeft afgenomen en ontvangen.
Artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr
De handelingen
Op basis van de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat sprake is geweest van het werven, vervoeren, overbrengen en huisvesten van [slachtoffer] .
De middelen
Dan dient te worden vastgesteld of de verdachte bij dit werven, vervoeren, overbrengen en huisvesten gebruik heeft gemaakt van middelen in de zin van artikel 237f, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr. De rechtbank vindt bewezen dat verdachte tegenover [slachtoffer] gebruik heeft gemaakt van dwang, geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van haar kwetsbare positie.
Dat de verdachte dwang heeft toegepast blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer] . [slachtoffer] , geleid door haar (romantische) gevoelens voor de verdachte, is door de verdachte onder druk gezet onder het mom van ‘samen een financieel gezonde toekomst opbouwen’, en is zo gedwongen tot het uitvoeren van prostitutiewerk voor hem.
In eerste instantie had [slachtoffer] zelf voorgesteld om in de prostitutie te gaan werken, maar toen zij daarop terug wilde komen zei de verdachte dat ze haar woorden niet meer kon terugnemen en dat hij alles ging regelen. De verdachte heeft [slachtoffer] toen binnen een uur opgehaald en meegenomen naar [woonplaats] . Ze kreeg ook te horen dat ze een schuld open had staan bij de verdachte en dat ze die eerst moest betalen als ze uit de prostitutie wilde. Ook heeft de verdachte [slachtoffer] , samen met de medeverdachte, in de gaten gehouden.
Geweld
Uit de verklaringen van [slachtoffer] blijkt ook dat de verdachte geweld tegen haar heeft gebruikt. Ze verklaarde dat de verdachte een kussen op haar hoofd heeft gedrukt en haar bij haar keel heeft gegrepen. Ze verklaarde verder dat de verdachte haar door de kamer naar de andere kant heeft gegooid en dat de medeverdachte er een paar keer tussen is gekomen wanneer de verdachte haar aanviel of te ver ging. Dit onderdeel vindt steun in de verklaring van de medeverdachte die verklaart dat hij er een keer tussen ging staan toen de verdachte en [slachtoffer] ruzie hadden.
Een andere feitelijkheid
Eveneens acht de rechtbank bewezen dat de verdachte heeft gedreigd met een andere feitelijkheid. Feitelijkheden zijn in het algemeen alle handelingen die niet onder ‘geweld’ vallen. Wel moeten deze handelingen van zodanige aard zijn, dat zij in de gegeven omstandigheden leiden tot een zodanige psychische druk dat het slachtoffer hieraan geen weerstand kon bieden. [slachtoffer] heeft verklaard dat als zij weg zou gaan dat ze nog een schuld had die ze zou moeten aflossen. Dat was een schuld die bestond uit geld dat aan eten was besteed en middelen om te leven. De rechtbank is van oordeel dat met het creëren van deze ‘schuld’, sprake was van een zodanige psychische druk dat [slachtoffer] daartegen geen weerstand kon bieden.
Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van de kwetsbare positie van [slachtoffer]
Dat verdachten misbruik hebben gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer] en hun feitelijk overwicht over haar, blijkt uit het gegeven dat uit de verklaringen van de verdachte kan worden opgemaakt dat hij op de hoogte was van het verleden van [slachtoffer] en desondanks is doorgegaan met het profiteren van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] .
(Het oogmerk van) uitbuiting
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij vrijwel al haar verdiende geld aan de verdachte heeft afgedragen en ook uit de financiële gegevens van de politie blijkt dat er een substantieel bedrag aan de verdachte is betaald. Hiervan heeft zij nooit iets teruggezien. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte niet alleen het oogmerk van uitbuiting had toen hij de bewezenverklaarde handelingen verrichtte, maar dat hij [slachtoffer] ook daadwerkelijk heeft uitgebuit.
Concluderend heeft de verdachte verschillende dwangmiddelen gebruikt die ertoe hebben geleid dat [slachtoffer] in een uitbuitingssituatie belandde en waardoor [slachtoffer] zich daarna niet meer aan deze uitbuitingssituatie kon onttrekken.
Anders dan de verdediging stelt was er dan ook geen sprake van vrijwillig prostitutiewerk waarbij de verdachte [slachtoffer] enkel heeft geholpen bij het verdienen van veel geld. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat instemming van het slachtoffer, waar in dit geval ook niet van is gebleken, met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant is indien, zoals in deze zaak, één van de in artikel 273f Sr genoemde dwangmiddelen is gebruikt.
Artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4, Sr
Gelet op hetgeen hierboven bij de bespreking van sub 1 is overwogen, heeft de verdachte [slachtoffer] door middel van de hierboven genoemde middelen bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden.
Artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 6 en 9, Sr
Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven bij de bespreking van sub 1 omtrent de middelen en (het oogmerk van) uitbuiting is overwogen blijkt voorts dat de verdachten opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer] , en dat zij [slachtoffer] hebben bewogen tot het afstaan van (een groot deel van) de opbrengsten van haar prostitutiewerkzaamheden. De verdachte heeft, samen met zijn vriend [medeverdachte] , [slachtoffer] gebruikt om veel geld te verdienen.
De periode
De rechtbank gaat er bij het vaststellen van de periode vanuit dat de verdachte vanaf de kennismaking op 14 oktober 2020 dwang op [slachtoffer] is gaan uitoefenen om het prostitutiewerk te (gaan) doen, omdat zij heeft verklaard dat het direct heel snel ging.
De samenwerking
De rechtbank oordeelt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] nauw en bewust hebben samengewerkt. De rechtbank vindt de bijdrage van de medeverdachte aan de seksuele uitbuiting van voldoende gewicht om hem als medepleger te zien. Uit de bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan de verdachte en dat de medeverdachte aan de verdachte heeft verzocht de huur voor de woning te voldoen. In de woning van de medeverdachte zijn, in aanwezigheid van de medeverdachte, de foto’s van de seksadvertentie van [slachtoffer] gemaakt en de medeverdachte heeft de verdachte een tekst gestuurd die in de advertentie voor het prostitutiewerk is geplaatst. Toen de verdachte een bericht stuurde over de prostitutiecontrole door de politie op 16 december 2020 heeft de medeverdachte hem laten weten dat hij direct zou komen (pagina 700). [slachtoffer] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte en de medeverdachte haar niet uit het oog verloren en dat zij haar altijd in de gaten hielden. Ook blijkt uit het financieel onderzoek dat tikkies van de medeverdachte zijn verzonden naar de verdachte en dat die tikkies vrijwel direct zijn doorgestuurd naar de werktelefoon. Ook heeft de medeverdachte tikkies naar de werktelefoon gestuurd.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich, met de medeverdachte, schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel en komt tot een bewezenverklaring van artikel 273f eerste lid aanhef en sub 1, 4, 6 en 9 Sr.
De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest, opgenomen (sub 1), bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele diensten (sub 4), bewogen de verdachte te bevoordelen uit de opbrengsten van haar seksuele handelingen met anderen (sub 6) en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] (sub 9). Deze handelingen zijn mogelijk gemaakt doordat de verdachte, tezamen en in vereniging met de medeverdachte, dwangmiddelen heeft gebruikt, namelijk dwang, geweld, een andere feitelijkheid, misbruik van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van haar kwetsbare positie. Daarbij was telkens sprake van opzet op de gedragingen en dwangmiddelen en was sprake van uitbuiting waarop de verdachte het oogmerk had.
Feit 2: Witwassen
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 16 december 2020 heeft de politie een prostitutiecontrole uitgevoerd waaruit bleek dat [slachtoffer] in de prostitutie werkzaam was op [adres] te [plaats] . De verdachte was ten tijde van de controle in de buurt van de woning aanwezig en was in het bezit van een stapel bankbiljetten van € 20,-, € 50,- en € 100,-.
De verdachte had bij zijn aanhouding op 31 december 2020 twee stapels bankbiljetten in een elastiek ter waarde van in totaal € 6.420,- in zijn jaszak.
Op 24 december 2020 heeft [slachtoffer] in een informatief gesprek verklaard dat zij tot 22 december 2020 voor de verdachte prostitutiewerk had gedaan.
Op grond daarvan is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
De verdachte heeft over de herkomst van het geldbedrag van in totaal € 6.420,- direct bij de aanhouding verklaard dat het geld van een vriend van hem was. Ook heeft hij een pinbon van 30 december 2020 van bankrekening [rekeningnummer] bij de ING bank getoond. Ter terechtzitting van 29 september 2026 is de verdachte bij die verklaring gebleven.
Het openbaar ministerie heeft nader onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte, bestaande uit onderzoek naar het gepinde bedrag van de bankrekening van de ING.
Daaruit kwam naar voren dat op 30 december 2020 geld is gepind van de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] (bankrekening [rekeningnummer] ) en dat er 200 biljetten van 50 euro zijn gepind.
Het geldbedrag dat de verdachte op 31 december 2020 in zijn jaszak had betrof 82 biljetten van € 20, 3 biljetten van € 10 en 95 biljetten van € 50.
Het inbeslaggenomen geld bij de verdachte bestond dus niet uit dezelfde coupures als de coupures van het opgenomen bedrag. Ook kwam het totale bedrag dat is gepind niet overeen met het inbeslaggenomen bedrag.
Bovendien zijn in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] berichten van 30 december 2020 gevonden waaruit blijkt dat het geld dat in de auto was achtergebleven, bestemd was voor de verdachte. Daarbij zou het gaan om “16/17 bar”, waaruit de rechtbank afleidt dat het ging om € 1600 a 1700 was en niet de aangetroffen € 6.420,-.
De rechtbank acht de resultaten van het door het openbaar ministerie verrichte (nadere) onderzoek van dien aard dat mede op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde geld, te weten het geldbedrag van in totaal € 6.420,-, onmiddellijk of middellijk uit enig eigen misdrijf afkomstig is.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Feit 1
in of omstreeks de periode van ongeveer 14 oktober 2020 tot en met 22 december 2020 te Utrecht en De Bilt en elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander, een ander, te weten [slachtoffer] ,
(telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkheid
dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,
door misbruik van een kwetsbare positie
- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer]
en
- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellentot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard
en
- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachtes mededaderte bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer] , seksuele handelingenmet en/of voor een derde
en
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokkenuit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten die [slachtoffer] , zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader,
een (liefdes)relatie aangegaan met die [slachtoffer] en/of
die [slachtoffer] laten weten dat hij samen met haar een toekomst wilde opbouwenendie [slachtoffer] laten weten dat hij pas met haar kon samenwonen als zij haarfinanciën op orde had enfoto’s van die [slachtoffer] gemaakt ten behoeve van een of meer seksadvertentie(s)eneen of meer account(s) en/of advertentie(s) aangemaakt en/of onderhouden bijsites als [website] .nl eneen (zogenaamde) werktelefoon aangeschaft/in gebruik genomen en/of aan die[slachtoffer] verschaft encontacten onderhouden met klanten en/of seksafspraken gemaakt voor die[slachtoffer] eneen of meer werkplek(ken) voor die [slachtoffer] geregeld waar zij die klanten konontvangen voor haar prostitutiewerkzaamheden endie [slachtoffer] vervoerd naar die werkplek(ken) en/of naar die klant(en) en/ofdie [slachtoffer] telkens gecontroleerd als zij klanten ontving en/of de (eigen)telefoon van die [slachtoffer] afgepakt en/of
[wanneer die [slachtoffer] weigerde klanten te ontvangen en/of liet weten te willenstoppen met die prostitutiewerkzaamheden]
tegen die [slachtoffer] gezegddat zij door moest werken en/ofdat zij pas weg mocht als zij alles had afbetaalden/ofdie [slachtoffer] mishandeld en/of aan haar haar getrokken en/of haar tegen murenen meubels gegooid/geduwd en/of een kussen op haar gezicht gedrukt en/ofgedrukt gehouden en/of haar gewurgd en
(zo goed als) al het geld dat die [slachtoffer] met haar prostitutiewerkzaamhedenverdiendevan die [slachtoffer] afgepakt en/ofdoor [slachtoffer] aan hem, verdachte, en/of zijn mededader af laten geven;
Feit 2
op 31 december 2020 te De Bilt, een hoeveelheid geld (eurobiljetten ter waarde van in totaal € 6420,=),
voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist dat dat geld onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
5. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 1º/4º/6º/9º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 2
eenvoudig witwassen.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
6. Straf en/of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest;
en dat ook aan de verdachte wordt opgelegd:
een contactverbod met [slachtoffer] als vrijheidsbeperkende maatregel (artikel
38v Sr) voor de duur van 5 jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de officier van justitie de strafeis ten onrechte baseert op mensenhandel categorie III van de LOVS.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan seksuele uitbuiting (mensenhandel) van [slachtoffer] . Het strafbare feit is in vereniging gepleegd. Mensenhandel is een zeer vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting. De lichamelijke en geestelijke integriteit van mensen wordt totaal ondergeschikt gemaakt aan het geldelijk gewin. Van dit soort feiten is algemeen bekend dat de slachtoffers daarvan nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen ondervinden. Voor [slachtoffer] geldt dit ook.
Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat zij een moeilijke periode in een gewelddadig huwelijk achter zich had liggen toen zij de verdachte ontmoette. Ze geloofde dat er iets van verbondenheid en oprechtheid tussen hen bestond en werd verliefd. Het kwam hard aan toen zij merkte dat de verdachte haar niet zag als een medemens met gevoelens maar als iets dat gebruikt en misbruikt kan worden en dat zij uiteindelijk als troep aan de kant werd gezet. Dat heeft haar gebroken en zij zat gevangen tussen angst en afhankelijkheid. Ze heeft therapie gevolgd om te werken aan haar herstel maar het litteken blijft en er gaat geen dag voorbij dat ze niet aan deze gebeurtenissen denkt.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor seksuele uitbuiting is voor categorie II een gevangenisstraf van 14 maanden. Categorie II is van toepassing omdat er een meer dan beperkte inbreuk is gemaakt op de grondrechten en autonomie van het slachtoffer, sprake is van schuldbinding, een loverboy zaak en geweld is ingezet. De seksuele uitbuiting is in vereniging gepleegd en de verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan witwassen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 18 augustus 2026. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank kent aan het strafblad geen strafverminderende of strafverhogende betekenis toe.
De rechtbank ziet aanleiding om aan de verdachte een hogere straf op te leggen dan aan de medeverdachte gelet op de rol die de verdachte heeft gespeeld bij het plegen van de mensenhandel. Ook houdt de rechtbank in strafverhogende zin rekening met de proceshouding van de verdachte: hij ontkent de strafbare feiten en zegt juist zelf het slachtoffer te zijn van de gevoelens van spijt, wraak, woede en jaloezie van [slachtoffer] .
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Op 24 juni 2022 heeft de rechter-commissaris een machtiging tot conservatoir beslag verleend op grond van de tegen de verdachte gerezen verdenking ter zake van mensenhandel en witwassen. Omdat de verdachte daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij zou worden vervolgd is de redelijke termijn op dat moment aangevangen.
De behandeling op zitting wordt afgesloten op 21 oktober 2026. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met 2 jaar en ruim 3 maanden overschreden.De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.
De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt hanteert.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat verdachte:
- zich onthoudt van contact met [slachtoffer] .
De rechtbank beoogt hiermee te voorkomen dat verdachte opnieuw contact zal opnemen met aangeefster, om welke reden dan ook. De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 5 jaren. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, wordt de maatregel vervangen door 1 maand hechtenis per overtreding, met een totale duur van maximum 6 maanden.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 22.730,- voor het tenlastegelegde feit, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 12.730,- voor vergoeding van materiële schade en € 10.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit een schatting van de afgedragen verdiensten uit prostitutiewerk. Het verzoek om vergoeding van smartengeld is onderbouwd met 2 verklaringen van GGZ Centraal waaruit - kort samengevat - blijkt dat [slachtoffer] voor een posttraumatische stressstoornis wordt behandeld, onder meer door volgen van vaktherapie en EMDR. De hoogte van het smartengeld is gebaseerd op de Rotterdamse schaal voor mensenhandel categorie b. Verder wordt verzocht de verdachten hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de geleden schade en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot schadevergoeding geheel kan worden toegewezen en dat de verdachte en de medeverdachte daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Standpunt verdediging
De advocaat verzoekt om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, primair vanwege de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat het causaal verband ontbreekt en de vordering onvoldoende is onderbouwd. Betwist wordt dat [slachtoffer] gedurende de, in de vordering gestelde, periode heeft gewerkt, het gestelde aantal afspraken heeft gehad en alle verdiensten zou hebben afgedragen. Ook moet de persoon van [slachtoffer] en het gedrag van [slachtoffer] naar de verdachte in aanmerking worden genomen. Ten slotte is van belang dat het Schadefonds al een bedrag van € 10.000,- aan [slachtoffer] heeft uitgekeerd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vaststaat dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde feit (mensenhandel) rechtstreeks schade heeft geleden, omdat zij haar verdiensten met het werk in de prostitutie vrijwel geheel heeft afgedragen aan de verdachte. De verdediging heeft de gestelde schade betwist. Omdat uit het dossier niet blijkt wat de verdiensten van [slachtoffer] precies zijn geweest, zal de rechtbank, conform het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 8:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW), om de omvang van de schade te schatten. De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten.
De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] gedurende ongeveer 3 weken heeft gewerkt in de prostitutie, gedurende 5 dagen per week, waarbij door klanten deels contant en deels via de bank is betaald. Uit het financieel onderzoek, zoals dat is weergeven in de bewijsmiddelen, volgt dat de verdachte via de bankrekening € 7.837,- aan opbrengsten van seksuele uitbuiting van [slachtoffer] heeft ontvangen. De rechtbank neemt in aanmerking dat ook contant voor het prostitutiewerk is betaald en schat de materiële schade daarom op € 10.000,-.
De rechtbank wijst dit deel van de vordering toe.
De benadeelde partij wordt in het overige gedeelte van de vordering, voor zover deze verder ziet op de materiële schade, niet ontvankelijk verklaard en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In dit geval heeft de benadeelde partij haar vordering voldoende concreet onderbouwd met stukken van GGZ Centraal waaruit blijkt er sprake is van een posttraumatische stressstoornis, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie b (pagina 102) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt het in die categorie genoemde bedrag van € 5.000,- tot € 10.500,- tot uitgangspunt.
De rechtbank overweegt dat is bewezen dat [slachtoffer] van 14 oktober 2020 tot en met 22 december 2020 het slachtoffer is geweest van mensenhandel en dat zij vanaf ongeveer 23 november 2020 tot en met 22 december 2020 in de prostitutie heeft gewerkt, dat zij met geweld te maken kreeg en dat zij daarna in behandeling is gegaan vanwege onder meer een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank vindt daarom een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van in totaal € 10.000,- passend.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het bedrag van € 10.000,- dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan de benadeelde partij als voorschot heeft uitgekeerd, in mindering te brengen op het toegekende bedrag aan schadevergoeding. Uit artikel 6 van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven en uit de brief van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, die door de benadeelde partij is overgelegd, volgt dat dat de benadeelde partij het van het Schadefonds ontvangen schadebedrag mogelijk moet terugbetalen als zij deze schade op andere wijze, bijvoorbeeld via de dader, vergoed krijgt. De beoordeling hiervan ligt bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Wettelijke rente
De vergoeding van de schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Nu geen omstandigheden zijn gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden, wordt de aanvangsdatum van de wettelijke rente bepaald in het midden van de periode. Dit betekent dat de wettelijke rente over de materiële schade wordt toegekend vanaf 6 december 2020, nu deze is ontstaan tijdens de periode van ongeveer 23 november 2020 tot en met 22 december 2020.Voor wat betreft de immateriële schade wordt de wettelijke rente toegekend vanaf 18 november 2020 nu dat het midden is van de periode van 14 oktober 2020 tot en met 22 december 2020.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Hoofdelijkheid
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade (art. 6:102 BW), hetgeen doorgaans het geval is indien de schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen. Ook de gedragingen van een medeplichtige kunnen de grondslag vormen voor diens hoofdelijke aansprakelijkheid tot vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade.
Omdat de verdachte het strafbare feit (mensenhandel) en waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (de juridische term is: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 20.000,- aan de Staat moet betalen.
De vergoeding van de schade van in totaal € 20.000,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Voor wat betreft de materiële schade wordt de wettelijke rente
over het bedrag van € 10.000,- toegekend met ingang van 6 december 2020. Voor wat betreft de immateriële schade wordt de wettelijke rente over het bedrag van € 10.000,-
toegekend vanaf 18 november 2020 nu dat het midden is van de periode van 14 oktober 2020 tot en met 22 december 2020.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Omdat de verdachte het strafbare feit mensenhandel en waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (de juridische term is: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 38v, 38w, 47, 57, 63, 273f, 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;
zich onthoudt van contact met [slachtoffer] , geboren op [1998] te [geboorteplaats] ;
- beveelt dat, voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, de maatregel wordt vervangen door 1 maand hechtenis per overtreding, met een totale duur van maximum 6 maanden;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)
materiële schade
immateriële schade
proceskosten
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
hoofdelijkheid
- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag van in totaal € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 10.000,- met ingang van 6 december 2020, en
- over een bedrag van € 10.000,- met ingang van 18 november 2020
met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 20.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente
over een bedrag van € 10.000,- met ingang van 6 december 2020, en
over een bedrag van € 10.000,- met ingang van 18 november 2020
tot de dag van volledige betaling;
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij in of omstreeks de periode van ongeveer 01 september 2020 tot en met ongeveer31 december 2020 te Utrecht en/of De Bilt en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A) een ander, te weten [slachtoffer] ,
(telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en),
door afpersing, fraude, misleiding
dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,
door misbruik van een kwetsbare positie
- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 1°)
en/of
- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellentot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard
dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomenwaarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijsmoest(en) vermoeden
dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot hetverrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°)
en/of
- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachte(s) mededader(s)te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer] , seksuele handelingenmet en/of voor een derde (sub 9°)
en/of
B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokkenuit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten die [slachtoffer] , (sub 6°),
zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),
een (liefdes)relatie aangegaan met die [slachtoffer] en/of
die [slachtoffer] laten weten dat hij samen met haar een toekomst wilde opbouwenen/ofdie [slachtoffer] laten weten dat hij pas met haar kon samenwonen als zij haarfinanciën op orde had en/offoto’s van die [slachtoffer] gemaakt ten behoeve van een of meer seksadvertentie(s)en/ofeen of meer account(s) en/of advertentie(s) aangemaakt en/of onderhouden bijsites als [website] .nl en/ofeen (zogenaamde) werktelefoon aangeschaft/in gebruik genomen en/of aan die[slachtoffer] verschaft en/ofcontacten onderhouden met klanten en/of seksafspraken gemaakt voor die[slachtoffer] en/ofeen of meer werkplek(ken) voor die [slachtoffer] geregeld waar zij die klanten konontvangen voor haar prostitutiewerkzaamheden en/ofdie [slachtoffer] vervoerd naar die werkplek(ken) en/of naar die klant(en) en/ofdie [slachtoffer] telkens gecontroleerd als zij klanten ontving en/of de (eigen)telefoon van die [slachtoffer] afgepakt en/of
[wanneer die [slachtoffer] weigerde klanten te ontvangen en/of liet weten te willenstoppen met die prostitutiewerkzaamheden]
tegen die [slachtoffer] gezegddat zij door moest werken en/ofdat als ze stopte ze naar haar vader gebracht zou worden en/ofdat zij pas weg mocht als zij alles had afbetaalden/ofdie [slachtoffer] mishandeld en/of aan haar haar getrokken en/of haar tegen murenen meubels gegooid/geduwd en/of een kussen op haar gezicht gedrukt en/ofgedrukt gehouden en/of haar gewurgd en/of die [slachtoffer] drugs gegeven om tegebruiken en/of
(zo goed als) al het geld dat die [slachtoffer] met haar prostitutiewerkzaamhedenverdiendevan die [slachtoffer] afgepakt en/ofdoor [slachtoffer] aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) af laten geven;
2hij in of omstreeks de periode van ongeveer 01 september 2020 tot en met ongeveer01 januari 2021 te Utrecht en/of De Bilt en/of elders in Nederland,
een hoeveelheid geld (eurobiljetten ter waarde van - in totaal - ongeveer €6420,=),althans een of meer voorwerpen
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist dat dat geld / die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstigwas/waren uit enig eigen misdrijf.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Verklaring van [verdachte]
heeft op 29 september 2026 ter zitting verklaard dat hij [slachtoffer] in oktober 2020 leerde kennen via Tinder, dat zij geld wilde verdienen in de prostitutie, dat hij haar daarbij heeft geholpen door foto’s van haar te maken, een advertentie voor haar aan te maken, afspraken met klanten voor haar te regelen, haar voor het werk met de auto te vervoeren en dat hij notities en administratie heeft bijgehouden. De in beslag genomen iPhone X is van hem.
Verklaringen [slachtoffer]
Aangeefster heeft in het verhoor van 17 januari 2021 onder meer het volgende verklaard:
Ik leerde [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) kennen rond september/ oktober 2020 via Tinder in de nacht. lk wou eigenlijk gaan slapen maar we bleven in gesprek gaan, van hoe gaat het. Het ging wel heel snel dat we gelijk gingen videobellen en dat hij gelijk allemaal dingen zei van: ‘ik heb het gevoel dat je het heel moeilijk hebt, dat je thuissituatie niet goed is’, dat was het eerste gesprek, en dat je veel problemen hebt en met dingen zit. Het voelde eigenlijk niet helemaal goed dat iemand al zoveel probeerde te achterhalen. Maar ergens vond ik het ook wel fijn om te worden begrepen door iemand, die je eigenlijk helemaal niet kent. Ik had het gevoel dat niemand me begreep. Toen kregen we een soort klik, dat hij me op mijn gemak liet voelen. In dat chatgesprek vroeg hij: ‘heb je geen Snapchat of een nummer want via hier is het heel raar om te praten’. Ik heb toen mijn nummer gegeven. Toen gingen we in het telefoongesprek meer praten en zei hij dat hij kon merken dat het niet allemaal makkelijk voor me was. lk vond het wel vreemd maar hij probeerde me goed te leren kennen, dus onbewust heb ik dingen gezegd over het verleden, over jeugdzorg en internaten. Hij vertelde dat hij een moeilijke thuissituatie had. Achteraf denk ik: het verhaal leek wel heel veel op dat van mij. Hij vertelde dat hij veel eigen problemen had, en dat hij me heel goed begreep. Hij kan heel goed op je gevoel praten. Daar begint die vertrouwensband, heel snel. Hij wou diezelfde nacht nog afspreken. Hij zei: ‘ik kan nu naar je toekomen’. Ik zei ‘liever morgen’. Dat vond hij goed. De volgende dag belde hij dat hij onverwachts naar Spanje zou gaan en dat onze afspraak dus niet door kon gaan. lk zei: ‘nou geen probleem’. Ik kende hem helemaal niet. Toen begon hij van: ‘wil je eigenlijk niet meegaan?’ Maar ik kende hem maar 1 dag, dus ik twijfelde. Ik zei ook tegen hem dat ik niet zoveel geld had om dat te kunnen bekostigen. Toen zei hij: ‘weet je wel hoeveel geld ik heb, meer om jaren van rond te kunnen komen, voor jou en voor mij’. Dat zei hij gelijk de tweede dag dat ik hem kende. Hij zei dat geld echt geen probleem was en dat hij zou betalen. Hij zei: ‘we gaan wel samen, ik haal je op’, maar op het laatste moment ging het niet door. Het was heel verwarrend. We hadden elkaar nog niet eens in het echt gezien en het was allemaal in 1 dag.
Toen hebben we met elkaar afgesproken, eigenlijk heel vriendschappelijk en we werden vrienden. We gingen gewoon alcohol drinken, film kijken, muziek luisteren, samen eten bij hem, op de [adres] in [woonplaats] . Daar was hij altijd maar het is niet officieel zijn huis. Het huis staat op de naam van zijn vriend, die ik heel vaak heb gezien, maar die heeft ook een huis in Spanje en als hij in het buitenland was kon [verdachte] daar wonen. [verdachte] had ook een eigen studio op de [straat] , maar die verhuurde hij.Op een gegeven moment waren we zo close, dat het begon te lijken op een relatie. Hij zei toen ‘waarom kom je niet gewoon bij mij samenwonen’. Ik zei op het laatste moment voordat we samen zouden wonen: ‘ik heb het financieel eigenlijk heel krap’. In eerste instantie zegt hij: nee het komt allemaal goed, ik kan je onderhouden wanneer je al je spullen hebt gepakt en al je contacten hebt verbroken’. Op het laatste moment, het is echt verwarrend, belde hij terug en zei hij: ‘ik denk toch dat als jij financieel niet stabiel genoeg bent, je beter daar kunt blijven of er moet een andere oplossing komen om samen de kosten te splitsen.’ Ik dacht: ik heb alles al achter me gelaten en overal afstand van genomen, op dat moment wil je ook gewoon doorzetten. Toen heb ik tegen hem gezegd ‘kan ik dat prostitutiewerk gaan doen om de huur te betalen’. Mijn huis was ik voor mijn gevoel al kwijt want ik zat met een huurachterstand en wist dat het niet lang ging duren voor ik daar weg moest. Plus ik had al zoveel contact met hem en hij wist mijn adres, dat ik een gevoel had van ik ga dit niet meer normaal kunnen afsluiten, het contact tussen mij en hem. Hij zei hij dat hij er heel erg van was geschrokken, dat hij echt ging huilen en zei ‘wat vraag je me nou, terwijl we al een relatie hebben, ik ben je vriend.’ Ik zei tegen hem ‘sorry, ik had het nooit mogen voorstellen, ik wil het ook eigenlijk helemaal niet’. Toen zei hij: ‘ja maar je hebt me nu al zoiets voorgesteld, als dit in jouw hoofd speelt en ik afstand van je neem, ben ik bang dat je in de verkeerde handen terecht valt. Dus wil ik je gaan helpen’. Diezelfde dag, een half uur of misschien een uur later, heeft hij me opgehaald. En hij zei ‘alles wordt geregeld’. Toen ik in het telefoongesprek aangaf dat ik eigenlijk niet meer wilde, zei hij ‘maar je snapt nu wel, nu je zoiets heb voorgesteld, dat je niet meer die woorden terug kunt nemen. Dat is wel iets heel groots wat je zegt. Je kunt niet doen alsof er niets is gebeurd.’ Hij zei: ‘ik ga alles voor je regelen, het komt allemaal goed, ik heb alles al voor je klaar. Nu ligt het niet alleen in jouw handen, je staat er niet alleen voor.’ Doordat hij me binnen een uur kwam ophalen had ik niet de tijd om rustig te kunnen nadenken. Die avond in zijn huis maakte hij gelijk duidelijk dat ik niet meer terug kon. Toen zijn we ons gaan voorbereiden en hielden ons bezig met foto’s maken, een site op [website] .nl maken, spullen halen en mijn eigen woonruimte regelen. Ik zou vanaf de studio aan het [straat] gaan werken. [verdachte] heeft de seksuele foto’s van mij gemaakt met zijn eigen telefoon. De foto’s zijn op die site gezet. Ik had spullen nodig om in te werken, lingerie en condooms. Dat had hij voorgeschoten. Ik stond op de site [website] .
De afspraak was dat we de helft zouden doen, of dat ik in ieder geval meer dan de helft zou krijgen en dat we het direct zouden verdelen. Maar het is niet zo gegaan. Op een gegeven moment had ik een werktelefoon om afspraken te maken. Die was voor mij. Hij zei ‘ik heb een nieuwe telefoon voor je.‘ Maar die afspraken zouden zij maken en daar viel niet over te discussiëren. Hij zei het is jouw telefoon, maar hij pakte het af, maakte alle afspraken en hield de telefoon in zijn bezit. Ik moest de telefoon terugbetalen. Heel veel dingen klopten niet. Hij zei ‘je kunt er alleen wonen en je bent vrij om te doen wat je wil’, maar mijn dagen waren vol met afspraken en na elke afspraak kwam hij binnen van ‘mag ik het geld’ voordat ik iets kon gaan doen. Of hij bleef hangen. Hij hield me altijd in de gaten. Toen ik zei dat ik hem echt leuk vond en zei dat ik verliefd op hem was geworden en wou stoppen met het werk zei hij dat we samen een toekomst zouden hebben maar dat het werk wel nodig was om uiteindelijk een normaal leven te kunnen leiden. En ‘je kan sowieso niet weg want er zijn al schulden gemaakt en je kan pas weg als je dat hebt afbetaald’. Eerst zou ik meer dan helft zelf krijgen, toen was het minder dan de helft, en op een gegeven moment moest ik ook de huur van 200 euro per dag betalen. Ik heb lang niks gehad. Het kon wel zijn dat hij een keer wel netjes de helft gaf, maar zelfs toen gaf hij veel minder dan de afspraak was omdat er ook nog wat af ging van het eten dat hij had betaald. Er ging altijd meer af dan was afgesproken. Er zijn ook veel dagen geweest, dat durf ik echt met 100% zekerheid te zeggen, dat ik echt niks heb gehad. Ik werkte vijf dagen in de week. Als het aan hem lag zou ik alles doen. Hij had alles aangevinkt. Het geld dat ik kreeg is eigenlijk per direct opgegaan aan levensmiddelen en benzine. Het hoogste aantal klanten dat ik op een dag heb gehad is zes. Er werd zoveel mogelijk contant betaald en anders werd het vooraf overgemaakt door een tikkie via de werktelefoon. Hij bracht mij naar een afspraak, er was heel vaak een vriend van hem bij, [bijnaam 1 medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: de medeverdachte).
[verdachte] heeft mij over de grond gesleurd en kussens op mijn hoofd geduwd in de hoop dat ik zou stikken. Ik had een klant met een lachgasfles. Op een gegeven moment kreeg ik allemaal telefoontjes van [verdachte] van ‘ja gaat alles wel goed’. Toen zei ik ‘ja, kapot leuk, ik krijg geld terwijl ik geen seks hoef te hebben dacht ‘hij daar anders over, stond binnen een kwartier aan de deur te bonken en zei ‘stuur hem weg’. Die klant wilde zijn geld terug omdat hij nog geen seks had gehad. Hij zei: ‘wat is dit? lk heb toch gezegd dat je moet doen wat ik zeg, dat je je afspraken moet nakomen’. Ik was zo geschrokken van dat intimiderende gedrag, dat ik tegen hem zei ‘weet je wat, ik ga gewoon naar huis’. Toen zei hij: ‘je kan niet naar huis, ik heb twee afspraken gemaakt. Ze hebben al vooraf betaald, en veel. Dus je moet sowieso naar die afspraken gaan.’ Toen ik op het punt stond om weg te gaan flipte hij helemaal. Hij pakte me vast en zei: ‘je kunt niet zomaar naar huis en je gaat me alles terugbetalen’. Hij pakte me vast, schudde me door elkaar en sleurde me over de grond aan mijn haar. En ook dat hij me wurgde, dat was daarvoor, dat hij me heel hard op bed gooide en dat hij me heel hard begon te wurgen. Dat ik echt bijna stikte. Hij zei: ‘je luistert niet he’. Dan ging hij weer opnieuw mijn keel dichtknijpen, echt wurgen, tot je echt breekt. Op een gegeven moment zei ik: ‘maak me dan maar dood. ik kan het niet meer aan’. Op dat punt was ik gekomen. Op een gegeven moment stopte hij. Hij zei ‘ga je nu gewoon normaal doen, ga je nu doen wat ik zeg?’ Toen zei ik: ‘nee ik ga nu naar huis, flikker, je hebt me bijna gestikt’. En toen flipte hij weer. Hij pakte me nog een keer bij mijn keel, gooide me door de kamer en op bed en ging toen met heel veel kussens op me liggen. Zijn vriend die heel vaak erbij was, die [bijnaam 1 medeverdachte] kwam ertussen en zei: ‘je gaat te ver.’ [bijnaam 1 medeverdachte] heeft ook met een andere telefoon zich voorgedaan als mij en afspraken gemaakt. Dat was ook zijn taak, dat hij zich heel de tijd bezig moest houden met mij. Ik heb voor het prostitutiewerk maar één keer geld gehad, ik kreeg 150 euro op een avond toen ik 500 euro had verdiend. Ik heb gewerkt op de [straat] en op de [adres] . Ik begon te werken rond 23 november 2020 en ben ermee gestopt op de dag dat ik bij het [hotel] in een taxi ben gestapt (de rechtbank begrijpt: 22 december 2020).
Op 25 maart 2025 heeft aangeefster bij de rechter-commissaris onder meer verklaard:
[verdachte] regelde voor mij de mannen met wie ik seksuele handelingen moest doen. Datregelde hij samen met [medeverdachte] via een telefoon waarvan ik zelf niet in het bezit was. Ik nam het geld aan, maar als de klanten weg waren, moest ik het geld aan [verdachte] overhandigen. Ik werd niet uit het oog verloren door [verdachte] en [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: de medeverdachte). Ze hielden mij altijd in de gaten.
In een proces-verbaal van bevindingen verstrekking en analyse historische gegevens [website] .NL staat onder meer het volgende:
Op 3 december 2020, om 13.50 uur werd een account op www. [website] .nl geregistreerd met Ad ID [Ad ID nummer] , onder de naam [werknaam 1 slachtoffer] . De laatste keer dat op dit account werd ingelogd was op 28 december 2020.
E-mail: [e-mailadres] @hotmail.com
Phone number: [telefoonnummer 2]
Het e-mailadres [e-mailadres] @hotmail.com komt voor in de Apple iPhone 6 die in beslag is genomen bij [slachtoffer] . Het blijkt dat ditzelfde e-mailadres gekoppeld is aan de advertentie.
Telefoonnummer
Op 16 februari 2021 zijn gegevens over de abonnementhouder gevorderd van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat bij de accountgegevens staat. Dit blijkt een prepaid nummer van Lyca. Het telefoonnummer komt ook voor in het proces-verbaal over het onderzoek aan de Apple iPhone 6; het nummer staat in de contacten bij de naam [werknaam 2 slachtoffer] .
Uit de activity log die hoort bij de advertentie blijkt dat [werknaam 2 slachtoffer] een van de namen is die zijn gebruikt bij deze advertentie.
De advertentie was in de periode van 8 december 2020 tot en met 22 december 2020 geregeld online, soms meerdere dagen achter elkaar.
Op 10 december 2020 wordt het telefoonnummer bij de advertentie gewijzigd van [telefoonnummer verdachte] naar [werktelefoon] .
Tussen 10 december 2020 en 22 december 2020 wordt 49 keer met aangekochte credits
betaald om de advertentie omhoog te plaatsen.
In de periode van 10 december 2020 tot 17 december 2020 wordt vier keer betaald voor
'Premium day', waarbij de advertentie boven de gratis advertenties wordt geplaatst.
In de periode van 10 december 2020 tot en met 17 december 2020 zijn vanaf een
bankrekening van [verdachte] ( [rekeningnummer] ) acht betalingen gedaan ten behoeve
van de advertentie met Ad ID [Ad ID nummer] .
In een proces-verbaal Escortcontrole [slachtoffer] staat onder meer het volgende:
Op 16 december 2020, heb ik verbalisant nogmaals de webcrawler en het daarbij horende telefoonnummer bekeken. lk zag dat de advertentie op de website www. [website] .nl.nog steeds actief en online was. Ik heb vervolgens contact gezocht met de vrouw die op de advertentie stond, middels het telefoonnummer [werktelefoon] en heb ik een afspraak gemaakt op het [adres] . De woning met huisnummer [huisnummer] was gelegen op de 19e verdieping. Op heb moment dat we op de 19e verdieping aankwamen zag ik dat een man ons tegemoet de lift in stapte. Ik zag dat een dame de deur opendeed die gekleed was in rode lingerie en herkende haar van de afbeeldingen van de seksadvertentie als [slachtoffer] . We hebben ons gelegitimeerd als zijnde politie en ik zag dat de kamer vermoedelijk was ingericht als prostitutie werkruimte. Kort nadat wij een gesprek met [slachtoffer] gevoerd hebben ging de mobiele telefoon van [slachtoffer] meerdere malen af.
Kort daarna hoorde ik dat de andere collega's in gesprek waren met een man. ik zag dat dit man was die ons in de lift tegemoet was gelopen. De identiteit van de man was [verdachte] . Wij zagen dat [verdachte] diverse spullen uit zijn zakken had gehaald. Wij zagen een pak briefgeld, met briefjes van € 100,- / € 50,- / € 20,-. [verdachte] verklaarde dat hij op [adres] te [woonplaats] had gewoond.
In een proces-verbaal van onderzoek aan de iPhone X van de verdachte staat onder meer het volgende:
Notities
In een notitie die is aangemaakt op 10 december 2020 zag ik bedragen waarin de naam van aangeefster, het woord [website] en de afkorting esc voorkomen. De notitie is bewerkt op 15 december 2020.
Donderdag 10 december
Esc 150 tikkie
50 cash
160 cash 20 [slachtoffer] tikkie
100 cash
35 ri betaald aan credit [website]
En 10 eten 8 € sigaretten
Vrijdag
Aan [slachtoffer] €50 cash geven voor
Tampons etc
Boodschappen €20
350 cash
Ook een andere notitie. Deze notitie is gemaakt op 14 december 2020 en gewijzigd op 17 december 2020.
14-12-20
Maandag
250 omzet
Onkosten
Hash 50
Sigaretten 8
Benzine 30
Eten 17
Telefoon 150
Bel tegoed 10
Promotie reclame 40
Chats
In een chat van 14 oktober 2020 om 23:46 uur stelt [verdachte] zich op [telefoonnummer verdachte] @s.whatsapp.net voor aan [slachtoffer] . Op 15 oktober 2020 lijken [verdachte] en [slachtoffer] te hebben afgesproken want [telefoonnummer verdachte] @s.whatsapp.net appt: ben er al.
[slachtoffer] geeft in haar aangifte aan dat zij heeft voorgesteld om in de prostitutie te werken. In een chat via WhatsApp op 23 november 2020, lijkt het gesprek daar over te gaan. De woorden in de chat zijn door elkaar gehusseld omdat de berichten zijn verwijderd van de telefoon.[verdachte] zegt in deze chat: 'hangen uit oplossing de je als wilt dat hoer'. Mogelijk staat hier: Dat je als oplossing de hoer uit wilt hangen. Het lijkt alsof [verdachte] dit niet leuk vindt. Uiteindelijk zegt hij: 'is helpen maar ga je wel goed ik', waardoor het lijkt alsof hij haar gaat helpen bij het 'de hoer uithangen'. [slachtoffer] geeft vermoedelijk aan dat ze hem niet nog verder wil afstoten: 'niet wil nog verder afstoten je want'. Uiteindelijk zegt [slachtoffer] waarschijnlijk dat ze hem niet wil verliezen: je verliezen vind is dat ik juist ook het leuk wil heel niet'. Mogelijk heeft [slachtoffer] er op dat moment veel voor over om [verdachte] niet kwijt te raken.
Op 4 december 2020 bevestigt [verdachte] in een voicebericht dat zij gaan samenwonen en samen gaan werken. [slachtoffer] antwoordt dat ze de zekerheid moet hebben dat hij haar niet laat vallen omdat zij andersom echt alles voor hem zou geven .
Prijzen
Ik zag in de chat prijzen met daarbij de duur van de afspraak. De prijzen die volgens de chat worden gehanteerd voor een afspraak met [slachtoffer] zijn:
- 100 euro voor een half uur;
- 150 euro, onbekend voor hoe lang;
- 180 euro voor een uur.
Betaalverzoeken
In de periode van 11 tot en met 14 december 2020 stuurde [verdachte] voor in totaal 2735 euro aan betaalverzoeken. Aangezien klanten voorafgaand aan de afspraak een Tikkie kregen, kan het zijn dat [verdachte] het betaalverzoek aanmaakte met een app van zijn bank op zijn eigen telefoon en dit betaalverzoek vervolgens doorstuurde naar de telefoon met het nummer [werktelefoon] , zodat vanaf dat nummer de Tikkies naar klanten gestuurd konden worden.
[verdachte] haalt [slachtoffer] op
Uit de chat blijkt dat [verdachte] in de vroege ochtend van 14 december 2020 naar [slachtoffer] toe komt en dat [slachtoffer] en [verdachte] vanaf ongeveer 5.50 uur vermoedelijk samen waren. Dat sluit aan op de getuigenverklaring van [getuige] , waarin zij verklaarde dat [slachtoffer] op 14 december 2020 rond 06.00 uur de woning van [getuige] had verlaten
[slachtoffer] gaat weg en wil dit leven niet
Op 22 december 2020 appt [slachtoffer] :
lk ga weg
1k wou jou niet dit leven het spijt me ri
Diensten en prijzen
In de chats met klanten is te zien dat er verschillende diensten mogelijk zijn: escort, thuisontvangst, tongzoenen, beffen en anaal. Ook worden er prijzen genoemd voor de diensten. Daarnaast wordt voor bepaalde diensten zoals anale seks extra geld gevraagd.
Prijzen voor escort en thuisontvangst
Uit de chats blijkt dat er verschillende prijzen worden gevraagd voor escort:
- 250 euro voor een uur escort;
- 150 euro voor een uur escort, exclusief transportkosten.
Voor thuisontvangst worden er ook verschillende prijzen gehanteerd:
- 100 euro voor 30 minuten;
- 80 euro voor 30 minuten;
- 50 euro voor 15 minuten.
In de telefoon zocht ik telefoonnummers die in de iPhone X opgeslagen zijn als contactpersoon en die de naam [medeverdachte] , [medeverdachte] , [bijnaam 2 medeverdachte] en/of [bijnaam 1 medeverdachte] bevatten:
Zoeken op het telefoonnummer van [contactnaam medeverdachte] + [telefoonnummer medeverdachte] leverde chats met een andere contactpersoon op: [contactpersoon] . Een deel van de tekst van de advertentie van [slachtoffer] op www. [website] .nl komt letterlijk terug in een chatbericht dat [medeverdachte] op 10 december 2020 aan [verdachte] . Ook de in de chat genoemde prijzen voor thuisontvangst en escort komen overeen met de advertentie van [slachtoffer] op www. [website] .nl.
Tikkies
In de chat tussen [verdachte] en [medeverdachte] stuurde [medeverdachte] op 13 december 2020 meerdere betaalverzoeken naar [verdachte] . Ik zag dat de betaalverzoeken en de volgorde overeenkwamen met een aantal betaalverzoeken die ik in een chat tussen [slachtoffer] en [verdachte] heb gezien. Als ik kijk naar de datum en het tijdstip waarop de betaalverzoeken door [medeverdachte] naar [verdachte] zijn verzonden, dan valt mij op dat de betaalverzoeken die naar [slachtoffer] worden gestuurd slechts een minuut en soms zelfs slechts seconden later zijn dan de betaalverzoeken die [medeverdachte] naar [verdachte] heeft gestuurd. De bedragen van deze Tikkies komen daarnaast overeen. [medeverdachte] stuurde betaalverzoeken naar [verdachte] en het lijkt alsof [verdachte] de betaalverzoeken met dezelfde bedragen vrijwel direct doorstuurde naar [slachtoffer] .
Verhuur woning
Op 6 december 2020 vraagt [medeverdachte] aan [verdachte] om de huur over te maken.
Video prostitutiecontrole
[verdachte] stuurt een video naar [bijnaam 2 medeverdachte] van het moment dat hij gecontroleerd werd in de buurt van een prostitutiecontrole 237 op het [straat] waar [slachtoffer] werd aangetroffen. [bijnaam 2 medeverdachte] zegt daarna dat hij er direct aan komt.
Financieel onderzoek
Uit het onderzoek op de bankrekening van [slachtoffer] naar: (A) de ontvangsten via Tikkie,
(B) de betalingen aan [verdachte] en (C) geldopnames/stortingen, blijkt het volgende vermoeden.
(A) Het vermoeden bestaat dat de ontvangsten via Tikkie (in totaal € 535) betalingen aan [verdachte] betroffen voor de seksuele diensten die [slachtoffer] met klanten heeft moeten uitvoeren.
Over deze 5 ontvangsten via Tikkie vallen de volgende zaken op:
• deze 5 Tikkies zijn ontvangen op 20, 21 en 22 december 2020, de periode waarin [slachtoffer] vermoedelijk seksueel werd uitgebuit
• de ontvangsten betroffen ronde bedragen die zijn te rijmen met de tarieven die door
[slachtoffer] zijn genoemd
• alle betalingen zijn verricht door mannelijke rekeninghouders
• bij een van deze Tikkies was bij de omschrijving " [werknaam 2 slachtoffer] " genoemd, wat overeenkomt met
de werknaam van [slachtoffer] in een seksadvertentie op [website] .nl
• 4 van de 5 ontvangsten via Tikkie zijn in de nachtelijke uren betaald, wat overeenkomt met
de verklaring van [slachtoffer] dat Tikkies werden betaald wanneer de pinautomaat gesloten
was
• de rekeninghouders van de betalingen kwamen alleen in deze periode voor op de
bankrekening van [slachtoffer]
• een van de rekeninghouders (genoemde [rekeninghouder] ) bleek ook voor te komen op de
bankrekening van [verdachte] met een betaling via Tikkie van € 35 vanaf de bankrekening van
[verdachte] .
(B en C) Bij de betalingen aan [verdachte] (in totaal € 162) en de afwijkende opgenomen bedragen vanaf de bankrekening (in totaal € 1.630), bestaat het vermoeden dat dit bedragen betroffen die [slachtoffer] moest afdragen aan [verdachte] als opbrengsten van de seksuele diensten die [slachtoffer] heeft verricht of ter vergoeding van kosten die [verdachte] zou hebben gemaakt.
Uit het onderzoek op de bankrekeningen van [verdachte] naar: (A) ontvangsten via Tikkie, (B) overige relevante ontvangsten en betalingen en (C) geldopnames/stortingen, blijkt het volgende vermoeden.
(A) Het vermoeden bestaat dat de ontvangsten via Tikkie (in totaal € 510), ook betalingen betreffen aan [verdachte] voor de seksuele diensten die [slachtoffer] met klanten heeft moeten uitvoeren. Deze Tikkies bleken ook voor te komen in de werktelefoon van [slachtoffer] .
(C) Bij de stortingen op de bankrekening van [verdachte] , bestaat het vermoeden dat dit opbrengsten betroffen uit strafbare feiten, waaronder 2 stortingen op 7 december 2020 (in totaal € 5.000) in de periode van de vermoedelijke seksuele uitbuiting van [slachtoffer] .
Uit het onderzoek op de bankrekeningen van [slachtoffer] en [verdachte] volgt het vermoeden dat via deze bankrekeningen (€ 535 + € 162 + € 1.630 + € 510 + € 5.000 =) € 7.837 aan [verdachte] is toegevallen als opbrengsten van seksuele uitbuiting van [slachtoffer] .
In het proces-verbaal van bevindingen Vaststellen identiteit [bijnaam 1 medeverdachte] staat onder meer het volgende:
Naar aanleiding van de verklaring van [slachtoffer] over de politiecontrole van 17 december 2021 en het onderzoek in de politiesystemen, is het zeer aannemelijk dat de [bijnaam 1 medeverdachte] waarover [slachtoffer] verklaart de volgende persoon is: [medeverdachte] , geboren op [1990] te [geboorteplaats] .
In het proces-verbaal van bevindingen PVB CIOT TOKMAK staat onder meer het volgende:
Ik zag dat het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte] op naam staat van [medeverdachte] met het adres [adres] te [woonplaats] . Ik zag in de politiesystemen dat de volgende persoon GBA ingeschreven staat op dit adres: [medeverdachte] geboren [1990] te [geboorteplaats] . Tussen 14 en 15 december 2020 werden door de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte] verschillende Tikkies verstuurd naar telefoonnummer [werktelefoon] met een totale waarde van 425 euro.
In het proces-verbaal van bevindingen Quickscan iPhone 6 [slachtoffer] staat onder meer het volgende:
Conversatie tussen [werktelefoon] .whatsapp.net en [telefoonnummer medeverdachte] .whatsapp.net (M):
[telefoonnummer medeverdachte] .whatsapp.net stuurt op 14 december 2020 een tikkie van € 50,- naar [werktelefoon] .whatsapp.net
[telefoonnummer medeverdachte] .whatsapp.net stuurt op 14 december 2020 een tikkie van € 350,- naar [werktelefoon] .whatsapp.net
[telefoonnummer medeverdachte] .whatsapp.net stuurt op 15 december 2020 een tikkie van € 25,- naar [werktelefoon] .whatsapp.net
In een proces-verbaal van bevindingen van 1 januari 2021 staat onder meer het volgende:
Op 31 december 2020 werd [verdachte] aangehouden op basis van de Wet Identificatieplicht. Bij de vervoersfouillering voelde ik iets in zijn jaszak zitten. [verdachte] zei dat dit een stapel geld was.
Tijdens de insluitingsfouillering kwam er een behoorlijk geldbedrag uit zijn kleding.
Dit waren twee apart verpakte stapels omringt met een elastiek. Het totaalbedrag betrof: 6420 euro, verdeeld in verschillende coupures, namelijk: 95x50 euro, 82x20 euro, 3x10 euro.