RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.267201.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 7 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair: op 9 oktober 2025 in Almere een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij het slachtoffer (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen,
subsidiair dat hij op 9 oktober 2025 door zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft gepleegd en dat het rijgedrag van de verdachte als zeer onvoorzichtig moet worden gekwalificeerd. De verdachte dient daarom partieel te worden vrijgesproken van het onderdeel roekeloosheid.
Daarnaast stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het letsel van het slachtoffer is te kwalificeren als lichamelijk letsel waardoor verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Van het bestanddeel zwaar lichamelijk letsel dient de verdachte daarom eveneens partieel te worden vrijgesproken.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde snelheid van ongeveer 175 kilometer per uur.
Daarnaast heeft de advocaat aangevoerd dat het letsel van het slachtoffer niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel en dat de gedragingen van de verdachte niet als roekeloos kunnen worden aangemerkt. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1 primair
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewijsoverwegingen
Feitelijke toedracht
Uit het procesdossier en de verklaring van de verdachte ter zitting volgt dat de verdachte op 9 oktober 2025 tegen 19:00 uur als bestuurder van een personenauto met zijn vriend [slachtoffer] reed op de Jac. P. Thijsseweg in de bebouwde kom van Almere. De toegestane snelheid op deze weg was maximaal 50 kilometer per uur. Het was aan het schemeren en het wegdek was droog. Naast de Jac. P. Thijsseweg staan aan beide zijden lantaarnpalen en bomen met aan de rechterzijde een brede grasberm. De verdachte was ter plaatse bekend. Ter hoogte van een kruising en net voor een vluchtheuvel heeft de verdachte vermoedelijk de macht over het stuur van zijn auto verloren en is hij met hoge snelheid rechts afgebogen richting het grasveld rechts naast de weg. In het grasveld raakte de auto in een slip en heeft tijdens de draai een lantaarnpaal geraakt. Vervolgens is de auto tegen een boom gebotst met als gevolg dat het voertuig vlak achter de voorstoelen doormidden is gebroken. Het achterste deel van de auto belandde op de rijweg, het voorste deel – waarin de verdachte en het slachtoffer zaten – belandde ondersteboven in het gras.
[slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte aanvankelijk rond de 120 kilometer per uur reed. [slachtoffer] heeft de verdachte toen gewaarschuwd dat hij te hard reed, omdat de weg hobbelig en bochtig was. De verdachte ging echter niet langzamer rijden. [slachtoffer] kan zich herinneren dat de verdachte vlak voor het ongeluk 175 kilometer per uur heeft gereden. Volgens getuige [getuige 1] , die op een paard richting de Jac. P. Thijsseweg reed, reed de verdachte twee keer zo snel als is toegestaan op de autosnelweg. Getuige [getuige 2] , die op de Jac. P. Thijsseweg liep, zag de auto van verdachte met hoge snelheid voorbij komen; zij zag dat de auto stuiterde over het wegdek.
Uit het uitlezen van de storingscodes van de elektronische regeleenheden van het voertuig blijkt dat de Crash Shut-Down was geactiveerd op 9 oktober 2025 om 19:57:47 uur. Bij de storingscodes waren verschillende gegevens geregistreerd, waaronder een voertuigsnelheid van 104 kilometer per uur. Hoogstwaarschijnlijk zijn de storingscodes opgeslagen als gevolg van de botsing tussen de Volkswagen en de boom. De geregistreerde snelheid van 104 kilometer per uur moet als absolute ondergrens worden beschouwd, omdat de auto als gevolg van het slippen door de grasberm al een deel van de snelheid zal hebben verloren.
Causaliteit
Aan de verdachte is overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) ten laste gelegd. Op grond van dit artikel is het een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor aan een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat of zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Dit betekent dat er een tweeledig causaal verband moet worden vastgesteld: ten eerste dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van de gedragingen van de verdachte en ten tweede dat als gevolg van dat ongeval een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat dan wel zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.
Dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen door het ongeval, lijdt op grond van zijn verklaring en de medische informatie die zich in het dossier bevindt geen twijfel. Hieruit blijkt dat hij ten gevolge van het ongeval een gescheurde milt en lever heeft, en een klaplong. Verder blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] dat hij niet geopereerd hoefde te worden, dat hij weer volledig zal herstellen en dat de verwachting is dat hij na ongeveer 2 maanden zijn lichaam weer mag gaan belasten. Op 16 december 2025 geeft de vader van [slachtoffer] aan dat het herstel van [slachtoffer] goed verloopt en dat hij slechts nog af en toe wat pijntjes heeft die aan het ongeval te wijten zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel moet worden aangemerkt als lichamelijk letsel waardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het veroorzaken van het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel.
Wat betreft het causale verband tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank merkt als oorzaak van het ongeval aan dat de verdachte als bestuurder van de auto de maximumsnelheid fors heeft overschreden. Waar een maximum snelheid van 50 kilometer per uur gold, heeft de verdachte minimaal 104 kilometer per uur gereden. Bovendien heeft de verdachte onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden. De verdachte heeft in de schemering met een veel te hoge snelheid een kruising benaderd en een vluchtheuvel. Het zijn deze gedragingen geweest die ertoe hebben geleid dat de verdachte de kruising en de vluchtheuvel niet of veel te laat heeft opgemerkt, waardoor hij de macht over het stuur is verloren en de auto in een slip is geraakt en uiteindelijk een lantaarnpaal heeft geraakt en vervolgens een boom met als gevolg dat de auto in tweeën is gebroken en tot stilstand is gekomen.
Het ongeval is naar het oordeel van de rechtbank dan ook toe te rekenen aan de verdachte.
Mate van schuld
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is vereist dat het rijgedrag van de verdachte roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend was. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Van belang zijn het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet volgens de Hoge Raad worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW beschrijft, niet uitputtend, een reeks gedragingen. Als de verdachte, door één of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Gelet op het wat hierboven reeds is overwogen met betrekking tot de gedragingen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich verwijtbaar zeer onvoorzichtig heeft gedragen en dat daardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank kwalificeert de combinatie van gedragingen als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van de verdachte. Daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onderdeel roekeloosheid. Op basis van het bovenstaande kan namelijk niet worden vastgesteld hoe lang en met exact welke snelheid de snelheidsovertreding en daarmee het gevaarlijke rijgedrag van de verdachte hebben geduurd. Vastgesteld kan worden dat de verdachte minimaal 104 kilometer per uur heeft gereden en zeer waarschijnlijk harder, maar hoeveel harder blijkt onvoldoende uit het dossier. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte niet kan worden gekwalificeerd als roekeloos in voornoemde zin. De rechtbank merkt wel op dat het rijgedrag van de verdachte grenst aan roekeloosheid.
Partiele vrijspraak snelheid 175 kilometer per uur
Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat de verdachte ongeveer 175 kilometer per uur heeft gereden. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van de snelheid van ongeveer 175 kilometer per uur die hem onder het eerste gedachtestreepje is ten laste gelegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 9 oktober 2025 te Almere als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Jac. P. Thijsseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, onvoorzichtig,
- met een snelheid van 104 kilometer per uur, een veel hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te rijden, althans door met een (veel) hogere snelheid te rijden dan daar ter plaatse verantwoord was en
- onvoldoende zijn snelheid te minderen bij het naderen van een kruising en een vluchtheuvel, en
- de macht over het stuur te verliezen en/of niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig te houden, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) van de weg is geraakt, tegen een lantaarnpaal is aangereden en vervolgens tegen een boom is gebotst; waardoor een ander, te weten [slachtoffer] letsel, te weten een gescheurde milt, gescheurde lever en/of klaplong werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straffen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht;
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 12 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht rekening te houden met de leeftijd, het blanco strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het verkeersongeval heeft veel impact op de verdachte gehad. Positief is dat de verdachte en het slachtoffer nog steeds vrienden zijn.
De advocaat heeft verzocht te volstaan met het opleggen van een taakstraf en een rijontzegging die gelijk is aan de tijd dat het rijbewijs van de verdachte reeds is ingehouden geweest. De advocaat heeft verzocht om geen voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf op van 150 uur. Naast de taakstraf legt de rechtbank een rijontzegging op van twaalf maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze straffen is gekomen.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft op zeer onvoorzichtige wijze zijn auto bestuurd, waardoor een verkeersongeval met letsel bij het slachtoffer is ontstaan. De verdachte is beginnend bestuurder en kende de omgeving van de aanrijding. De weg was hobbelig en er stonden aan beide zijden van de weg bomen en lantaarnpalen. Ook wist hij dat er op de Jac. P. Thijsseweg een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold.
De verdachte heeft deze maximumsnelheid zeer fors overschreden. Hij heeft namelijk in ieder geval – maar waarschijnlijk nog veel sneller dan – 104 kilometer per uur gereden. De bijrijder, tevens slachtoffer, heeft tegen de verdachte gezegd dat hij veel te hard reed. Desondanks heeft de verdachte zijn snelheid niet aangepast, is hij de controle over het voertuig verloren en is hij tegen een lantaarnpaal en vervolgens tegen een boom gebotst. Bij deze botsing is het voertuig doormidden gebroken. Het mag een wonder heten dat er als gevolg van de aanrijding niemand is overleden.
Met zijn handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers in het algemeen en het slachtoffer in het bijzonder, maar ook zijn eigen veiligheid, op onacceptabele wijze in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheden als verkeersdeelnemer ernstig veronachtzaamd. Het slachtoffer heeft een aantal maanden last gehad van de ernstige lichamelijk klachten en beperkingen die door het ongeval zijn veroorzaakt. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 1 september 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De officier van justitie heeft echter op zitting aangegeven dat de verdachte eerder een forse snelheidsovertreding binnen de bebouwde kom heeft begaan waarvoor hij op 17 juli 2025 een geldboete van € 240,00 heeft gekregen. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Op te leggen straffen
De rechtbank heeft voor wat betreft de strafoplegging gekeken naar straffen die voor vergelijkbare gevallen door rechtbanken worden opgelegd. Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedragingen en de gevolgen daarvan en met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, vindt de rechtbank een taakstraf van 150 uur passend en geboden. Als de verdachte de taakstraf niet (goed) uitvoert, wordt de straf vervangen door 75 dagen hechtenis.
Om de verkeersveiligheid te waarborgen en te bewerkstelligen dat de verdachte zich niet nogmaals schuldig zal maken aan verkeersdelicten, zal de rechtbank daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijvoertuigen te besturen opleggen. De rechtbank legt een rijontzegging op van twaalf maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Dat betekent dat de verdachte zijn rijbewijs niet opnieuw hoeft in te leveren mits hij zich aan de algemene voorwaarde houdt.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie en komt tot een hogere taakstraf, omdat zij de ernst van het feit zwaarder laat wegen. Daarnaast vindt de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel nodig als stok achter de deur om herhaling in de toekomst te voorkomen. Er is namelijk ondanks het zeer korte rijbewijsbezit sprake van twee ernstige overtredingen van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom. Ook heeft de rechtbank op zitting niet gezien dat de verdachte zijn les uit het ongeval heeft getrokken. Zo heeft hij bij de bevraging niet uit zichzelf verteld dat hij eerder een geldboete heeft gekregen voor een forse snelheidsovertreding, terwijl er meerdere keren aan de verdachte is gevraagd of hij vaker zo hard rijdt. Pas toen de officier van justitie de forse snelheidsovertreding van 17 juli 2025 opwierp, zei hij dat hij wel iets harder heeft gereden dan is toegestaan. De verdachte lijkt zijn rijgedrag en de snelheidsovertreding(en) te bagatelliseren. Hij heeft weinig reflectie getoond over hoe het ongeluk op 9 oktober 2025 heeft kunnen gebeuren en waarom hij zo hard heeft gereden. Dat de verdachte zich niets van de gebeurtenissen op 9 oktober 2025 kan herinneren doet hier niet aan af.
De rechtbank vindt het, gelet op het voornoemde, passend dat aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van drie jaar wordt verbonden.
6. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
7. De beslissing
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid feit en verdachte
Straffen
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Nijs, voorzitter, mr. H. den Haan en mr. B.F. Hammerle, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Tressel als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
(in de zaak met parketnummer 16.267201.25)
primair:
hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te Almere als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Jac. P. Thijsseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een snelheid van ongeveer 175 kilometer per uur, althans 104 kilometer per uur, een veel hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te rijden, althans door met een (veel) hogere snelheid te rijden dan daar ter plaatse verantwoord was en/of
- onvoldoende zijn snelheid te minderen bij het naderen van een kruising en/of een vluchtheuvel, en/of
- de macht over het stuur te verliezen en/of niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig te houden, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) van de weg is geraakt, tegen een lantaarnpaal is aangereden en vervolgens tegen een boom is gebotst; waardoor een ander, te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurde milt, gescheurde lever, geperforeerde darm en/of klaplong(en) werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond;
subsidiair:
hij op of omstreeks 9 oktober 2025 te Almere als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Jac. P. Thijsseweg,
- met een snelheid van ongeveer 175 kilometer per uur, althans 104 kilometer per uur, een veel hogere snelheid dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden, althans met een (veel) hogere snelheid heeft gereden dan daar ter plaatse verantwoord was en/of
- onvoldoende zijn snelheid heeft geminderd bij het naderen van een kruising en/of een vluchtheuvel, en/of
- de macht over het stuur heeft verloren en/of niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig heeft gehouden, waardoor hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) van de weg is geraakt, tegen een lantaarnpaal is aangereden en vervolgens tegen een boom is gebotst;