Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 617060 HA RK 26-172
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 20 oktober 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 1 september 2026 mr. K.G. van de Streek gewraakt. Mr. K.G. van de Streek (hierna: de rechter-commissaris) is de behandelend rechter in de zaak met het insolventienummer R.16/25/184 (hierna: de hoofdzaak).
Het wrakingsverzoek is op 6 oktober 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer.
Alleen verzoeker is naar de zitting gekomen. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. K.G. van de Streek als behandelend rechter-commissaris (hierna te noemen: de rechter-commissaris) in een zogenoemd inlichtingenverhoor ten aanzien van de schuldsaneringsregeling van verzoeker, zoals bedoeld in artikel 327 juncto artikel 105 van de Faillissementswet (hierna: Fw), in de zaak met het insolventienummer R.16/25/184.
Verzoeker heeft het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Volgens verzoeker heeft de rechter-commissaris tijdens het inlichtingenverhoor vooral zijn aandacht aan de bewindvoerder gegeven. Ook leek het erop dat de rechter-commissaris niet alle stukken uit het dossier kende, althans, dat hij deze niet heeft nagelopen. Verzoeker heeft in zijn spreeknotitie voor de (uitgestelde) zitting van 8 september 2026 zijn verzoek aangevuld.
De rechter-commissaris heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter-commissaris dit uitgelegd. Primair stelt de rechter-commissaris zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden tijdens een verhoor in het kader van artikel 327 juncto artikel 105 van de Fw. Dit verhoor is alleen bedoeld om de rechter-commissaris inlichtingen te verschaffen waarbij nog geen sprake is van een ‘partij’ in de zin van artikel 36 van het Rv. In dit verband doet de rechter een beroep op een wrakingsbeslissing van 6 juni 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:3564). Subsidiair heeft de rechter-commissaris zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
Na de reactie van de rechter-commissaris heeft verzoeker zijn verzoek aangevuld met leesnotities voor de zitting van 6 oktober 2026.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 36 van het Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ontvankelijkheid verzoeker
Het verhoor dat aanleiding was voor verzoeker voor de wraking vond plaats in verband met de informatieplicht die iemand die in een schuldsaneringstraject zit zoals verzoeker op grond van artikel 327 juncto artikel 105 van de Fw, heeft. Het verhoor was gepland op verzoek van bewindvoerder om discussies tussen verzoeker en de bewindvoerder uit de wereld te helpen.
Voor de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek is van belang of het inlichtingenverhoor is aan te merken als de behandeling door een rechter van een zaak tussen partijen. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1770) in een strafzaak bepaald dat onder het “behandelen van een zaak” moet worden verstaan: elke rechterlijke bemoeienis met een zaak, van welke aard en omvang dan ook. Dit begrip moet dus ruim worden uitgelegd. Naar het oordeel van de wrakingskamer geldt dit ook in het burgerlijk recht en is artikel 36 van het Rv om die reden ook van toepassing op een rechter-commissaris die in een schuldsaneringstraject een inlichtingenverhoor leidt waar degene die tot de schuldsanering is toegelaten en de bewindvoerder worden gehoord. Degene die tot de schuldsanering is toegelaten kan door het handelen en de beoordeling van de rechter-commissaris rechtstreeks en langere tijd in zijn belangen worden geraakt. De omstandigheid dat tijdens een inlichtingenverhoor geen verzoeken voorliggen, neemt niet weg dat een rechter-commissaris tijdens een dergelijk verhoor buiten de kernwaarden van onpartijdigheid en onafhankelijkheid zou kunnen treden. De wrakingskamer ziet gelet op het voorgaande geen grond om te oordelen dat het handelen van een rechter-commissaris in een inlichtingenverhoor niet aan het juridisch instrument van wraking onderworpen is. Verzoeker is dan ook ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
Omvang van het geschil
Verzoeker heeft na het indienen van zijn wrakingsverzoek aanvullende gronden ingediend in zijn spreeknotitie voor de (uitgestelde) zitting van 8 september 2026. Nadat de rechter-commissaris een reactie heeft gegeven op het wrakingsverzoek, heeft verzoeker met leesnotities voor de zitting van 6 oktober 2026 nog meer aanvullende gronden ingediend. Een deel van deze gronden sluiten aan bij de gronden die verzoeker heeft ingediend bij zijn initiële wrakingsverzoek en een deel van deze gronden komen daar niet mee overeen. De wrakingskamer heeft kennis genomen van deze stukken en is van oordeel dat deze aanvullende gronden - kort gezegd gaat het daarbij aldus verzoeker om het door de rechter-commissaris treden in een persoonlijk conflict en het meewerken aan een gecensureerd proces-verbaal - te laat zijn ingediend. Daarnaast is de wrakingskamer van oordeel dat ook in het geval de gronden wel op tijd waren ingediend, daaruit niet blijkt dat sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor ingenomenheid van de rechter-commissaris. De wrakingskamer zal hierna de gronden beoordelen die verzoeker heeft ingediend bij zijn wrakingsverzoek.
Inhoudelijke beoordeling wrakingsverzoek
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een partij. Daarnaast kan een partij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
De wrakingskamer is van oordeel dat uit de omstandigheid dat de rechter-commissaris meer aandacht zou hebben besteed aan de bewindvoerder dan aan verzoeker, geen vooringenomenheid blijkt. Zoals de rechter-commissaris in zijn reactie heeft weergegeven, heeft hij de discussiepunten puntsgewijs besproken en konden beide partijen daarop reageren. Dit blijkt ook uit de zittingsaantekeningen van de zitting van 1 september 2026. Een schending van het beginsel van hoor en wederhoor valt daarin niet te ontdekken. De wrakingskamer ziet in de zittingsaantekeningen overigens ook niet dat de rechter-commissaris meer aandacht zou hebben besteed aan de bewindvoerder. Voor zover de rechter-commissaris tijdens het verhoor verzoeker heeft onderbroken, heeft hij dat, zoals toegelicht in zijn reactie op het wrakingsverzoek, gedaan om de orde te bewaren. Dat mag en móet een rechter op zitting juist doen indien de orde verstoord dreigt te raken. De rechter voert de regie tijdens de zitting. Daarnaast kan uit de enkele omstandigheid dat een rechter-commissaris meer vragen heeft voor de ene partij dan voor de andere partij niet blijken van vooringenomenheid. Een rechter-commissaris mag namelijk een verhoor inrichten zoals hij dat wil, zolang het beginsel van hoor en wederhoor maar in acht wordt genomen. Verzoeker heeft nog gesteld dat de zittingsaantekeningen niet compleet zijn. Dat ligt voor de hand: zittingsaantekeningen worden doorgaans opgemaakt, zoals ook een proces-verbaal, als een zakelijke weergave van wat er is besproken. Volledigheid is niet het doel.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechter-commissaris tijdens het verhoor niet van alle stukken uit het dossier op de hoogte leek te zijn, althans dat hij die stukken niet heeft nagelopen. Hieruit volgt ook geen vooringenomenheid of een geobjectiveerde vrees daarvoor. De rechter-commissaris heeft namelijk toegelicht dat het verhoor enkel zou gaan over een aantal discussiepunten tussen verzoeker en de bewindvoerder, waarvoor het niet nodig was om alle documenten uit het dossier na te lopen.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter-commissaris waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter-commissaris werkt en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoeker met insolventienummer R.16/25/184 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. N.A.J. Purcell, voorzitter, mr. M.S.T. Belt en mr. C.S.K. Fung Fen Chung als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.
De griffier is verhinderd om
deze beslissing te ondertekenen.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.