RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/216785-25; 16/171378-25 (t.t.z. gevoegd); 16/089009-26 (t.t.z. gevoegd); 96/290399-24 (vord. tul); 16/256569-23 (vord. tul); 21-000618-23 (vord. tul) en 21-004263-23 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1989] in [geboorteplaats] (Marokko),
wonende aan de [adres] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
in de zaak met parketnummer 16/171378-25:
feit 1: in de periode van 12 april 2025 tot en met 18 april 2025 in Blaricum opzettelijk 3,20 gram cocaïne heeft verhandeld, dan wel aanwezig heeft gehad;
feit 2: op 21 april 2025 in Huizen opzettelijk 4,22 gram cocaïne heeft vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad;
feit 3: op 21 april 2025 in Huizen een auto heeft bestuurd, terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd;
feit 4: op 21 april 2025 in Huizen, terwijl tegen hem de verdenking bestond dat hij als bestuurder van een auto onder invloed had gereden, geen medewerking heeft verleend aan een bloedonderzoek;
feit 5: op 21 april 2025 in Laren opzettelijk 0,23 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 16/216785-25: op 1 juni 2025 in [woonplaats] goederen van [benadeelde 1] heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking;
in de zaak met parketnummer 16/089009-26 op 6 juli 2025 in [woonplaats] sleutels van [benadeelde 2] heeft gestolen;
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt bewezen dat de verdachte de feiten uit de beschuldiging heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de verdachte vrij te spreken van de woninginbraak in [woonplaats] (parketnummer 16/216785-25). De advocaat voert - kort gezegd - aan dat het alternatieve scenario van de verdachte, over hoe zijn DNA op een verplaatspaar object in de woning terecht is gekomen, niet door het dossier wordt weerlegd. Daarnaast bevat het dossier aanwijzingen dat een ander dan de verdachte in de woning is geweest.
De advocaat vraagt de verdachte ook vrij te spreken van de diefstal van voordeursleutels in [woonplaats] (parketnummer 16/089009-26), omdat het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt.
De advocaat voert geen verweer ten aanzien van de feiten in de zaak met parketnummer 16/171378-25.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van feit 5 in de zaak met parketnummer 16/171378-25
Uit het dossier blijkt dat de politie op 21 augustus 2025 in de woning van de verdachte in [woonplaats] een groene koker met 0,23 gram cocaïne heeft aangetroffen. Dit is ten laste gelegd onder feit 5. In de tenlastelegging staat echter als plaats waar dit feit is gepleegd ‘Laren’. Omdat de juiste pleegplaats niet in de tenlastelegging is opgenomen, zal de rechtbank de verdachte van dit feit vrijspreken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de overige feiten uit de tenlastelegging wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan vermeld.
(Bewijs)overwegingen
Ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 16/171378-25: gedeeltelijke vrijspraak van de ten laste gelegde periode
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 12 april 2025 in Blaricum in een brievenbus cocaïne heeft bezorgd. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte ook op 18 april 2025 een ponypack in diezelfde brievenbus heeft gestopt. Voordat de politie deze ponypack in beslag kon nemen, was deze al weggegooid. Zo is onbekend gebleven of er iets, en zo ja wat, in de ponypack zat. Dat de verdachte ook op 18 april 2025 cocaïne heeft afgeleverd, kan de rechtbank niet vaststellen, zodat hij hiervan wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/216785-25: verwerping alternatief scenario Op basis van de bewijsmiddelen oordeelt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 1 juni 2025 in [woonplaats] schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak. De rechtbank neemt in het bijzonder in aanmerking dat het DNA, aangetroffen op de schep in de garage van de woning, matcht met het DNA van de verdachte en dat deze match een sterke bewijskracht heeft. Daarnaast blijkt uit het forensisch onderzoek dat de afmeting van de schep overeenkomt met de braaksporen aan de woning.
De verdachte brengt bij de politie en op de zitting een alternatief scenario naar voren over hoe zijn DNA op de schep terecht is gekomen. De verdachte zegt dat hij op 1 juni 2025 met een vriend onderweg was met de auto. Het regende en de auto kwam vast te zitten in de modder. Dit was vlak bij de praktijk van zijn huisarts, die praktijk houdt in het pand van aangeefster. De verdachte liep vervolgens naar de woning van aangeefster en zag daar een schep in de voortuin staan. Deze heeft hij zonder iemand daarvan in kennis te stellen, gepakt om de auto uit de modder te graven, waarna hij de schep weer op dezelfde plek, naast de voordeur, heeft teruggezet.
De rechtbank oordeelt dat deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is. Het alternatieve scenario is op voorhand al moeilijk voorstelbaar en onaannemelijk en daar komt bij dat deze wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. De rechtbank overweegt dat de verdachte het alternatieve scenario niet concreet heeft gemaakt. Zo heeft de verdachte de vragen van de politie over het alternatieve scenario niet willen beantwoorden. De verdachte heeft de verklaring niet nader onderbouwd en ook wisselend verklaard. Zo zegt hij in zijn politieverhoor twee scheppen uit de voortuin van de woning te hebben meegenomen, terwijl hij op de zitting verklaart dat het om één schep ging. De verklaring van de verdachte over de vindplaats van de schep komt ook niet overeen met de verklaring van aangeefster. Volgens haar lag de schep niet in de voortuin, maar in het tuinhuis en is deze in jaren niet gebruikt. In tegenstelling tot wat de verdachte verklaart blijkt het, na onderzoek van de politie, niet te hebben geregend op 1 juni 2025. Ook de dag voor 1 juni 2025 heeft het niet geregend, zo blijkt uit datzelfde onderzoek.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank aan de alternatieve lezing van de verdachte voorbij en is het bewezen dat de verdachte heeft ingebroken in de woning. Dat er een voor aangeefster onbekende laptoptas is achtergebleven in de woning en er vingerafdrukken van een ander dan de verdachte op een ladekast in de woning zijn aangetroffen, maakt dit oordeel niet anders.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/089009-26: opzet op wederrechtelijke toe-eigening
De verdachte erkent op de zitting degene te zijn geweest die op 6 juli 2025 de sleutels uit de voordeur van de woning in [woonplaats] heeft gepakt en heeft meegenomen. De verdachte ontkent echter dat hij de sleutels wilde stelen. Hij wilde de sleutels veiligstellen en heeft de sleutels de volgende dag bij de gemeente afgegeven.
Dat de verdachte geen opzet had op wederrechtelijke toe-eigening van de sleutels, oordeelt de rechtbank, gelet op het dossier, niet aannemelijk geworden. Uit de beschrijving van de beelden maakt de rechtbank op dat de verdachte niet probeert de sleutels persoonlijk aan de huiseigenaren af te geven. Zo belt hij niet aan en maakt de verdachte weliswaar een kloppende beweging, maar raakt hij daarbij de voordeur nauwelijks aan. Op de beelden is te zien dat de verdachte meerdere malen aan de sleutels draait, kennelijk om de deur te openen. Verder komt de verklaring van de verdachte over de afgifte van de sleutels bij de gemeente, niet overeen met de informatie van de gemeente zelf. De verdachte zegt zich gelegitimeerd te hebben bij afgifte, maar volgens de gemeente heeft degene die de sleutels afleverde geen persoonsgegevens achtergelaten. Ook blijkt uit informatie van de gemeente dat de sleutels op 8 juli 2025 zijn afgeleverd, terwijl de verdachte verklaart de sleutels op maandag 7 juli 2025 te hebben ingeleverd. Daarnaast is bij de gemeente aangegeven dat de sleutels zijn gevonden op de [straat] in [woonplaats] , terwijl de verdachte zegt te hebben verteld dat hij de sleutels in de voordeur van de betreffende woning had gevonden. De rechtbank overweegt tot slot dat er voor de hand liggende alternatieven aanwezig waren om de sleutels, bij het aantreffen, veilig te stellen. Zo had de verdachte de sleutels in de brievenbus kunnen doen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in de zaak met parketnummer 16/171378-25:
feit 1: op 12 april 2025 te Blaricum opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 3,20 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2:
op 21 april 2025 te Huizen opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 4,22 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 3: op 21 april 2025 te Huizen, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Oranje Weeshuisstraat, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd;
feit 4: op 21 april 2025 te Huizen, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;
in de zaak met parketnummer 16/216785-25: op 1 juni 2025 te [woonplaats] een bijbel en een Indisch snijwerk en zilveren kandelaars en zilveren pepermuntdoosjes en een kaarsendover en sieraden en stenen, die geheel aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
in de zaak met parketnummer 16/089009-26: op 6 juli 2025 te [woonplaats] sleutels die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
in de zaak met parketnummer 16/171378-25:
feit 1 en feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3:
overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994; feit 4:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
in de zaak met parketnummer 16/216785-25:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
in de zaak met parketnummer 16/089009-26:
diefstal.
Strafbaarheid feiten en de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden die de reclassering adviseert. Daarnaast vordert de officier van justitie de verdachte een taakstraf van 200 uren, met aftrek van voorarrest, op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zo is hij in een kliniek behandeld voor zijn drugsverslaving en is hij op dit moment abstinent. Hij werkt mee aan verdere hulpverlening en behandeling, lost zijn schulden af en heeft een eigen woning. Detentie zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen. De advocaat vraagt daarom alleen een voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op, met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden (zoals in paragraaf 9 opgenomen). Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 200 uren op, met aftrek van voorarrest.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
In april 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
Zo heeft de verdachte kleinere hoeveelheden cocaïne vervoerd, afgeleverd en verstrekt. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen, harddrugs in het bijzonder, gevaar oplevert voor de volksgezondheid, aangezien deze stoffen sterk verslavend zijn en in de regel schadelijk zijn. Dit heeft de verdachte zelf ook ondervonden. Ook is het gebruik van harddrugs direct en indirect een oorzaak van vele vormen van criminaliteit, waaronder geweldsfeiten, in de maatschappij. Met zijn handelen draagt de verdachte hieraan bij.
Daarnaast heeft de verdachte op de openbare weg in een auto gereden, terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd, en geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Dit, terwijl de verbalisanten sterk het vermoeden hadden dat de verdachte onder invloed van middelen was, gelet op zijn hangende oogleden, zijn rode ogen, zijn vergrote pupillen en reactiesnelheid. Door medewerking te weigeren, kan de politie niet vaststellen of, en zo ja in welke mate, stoffen in het bloed aanwezig zijn geweest en in hoeverre de veiligheid van overige verkeersdeelnemers (mogelijk) in gevaar is gebracht. Met zijn handelen heeft de verdachte de regels die zijn opgesteld in het belang van de verkeersveiligheid geschonden.
Op 1 juni 2025 heeft de verdachte ingebroken in een woning in [woonplaats] . Woninginbraken leveren schade en hinder op voor de directe slachtoffers. Zo is braakschade ontstaan op verschillende deuren van de woning van aangeefster en zijn goederen van haar weggenomen, waaronder zilver en sieraden. Ook wordt de privacy en het gevoel van veiligheid van slachtoffers van woninginbraken ernstig geschaad, terwijl zij zich juist veilig moeten kunnen voelen in hun eigen woning. Daarnaast zorgen woninginbraken voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
Tot slot heeft de verdachte op 6 juli 2025 in [woonplaats] huissleutels, die nog in de voordeur zaten, gestolen. Dit is een vervelend feit. Het schaadt niet alleen het gevoel van veiligheid van de huiseigenaren, maar zorgt ook voor overlast en hinder. Niet wetende of (kopieën van) de voordeursleutels in omloop zijn, ligt het voor de hand dat aangever het slot van de woning heeft moeten vervangen. Met zijn handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor het eigendom van anderen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar het strafblad van de verdachte van 18 september 2026. Hieruit blijkt dat hij in het verleden veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen. In de afgelopen vijf jaar is de verdachte meerdere keren onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten en het overtreden van de Wegenverkeerswet, waardoor sprake is van recidive. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank neemt ook kennis van het rapport van Reclassering Inforsa van 3 augustus 2026, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker.
De reclassering beschrijft dat de verdachte vanaf maart 2025 een terugval heeft gehad in het gebruik van cocaïne. Dit heeft geleid tot overlastincidenten, delictgedrag en het niet naleven van bijzondere voorwaarden. De voorlopige hechtenis in deze zaak (parketnummer 16/216785-25) in juli 2025 zorgde echter voor een kantelpunt in het leven van de verdachte en sinds zijn schorsing heeft hij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De verdachte heeft zich van 5 september 2025 tot 3 juli 2026 laten opnemen voor een langdurig behandeltraject bij de Forensische Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA) van [instelling] . Sindsdien is de verdachte abstinent gebleven van verdovende middelen, wat wordt bevestigd door de negatieve urinecontroles. De verdachte toont zich gemotiveerd om de abstinentie voort te zetten. Zo werkt de verdachte goed mee aan de afspraken binnen het reclasseringstoezicht en volgt hij sinds 3 juli 2026 tot op heden een behandeling bij de Forensische Ambulante Zorg (hierna: FAZ) van Inforsa.
Gelet op de ernst van de verslavingsproblematiek, de sociaal-maatschappelijke achteruitgang en het delictgedrag in het verleden, acht de reclassering het aannemelijk dat sprake is van onderliggende problematiek bij de verdachte, waarvoor verdere begeleiding en behandeling nodig blijven. Zonder reclasseringskader bestaat er een verhoogd risico op terugval in middelengebruik en daarmee samenhangend delictgedrag. Het toezicht is noodzakelijk om de positieve ontwikkeling te bestendigen, de abstinentie te monitoren, de begeleiding binnen het begeleid wonen te ondersteunen en de verdachte toe te leiden naar een duurzame, zelfstandige woonsituatie. Het advies is het toezicht voort te zetten binnen een voorwaardelijk strafkader met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, ambulante behandeling, het verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op het gebruik van verdovende middelen en het meewerken aan de aflossing van schulden.
Ten aanzien van de strafmodaliteiten geeft de reclassering aan dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het lopende behandeltraject en zijn huisvesting (en zijn aanstaande woning in het kader van Huren Onder Voorwaarden) zal dwarsbomen. De verdachte is in staat een taakstraf uit te voeren.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor het vervoeren, afleveren en/of verstrekken van harddrugs (met een gewicht van 0-10 gram) is een taakstraf van 30 uren en voor het weigeren van een bloedonderzoek een geldboete van € 1.300,- en een OBM van 9 maanden. Voor een inbraak in een woning geldt als oriëntatiepunt bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden.
De op te leggen straf
De ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte rechtvaardigen de oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank oordeelt het echter niet wenselijk dat de verdachte opnieuw gedetineerd komt te zitten. De verdachte heeft al enige tijd in voorarrest gezeten en zo de consequenties van zijn handelen gevoeld. Tijdens zijn schorsing uit voorlopige hechtenis (met een intensief behandeltraject) heeft de verdachte hard gewerkt om abstinent te worden en zijn leven een positieve wending te geven. Dit is hem ook gelukt. Detentie zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen. De rechtbank ziet daarom aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden (zoals geadviseerd) aan de verdachte op te leggen. Zo krijgt de verdachte adequate hulp en behandeling en wordt hij ervan weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de (verslavings)problematiek van de verdachte en de benodigde (langdurige) begeleiding en behandeling, oordeelt de rechtbank een proeftijd van drie jaren passend.
Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank wel een forse onvoorwaardelijke taakstraf aan de verdachte opleggen, om hem (ook) op deze manier te laten ervaren dat zijn strafbare gedrag consequenties heeft.
Met de strafoplegging wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt én de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de toepassing van artikel 63 Sr anders, in het voordeel van de verdachte, meeweegt.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis (in de zaak met parketnummer 16/216785-25), gelet op de straf die aan de verdachte wordt opgelegd, opheffen.
6. In beslag genomen voorwerpen
In de zaak met parketnummer 16/171378-25 zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- verdovende middelen (3516418); - verdovende middelen (3516464);- een schaal (3516510); - een weegschaal (3516516); - verdovende middelen (3516530);- verdovende middelen (3516671); - een boek (3516456);- een bord (3516497);- papier, te weten een ponypack (3516493);- 4 kentekenbewijzen (3516512).
Daarnaast zijn in de zaak met parketnummer 16/216785-25 de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 2 stuks verdovende middelen (3559844).
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de verdovende middelen te onttrekken aan het verkeer. De overige voorwerpen die in verband kunnen worden gebracht met de verdovende middelen moeten verbeurd worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal alle verdovende middelen onttrekken aan het verkeer. Met betrekking tot deze voorwerpen is een deel van de feiten begaan. Daarnaast zijn verdovende middelen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de schaal, de weegschaal, het boek, het bord en de ponypack verbeurdverklaren, omdat met behulp van deze voorwerpen een deel van de strafbare feiten is gepleegd.
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal bevelen dat de kentekenbewijzen terug worden gegeven aan de rechthebbenden. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave van deze voorwerpen.
7. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straffen
Op 23 april 2024 is de verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnummer: 21/000618-23) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaar. De proeftijd van deze veroordeling is ingegaan op 8 mei 2024.
Op diezelfde dag is de verdachte door hetzelfde gerechtshof (parketnummer: 21/004263-23) ook veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaar. De proeftijd van deze veroordeling is ook ingegaan op 8 mei 2024.
De meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland heeft op 11 oktober 2024 (parketnummer 16/256569-23) aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd van deze veroordeling is ingegaan op 26 oktober 2024.
Bij vonnis van de politierechter van 26 maart 2025 van dezelfde rechtbank (parketnummer: 96/290399-24) is de verdachte tot slot veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is op 11 maart 2026 verlengd met 1 jaar.
Als algemene voorwaarde bij deze veroordelingen geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96/290399-24 af te wijzen. Ten aanzien van de zaken met parketnummer
21/000618-23, 21/004263-23 en 16/256569-23 vraagt zij de proeftijden te verlengen met 1 jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
De verdenkingen in deze strafzaak dateren uit 2025. In de tussentijd is de verdachte in maart 2026 nog door de politierechter veroordeeld, waarbij de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96/290399-24 aanhangig was. De politierechter heeft deze vordering niet toegewezen en slechts de proeftijd met 1 jaar verlengd. Als de huidige strafzaak gelijktijdig met die zaak was behandeld, had dit voor de vordering tenuitvoerlegging geen ander oordeel opgeleverd. Daarnaast hadden de overige vorderingen tenuitvoerlegging ook toen behandeld kunnen worden, dit is niet gebeurd.
Gelet op het voorgaande en de positieve ontwikkeling van de verdachte, is het volgens de advocaat onredelijk (één van) de vorderingen tenuitvoerlegging toe te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich binnen de proeftijden opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, zoals bewezen is verklaard in dit vonnis. In beginsel kan daarom tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen worden beslist.
De rechtbank is het met de officier van justitie en de advocaat eens dat vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96/290399-24 afgewezen moet worden, omdat deze voorwaardelijke straf al in maart 2026 beoordeeld is door de politierechter en de proeftijd toen met één jaar is verlengd.
Gelet op het standpunt van de verdediging en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - in het bijzonder zijn positieve ontwikkeling en de tot nu toe door de verdachte bereikte resultaten met betrekking tot abstinentie, dagbesteding en woonruimte - én de straf die de rechtbank aan hem zal opleggen, is de tenuitvoerlegging van de overige voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen niet passend.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding de proeftijden met 1 jaar te verlengen, omdat de proeftijd van (een groot deel) van de voorwaardelijke veroordelingen nog enige tijd zal doorlopen en de verdachte ook in deze strafzaak opnieuw een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaren opgelegd krijgt.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9. De beslissing
vorderingen tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 5 in de zaak met parketnummer 16/171378-25 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van drie jaren vast;
- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- geeft aan Reclassering Inforsa te Hilversum de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
beslag
onttrekking aan het verkeer
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
inzake parketnummer 16/171378-25:
inzake parketnummer 16/216785-25;
2 stuks verdovende middelen (3559844);
verbeurdverklaring
- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd inzake parketnummer 16/171378-25:
teruggave aan de rechthebbende
- gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de volgende voorwerpen inzake parketnummer 16/171378-25:
4 kentekenbewijzen (3516512);
vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21/000618-23:
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21/004263-23:
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/256569-23:
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96/290399-24:
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
voorlopige hechtenis
- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 16/216785-25.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mrs. V.A. Groeneveld en B.A. Nijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.
De oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/171378-25:
feit 1: hij in of omstreeks de periode van 12 april 2025 tot en met 18 april 2025 te Blaricum opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,20 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2:
hij op of omstreeks 21 april 2025 te Huizen opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 4,22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3: hij op of omstreeks 21 april 2025 te Huizen als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Oranje Weeshuisstraat, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;
feit 4: hij op of omstreeks 21 april 2025 te Huizen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
feit 5:
hij op of omstreeks 21 april 2025 te Laren opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,23 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
in de zaak met parketnummer 16/216785-25: hij op of omstreeks 1 juni 2025 te [woonplaats] , een bijbel en/of een Indisch snijwerk en/of een of meerdere zilveren kandelaars en/of een of meerdere zilveren pepermuntdoosjes en/of een kaarsendover en/of een of meerdere sieraden en/of een of meerdere stenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
in de zaak met parketnummer 16/089009-26: hij op of omstreeks 6 juli 2025 te [woonplaats] , gemeente Gooise Meren sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Bijlage II: Bewijsmiddelen
In de zaak met parketnummer 16/171378-25 :
De verdachte bekent dat hij de feiten uit de beschuldiging in deze zaak heeft gepleegd, zoals deze hierboven bewezen zijn verklaard. De advocaat heeft niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. De rechtbank zal de inhoud van de bewijsmiddelen daarom niet opschrijven en alleen de bewijsmiddelen noemen waarop zij haar oordeel baseert. De bewijsmiddelen zijn als volgt:
feit 1:
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 9 oktober 2026;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 22 april 2025;
- een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 april 2025;
feit 2:
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 9 oktober 2026;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 22 april 2025;
- een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 april 2025;
- een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 april 2025;
feit 3:
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 9 oktober 2026;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 22 april 2025;
- een geschrift, te weten de uitdraai BVI-IB van de verdachte van 21 april 2025;
feit 4:
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 9 oktober 2026;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 21 april 2025;
De verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de hieronder genoemde feiten. De rechtbank oordeelt echter dat deze feiten zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
in de zaak met parketnummer 16/216785-25 :
Aangeefster [benadeelde 1] verklaart onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:
Ik woon aan de [adres] in [woonplaats] . Op 1 juni 2025 omstreeks 15:15 uur kwam mijn dochter mij ophalen. Ik had de woning afgesloten. Omstreeks 22:15 uur kwam ik terug naar mijn woning. Ik liep naar de woonkamer en ik zag dat de kastjes openstonden. Mijn dochter was naar de garage toegelopen en zag een schop liggen. Deze schop ligt normaal in mijn tuinhuis en lag nu binnen. Ik hoorde dat mijn dochter zei dat de garagedeur openstond. Nu volgt een opsomming van wat er weg is: kandelaar van zilver, kaarsendover, de bijbel, Indisch snijwerk, zilveren kandelaar, twee zilveren pepermuntdoosjes, sieraden, stenen en een setje oorbellen.
In het proces-verbaal van forensisch onderzoek van verbalisant [verbalisant 3] staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:
Ik kwam voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat de sluitnaad van de schuifdeuren van de serre beschadigd was. Ik zag een grote beschadiging van circa 20 cm lang. Ik herkende deze beschadiging als braakschade. Ik zag dat de breedte van de beschadiging overeenkwam met de breedte van het blad van de tuinschop in de garage. Ik hoorde de aangever zeggen dat de tuinschop in de garage al jaren niet door haar gebruikt is. Ik heb de houten steel en handvat bemonsterd op de aanwezigheid van epitheel en veiliggesteld onder Sporen Identificatie Nummer (SIN) AAST8089NL. Ik zag dat de kopse kant van de sluitnaad van de garagedeuren beschadigd was. Ik zag dat de afmeting van de beschadiging circa 20 cm was.
In het rapport van de TMFI van 20 juni 2025 staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:
in de zaak met parketnummer 16/089009-26 :
De verdachte verklaart op de zitting van 9 oktober 2026 - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer:
Het klopt dat ik op 6 juli 2026 sleutels uit de voordeur van een woning in [woonplaats] heb gehaald.
Aangever [benadeelde 2] verklaart onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:
Ik woon, samen met mijn vrouw en zoon, op de [adres] in [woonplaats] . Op de camerabeelden is te zien dat een man op 6 juli 2025 onze voortuin inloopt en naar de voordeur toe gaat waar de sleutelbos in het slot zit. Ik had de avond ervoor de deur van binnenuit op het nachtslot gedraaid. Op de beelden is te zien dat de man net doet alsof hij op de deur klopt maar dit doet hij niet. Vervolgens draait de man de sleutel in het slot een paar keer van links naar rechts om vervolgens de sleutel uit het slot te halen en de sleutelbos mee te nemen.
In het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 4] staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:
Ik deed onderzoek naar de camerabeelden waarop de diefstal van de sleutels te zien was. Ik zie dat in het slot van de voordeur zich een sleutel bevindt. Ik zie dat een man de voortuin betreedt. Ik zie dat de man voor de voordeur staat en met zijn hand probeert op de voordeur te kloppen. Ik zie dat zijn hand de voordeur nauwelijks raakt. Ik zie hierna dat de man met zijn hand richting het slot van de voordeur beweegt om de sleutel in dit slot vast te pakken. Ik zie dat de man de sleutel een aantal keer draait. Ik zie dat de man de sleutel uit het slot neemt en dat hij met de weggenomen sleutel de voortuin verlaat.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.