RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/604249 / JL RK 25-882
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 december 2025, mee in de beoordeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [A] en [B] namens de Raad;
- [C] namens de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
De kinderrechter wijst het verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen af. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De Raad maakt zich zorgen om [minderjarige] , omdat hij veel zelfbepalend gedrag laat zien. Zo bepaalt hij zelf of en hoe de gesprekken verlopen rondom de hulpverlening voor zijn school. Het lukt de moeder niet voldoende om grip op hem te krijgen en aansturing aan hem te geven. Recentelijk heeft er tussen [minderjarige] en zijn moeder een incident met fysiek geweld plaatsgevonden. De Raad vreest dat de moeder door dit incident nog minder grenzen durft te stellen voor [minderjarige] . Ook maakt de Raad zich zorgen om het feit dat de moeder niet heeft meegewerkt aan het Raadsonderzoek. De moeder neemt hierdoor geen verantwoordelijkheid voor de zorgen die er zijn, waardoor de Raad geen volledig en duidelijk beeld van de thuissituatie heeft kunnen krijgen.
De kinderrechter ziet de zorgen van de Raad en ook dat het de Raad niet gelukt is om zicht op [minderjarige] te krijgen. De kinderrechter ziet echter ook dat [minderjarige] en zijn moeder contact hebben met de leerplichtambtenaar en het samenwerkingsverband en dat Christ for Youth is betrokken Deze instanties hebben wel zicht op [minderjarige] . Zo is onder meer afgesproken dat [minderjarige] gaat starten met een traject vanuit Concern voor werk. De kinderrechter heeft, net als de GI, de zorg dat wanneer er meer dwang komt binnen de hulpverlening, de moeder zich meer zal terugtrekken en uiteindelijk ook de huidige hulpverlening niet meer zal accepteren. Vanwege deze verwachting is het in het belang van [minderjarige] wenselijker om te proberen om de hulpverlening binnen het vrijwillige kader verder uit te bouwen, dan verplichte hulpverlening in te zetten. De kinderrechter doet hierbij een uitdrukkelijke oproep aan Veilig Thuis Flevoland en Jeugd Lelystad om te onderzoeken welke hulpverlening binnen het vrijwillig kader ingezet kan worden voor dit gezin.
5. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. M. Weistra, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 30 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.