ECLI:NL:RBMNE:2026:741

ECLI:NL:RBMNE:2026:741

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 03-03-2026
Zaaknummer C/16/582571 / BE ZA 24-65
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Erfrecht, beroep op art. 4:3 lid 1 aanhef en onder a BW en op art. 6:2 lid 2 BW slagen niet. Man heeft echtgenote opzettelijk om het leven gebracht tijdens een psychose. Hij is op grond van de wet niet onwaardig om van haar te erven, omdat hij daarvoor niet strafrechtelijk is veroordeeld, maar hem de maatregel van tbs met voorwaarden is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Erfrecht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/582571 / BE ZA 24-65

Vonnis van 21 januari 2026

in de zaak van

1. [eiseres sub 1] ,

wonende in [woonplaats 1] , gemeente Emmen,2. [eiseres sub 2],

wonende in [woonplaats 2] ,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

hierna samen: [eiseressen] ,

advocaat: mr. A.C. de Bakker, werkzaam in Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats 3] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna: [gedaagde] ,

advocaat: mr. Y. Moszkowicz, werkzaam in Utrecht.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verwijzingsvonnis van 9 oktober 2024,

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 4,

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 6 en 7,

- de nagekomen beslagstukken van [eiseressen] .

Op 9 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Om organisatorische redenen was dit niet in Lelystad, maar in Utrecht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. [eiseressen] hebben hun meer subsidiaire vordering ingetrokken en verzocht om aanhouding van de procedure.

Daarna heeft de rechtbank bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2. De zaak in het kort

Op [datum overlijden] 2022 is [erflaatster] (hierna: [erflaatster] )

overleden. [eiseressen] zijn de zus respectievelijk moeder van [erflaatster] . [gedaagde] is de echtgenoot

van [erflaatster] , met wie zij onder huwelijkse voorwaarden was gehuwd.

In een strafrechtelijke procedure heeft de rechtbank Midden-Nederland in een vonnis van 7 juni 2024 bewezen verklaard dat [gedaagde] [erflaatster] opzettelijk van het leven heeft beroofd en haar daaraan voorafgaand heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagde] niet strafbaar is, omdat hij ontoerekeningsvatbaar was als gevolg van een psychische stoornis. Hij heeft volledig gehandeld vanuit een paranoïde waan, zodat de strafbare feiten hem niet kunnen worden toegerekend. De rechtbank heeft [gedaagde] daarom ontslagen van alle rechtsvervolging en hem de maatregel van tbs met voorwaarden opgelegd. [gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In een arrest van 9 april 2025 is het hof Arnhem-Leeuwarden tot eenzelfde beslissing als de rechtbank gekomen, zij het deels met een andere motivering. [gedaagde] vindt dat hij had moeten worden vrijgesproken, omdat de bewezenverklaring volgens hem niet uit de bewijsmiddelen volgt. Hij heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest. Die procedure loopt nog.

[erflaatster] had geen testament laten opmaken. Op grond van de wet komt haar nalatenschap dan in beginsel aan haar echtgenoot toe. [eiseressen] vinden dat [gedaagde] gelet op de bewezenverklaarde feiten en bijkomende omstandigheden geen aanspraak kan maken op de nalatenschap en zij daarom in plaats van [gedaagde] de wettelijke erfgenamen van [erflaatster] zijn. [eiseressen] hebben conservatoir beslag laten leggen op de voormalige echtelijke woning en op persoonlijke spullen van [erflaatster] . In deze civiele bodemprocedure vorderen zij (in conventie), na eisvermindering tijdens de zitting, kort gezegd dat de rechtbank:

voor recht verklaart dat [gedaagde] op grond van artikel 4:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onwaardig is om van [erflaatster] te erven, dan wel

voor recht verklaart dat de algemene rechtsbeginselen, de beginselen van openbare orde en de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat aan [gedaagde] enige aanspraak toekomt op de nalatenschap van [erflaatster] en dat hij op grond van de redelijkheid en billijkheid onwaardig dient te worden geacht, en

[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

[gedaagde] voert verweer en heeft tegenvorderingen ingesteld. Hij vordert (in reconventie) kort gezegd dat de rechtbank:

voor recht verklaart dat hij enig erfgenaam is van [erflaatster] en dat hij niet onwaardig is om van haar te erven, en/of

de gelegde conservatoire beslagen opheft, en

[eiseressen] veroordeelt in de proceskosten.

Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde] niet onwaardig om van [erflaatster] te erven. Daarnaast is wat [eiseressen] hebben aangevoerd, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , onvoldoende om te kunnen concluderen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] aanspraak maakt op haar nalatenschap. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht. De rechtbank zal de gevorderde verklaringen voor recht niet geven, de gelegde conservatoire beslagen opheffen en [eiseressen] veroordelen in de proceskosten.

3. De beoordeling

in conventie

Geen aanhouding

[eiseressen] hebben de rechtbank tijdens de zitting verzocht de beslissing in deze zaak aan te houden (in ieder geval) tot de Hoge Raad in de strafrechtelijke procedure heeft beslist op het cassatieberoep en partijen daarover een akte hebben genomen. Ter onderbouwing van dit verzoek hebben [eiseressen] aangevoerd dat het voor de beoordeling in deze zaak van belang is dat het arrest van het hof onherroepelijk is en dwingende bewijskracht heeft, wat nu (nog) niet zo is. Verder is van belang dat er een verzekeringspolis is waarbij [gedaagde] mogelijk als eerste begunstigde is aangewezen. Dat moet nog verder onderzocht worden. Als dat zo is, dan kan [gedaagde] daar volgens [eiseressen] gelet op de bewezenverklaring evenmin rechten aan ontlenen. Zij willen in dat geval hun eis vermeerderen.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [eiseressen] . Hij heeft aangevoerd dat hij er vanwege zijn financiële situatie belang bij heeft dat er op korte termijn wordt beslist op zijn vordering tot opheffing van de beslagen en dat aanhouding in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de beslissing in deze zaak aan te houden in afwachting van de einduitspraak in de strafrechtelijke procedure door de Hoge Raad dan wel, na verwijzing door de Hoge Raad, door een hof. Als [gedaagde] uiteindelijk wordt veroordeeld, is hij namelijk van rechtswege onwaardig om van [erflaatster] te erven. Als [gedaagde] alsnog wordt vrijgesproken, is dat niet het geval en is er ook geen grond om hem zijn wettelijke aanspraak op de nalatenschap van [erflaatster] op grond van artikel 6:2 lid 2 BW te ontzeggen. De einduitspraak kan echter ook inhouden dat de beslissing van het hof van 9 april 2025 in stand blijft. Indien de rechtbank daar bij de beoordeling veronderstellenderwijs van uitgaat, dus uitgaat van de juistheid van het arrest van het hof, dan moeten de vorderingen van [eiseressen] naar haar oordeel worden afgewezen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.

De rechtbank ziet ook geen reden om de uitspraak in deze procedure aan te houden zodat [eiseressen] onderzoek naar de verzekeringspolis kunnen doen en daarna, zo nodig, hun eis kunnen vermeerderen. Deze procedure loopt al sinds september 2024. [eiseressen] hebben in de dagvaarding niets vermeld over de verzekeringspolis en zij hebben tijdens de zitting niet verklaard dat dit komt omdat zij pas onlangs van het bestaan van die polis op de hoogte zijn geraakt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [eiseressen] hiervan al eerder wisten. Dat toen voor hen nog niet duidelijk was of [gedaagde] de eerste begunstigde is, betekent niet dat zij over zijn mogelijke rechten niets hadden kunnen opmerken. In de dagvaarding of bij akte vermeerdering van eis hadden zij kunnen stellen dat als blijkt dat dat zo is, hij aan deze begunstiging geen rechten kan ontlenen. Dat zij dit niet hebben gedaan, moet voor hun rekening blijven.

Inleiding

Iemand kan door het verrichten van bepaalde handelingen van rechtswege onwaardig oftewel onbevoegd worden om te erven van de overledene. In artikel 4:3 lid 1 BW is limitatief bepaald in welke gevallen iemand van rechtswege onwaardig is. Dat is onder meer het geval als iemand ernstige misdrijven jegens de overledene heeft gepleegd. Erven nadat zulke gedragingen zijn verricht, wordt in strijd geacht met de openbare orde. Daaraan ligt het algemene rechtsbeginsel ten grondslag dat iemand die opzettelijk de dood van een ander veroorzaakt die hem begunstigd heeft, uit die begunstiging geen voordeel mag trekken. Verondersteld wordt dat onwaardigheid in deze gevallen in lijn is met de wil van de overledene, die zelf niet meer in staat is om diegene te onterven. Uit rechtspraak blijkt dat in uitzonderlijke gevallen ook aan de hand van het in artikel 8 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) opgenomen recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven tot het oordeel kan worden gekomen dat iemand onwaardig is om te erven.

In uitzonderlijke gevallen kan ook toepassing van de in artikel 6:2 lid 2 BW opgenomen norm van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat iemand geen aanspraak kan maken op een nalatenschap. Toepassing van artikel 6:2 lid 2 BW heeft dan dezelfde rechtsgevolgen als onwaardigheid.

Beroep op artikel 4:3 BW slaagt niet

[eiseressen] hebben primair een beroep gedaan op artikel 4:3 lid 1 aanhef en onder a BW. Daarin is voor zover van belang bepaald dat iemand die onherroepelijk is veroordeeld voor het ombrengen van de overledene van rechtswege onwaardig is om uit de nalatenschap voordeel te trekken.

Als de beslissing van het hof in stand blijft, dan geldt dat aan het vereiste van een onherroepelijke veroordeling niet is voldaan. Het hof heeft weliswaar bewezen verklaard dat [gedaagde] [erflaatster] opzettelijk van het leven heeft beroofd, maar heeft geoordeeld dat de strafbare feiten hem als gevolg van een psychische stoornis niet zijn toe te rekenen. [gedaagde] is de maatregel van tbs met voorwaarden opgelegd.

[eiseressen] hebben zich op het standpunt gesteld dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling in dit geval buiten toepassing moet blijven. Ter onderbouwing hebben zij onder meer verwezen naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak ‘de Roemeense erflater’. In die zaak had een man zijn echtgenote en zijn schoonmoeder gedood en enkele uren later zichzelf. Door de zelfmoord van de man is er geen strafrechtelijke procedure gekomen. Het EHRM heeft geoordeeld dat het hanteren van de eis van een onherroepelijke veroordeling in een onwaardigheidsbepaling vanwege uitzonderlijke omstandigheden in strijd kan zijn met artikel 8 EVRM en in zo’n geval daarom buiten toepassing moet blijven. Die zeer bijzondere omstandigheden waren volgens het EHRM de ernst van de gepleegde strafbare feiten en het volledig vaststaan van de schuld van de man gelet op de bevindingen van het openbaar ministerie, de bekentenis van de man en de erkenning van zijn schuld door zijn familie.

Ook in deze zaak staat gelet op de bewezenverklaring, behoudens cassatie, vast dat het handelen en nalaten van [gedaagde] tot de dood van [erflaatster] hebben geleid en is er sprake van bijzondere omstandigheden, aldus [eiseressen] . Zij hebben verder verwezen naar de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden in de zaak die vanwege haar gruwelijke omstandigheden de (veelzeggende) naam ‘de Beuningse martelmoord’ heeft gekregen. In die zaak had een man zijn echtgenote vermoord. In de strafrechtelijke procedure is vastgesteld dat hij haar opzettelijk om het leven heeft gebracht en dat hij (enig) inzicht in zijn handelen heeft gehad. De man is echter niet strafrechtelijk veroordeeld, omdat hij vanwege een psychische stoornis volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard. Hem is de maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd. Het hof heeft op basis van artikel 8 EVRM vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval geoordeeld dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven, zodat de man onwaardig is om van zijn echtgenote te erven. Volgens [eiseressen] is in dit geval sprake van een vergelijkbare zaak, waarin gelet op de bijzondere omstandigheden op dezelfde wijze onwaardigheid kan worden aangenomen.

De rechtbank volgt [eiseressen] niet in hun standpunt. De Hoge Raad heeft in de bovengenoemde zaak in cassatie inmiddels anders geoordeeld dan het hof. De Hoge Raad heeft, onder meer met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, overwogen dat onder de door artikel 4:3 lid 1 aanhef en onder a BW vereiste veroordeling niet kan worden verstaan een uitspraak van een strafrechter waarin wel is bewezenverklaard dat de verdachte een in die bepaling bedoeld feit heeft begaan, maar de verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een strafuitsluitingsgrond. Dat is in deze zaak ook het geval. De Hoge Raad heeft verder overwogen dat uit de uitspraak van het EHRM in de zaak ‘de Roemeense erflater’ volgt dat onder bijzondere omstandigheden artikel 8 EVRM eraan in de weg kan staan dat de nationale rechter een in een nationale regeling gestelde voorwaarde van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid onverkort handhaaft. Dat kan het geval zijn als iemand de erflater opzettelijk om het leven heeft gebracht en voldoende vaststaat dat dit aan zijn schuld te wijten is, maar geen strafrechtelijke veroordeling is gevolgd omdat hij is overleden. Het geval dat een strafrechtelijke veroordeling achterwege is gebleven omdat de strafrechter heeft geoordeeld dat de dader volledig ontoerekeningsvatbaar is (een situatie die zich ook in deze zaak voordoet), kan daarmee volgens de Hoge Raad niet op een lijn worden gesteld.

Nu niet aan de vereisten van artikel 4:3 lid 1 BW is voldaan, is [gedaagde] niet van rechtswege onwaardig. De rechtbank zal de onder 1. gevorderde verklaring voor recht daarom niet geven.

Beroep op artikel 6:2 BW slaagt niet

[eiseressen] hebben subsidiair een beroep gedaan op artikel 6:2 lid 2 BW. Daarin is bepaald dat een tussen een schuldeiser en een schuldenaar krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In artikel 3:12 BW is bepaald dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het geval betrokken zijn.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat artikel 6:2 BW in deze zaak niet van toepassing is. Uit de literatuur en jurisprudentie volgt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid alle vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen beheersen. Het leerstuk van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan daarom ook in het erfrecht worden toegepast en in het bijzonder in zaken waarin iemand erflater van het leven heeft beroofd, maar hem dat niet kan worden toegerekend en hij dus niet van rechtswege onwaardig is om te erven. Dat heeft de Hoge Raad in de bovengenoemde zaak ook gedaan. De Hoge Raad heeft overwogen dat ook indien iemand niet op grond van artikel 4:3 lid 1 aanhef en onder a BW van rechtswege onwaardig is om te erven zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat hij aanspraak heeft op een nalatenschap. Volgens de Hoge Raad waren deze omstandigheden in die zaak aanwezig, zodat de man geen aanspraak kon maken op de nalatenschap van zijn echtgenote. Aan deze toepassing van artikel 6:2 lid 2 BW worden dus dezelfde rechtsgevolgen toegekend als aan onwaardigheid van rechtswege.

De rechtbank stelt voorop dat het bepaalde in artikel 6:2 lid 2 BW terughoudend moet worden toegepast. Dit brengt mee dat in kwesties als deze sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat iemand de rechten uitoefent die hem als erfgenaam op grond van de wet toekomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiseressen] hun stelling dat er sprake is van deze bijzondere omstandigheden onvoldoende onderbouwd. Dit zal de rechtbank hierna aan de hand van de door hen aangevoerde omstandigheden toelichten.

[eiseressen] hebben aangevoerd dat het enkele feit dat uit de bewezenverklaring blijkt dat [gedaagde] opzettelijk het leven van [erflaatster] heeft ontnomen al moet leiden tot de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] van [erflaatster] erft. Daarin volgt de rechtbank [eiseressen] niet. Op grond van het bepaalde in artikel 6:2 lid 2 BW en artikel 3:12 BW moet de rechtbank bij de beoordeling de betrokken rechtsbeginselen en belangen afwegen aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft in de eerdergenoemde zaak de volgende omstandigheden betrokken. De man heeft zijn echtgenote op een gruwelijke wijze om het leven gebracht en zich in de jaren daarvoor op een zeer agressieve, grensoverschrijdende en angstwekkende wijze jegens zijn echtgenote en haar familie gedragen. Hij had de familie van zijn echtgenote bedreigd en bij hen ingebroken en goederen van hen vernield, waarvoor hij strafrechtelijk was veroordeeld. Ook speelde een rol dat de man de broer van zijn echtgenote ervan had beschuldigd dat hij haar had gedood. Daarnaast waren hij en zijn echtgenote pas twee jaar met elkaar (in gemeenschap van goederen) gehuwd en kenden zij elkaar pas drie jaar. Bij aanvang van het huwelijk had hij, anders dan zij, geen vermogen en haar vermogen bestond deels uit een aandeel in de nalatenschappen van haar ouders, die bij haar overlijden nog niet waren afgewikkeld. Het plegen van het misdrijf dat heeft geleid tot de dood heeft de Hoge Raad op zichzelf dus niet voldoende geacht. Dat is ook niet vreemd, want als dit wel voldoende zou zijn, zou het hiervoor genoemde artikel 4:3 lid 1 BW (waarin zoals vermeld de eis wordt gesteld van een onherroepelijke veroordeling) worden doorkruist.

Zoals vermeld, menen [eiseressen] dat de onderhavige zaak sterk overeen komt met de bovengenoemde zaak van de Hoge Raad. Zij hebben als bijkomende omstandigheden - samengevat - aangevoerd dat:

- [gedaagde] [erflaatster] op een gruwelijke wijze om het leven heeft gebracht,

- [gedaagde] zich voor het overlijden van [erflaatster] reeds lange tijd op agressieve, grensoverschrijdende en angstwekkende wijze jegens haar heeft gedragen en haar heeft geïsoleerd en gemanipuleerd en psychisch heeft mishandeld,

- [erflaatster] van [eiseressen] wilde scheiden,

- [eiseressen] vanwege de gedragingen van [gedaagde] een gegronde angst voor hem hebben en psychische klachten ervaren, die hen belemmeren in hun dagelijks functioneren,

- [gedaagde] weinig vermogen had toen hij met [erflaatster] trouwde en [erflaatster] tijdens het huwelijk grotendeels de kostwinner was, omdat [gedaagde] na een aantal jaren in de bouw te hebben gewerkt arbeidsongeschikt raakte,

- tot de nalatenschap een nog niet-opeisbare vordering van € 30.613,00 behoort, die [erflaatster] heeft verkregen uit de nalatenschap van haar vader.

Het hof is tot de bewezenverklaring gekomen dat [gedaagde] [erflaatster] omstreeks 23 november 2022 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door dreigend tegen haar te zeggen: “Het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek heb ik erin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent”, “En je vader is ook zo dood gegaan he.” en “Ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.” en door op [erflaatster] te gaan zitten ten gevolge waarvan haar ademhaling gedurende enige tijd werd belet. Dit vond plaats tijdens een handgemeen in de keuken, waarvan [gedaagde] een geluidsopname heeft gemaakt. Het hof is ook tot de bewezenverklaring gekomen dat [gedaagde] [erflaatster] opzettelijk van het leven heeft beroofd door geweld toe te passen op [erflaatster] door met kracht haar keel dicht te knijpen en dicht te houden ten gevolge waarvan zij op [datum overlijden] 2022 is overleden. Dit vond later die nacht plaats. [erflaatster] heeft daardoor letsel opgelopen, is in een reanimatie behoeftige toestand geraakt en is later in het ziekenhuis overleden.

Zoals in 3.3. is vermeld, gaat de rechtbank er voor de beoordeling van de vorderingen van [eiseressen] veronderstellenderwijs van uit dat dit oordeel van het hof in stand blijft. In het geval dus definitief komt vast te staan dat [gedaagde] [eiseressen] heeft gedood, is het begrijpelijk dat dit handelen van [gedaagde] veel impact heeft op [eiseressen] en dat zij daardoor een groot verdriet en angst ervaren. De rechtbank weegt echter mee dat het hof heeft vastgesteld dat [gedaagde] heeft gehandeld onder invloed van een psychose, zodat hem dit handelen niet kan worden toegerekend en hij niet strafrechtelijk is veroordeeld. Volgens [eiseressen] brengen de omstandigheden waaronder het handelen van [gedaagde] heeft plaatsgevonden mee dat hij desondanks niet kan erven. Zij hebben aangevoerd dat [erflaatster] , net als de erflaatster in de zaak waarin de Hoge Raad arrest heeft gewezen, op een gruwelijke wijze om het leven is gebracht. Zonder dat de rechtbank wil afdoen aan de ernst van het feit en het grote leed dat dit heeft veroorzaakt, zijn de omstandigheden van deze twee zaken op dit punt echter niet vergelijkbaar. In de zaak van de Hoge Raad heeft de man vanuit een (langdurige) psychose zijn echtgenote gedurende een langere periode veelvuldig en ernstig mishandeld en uiteindelijk op een zeer gewelddadige wijze om het leven gebracht. Dat [gedaagde] [erflaatster] vaker mishandelde, hebben [eiseressen] niet gesteld en het is ook niet gebleken. Daarnaast is het zo dat doodslag bijna altijd gepaard gaat met geweld. De rechtbank realiseert zich dat dit het verdriet voor de nabestaanden (in dit geval [eiseressen] ) nog moeilijker te dragen maakt. Toch kan de rechtbank niet anders dan meewegen dat het geweld waarmee [gedaagde] [erflaatster] volgens het hof om het leven heeft gebracht (hoe fors ook) van een andere orde is dan het geweld dat in de zaak van de Hoge Raad heeft plaatsgevonden.

[eiseressen] hebben ook naar voren gebracht dat [gedaagde] gedurende het huwelijk wantrouwend en controlerend was. Zij hebben in dit verband het volgende aangevoerd. [gedaagde] liet [erflaatster] nooit alleen met familie en vrienden, wat het contact tussen [erflaatster] en hen belemmerde. Volgens een verklaring van de zus van [eiseressen] (eiseres sub 1) had ze uiteindelijk nog twee vriendinnen, [persoon1] en [persoon2] . Als ze contact had met vriendinnen was dat aanleiding voor ruzie. [gedaagde] controleerde haar telefoon en luisterde haar gesprekken af. Ze had daarom een tweede telefoon. In de buurt hadden zij ook niet veel contact. [gedaagde] had met veel buren ruzie en heeft een aantal van hen bedreigd. [gedaagde] controleerde [erflaatster] ook op haar werk, waardoor zij daar problemen kreeg. Zij is toen een praktijk aan huis begonnen. Ook daar controleerde hij haar. Hij haalde haar daarnaast naar beneden, ook in het bijzijn van klanten, en kon wat hem betreft nooit iets goed doen. Om ruzies te voorkomen heeft zij zichzelf weggecijferd. Tijdens ruzies kon hij namelijk erg bedreigend naar haar zijn. Het manipulatieve gedrag van [gedaagde] is erger geworden in de laatste periode voor het overlijden van [erflaatster] , toen hij weigerde zijn medicatie te nemen. De mensen met wie [erflaatster] nog contact had, sprak zij niet meer, omdat zij bang voor hem waren. [erflaatster] is in november 2022 overstuur naar haar moeder gevlucht, waar zij een paar dagen heeft verbleven, omdat [gedaagde] heel bedreigend naar haar was. [erflaatster] heeft toen aan [eiseressen] verteld dat zij wilde scheiden, omdat zij vanwege de onhoudbare situatie niet langer bij hem kon en wilde blijven. Zij was bang voor (een confrontatie met) [gedaagde] en voor wat haar zou aandoen. Die angst was mede gebaseerd op het verleden.

[gedaagde] heeft betwist dat hij [erflaatster] heeft gedomineerd, gemanipuleerd, gecontroleerd en geïsoleerd. [gedaagde] was twintig jaar gehuwd met [erflaatster] en zij kenden elkaar als sinds hun jeugd, ruim veertig jaar. Volgens [gedaagde] hadden zij een regulier huwelijk, met de gebruikelijke ups en downs, en waren zij binnen dit huwelijk gelijkwaardig aan elkaar. Het contact van [gedaagde] met [eiseressen] is nooit intensief of hartelijk geweest, maar hij heeft zich nooit tegenover de familie van [erflaatster] misdragen. [gedaagde] heeft [erflaatster] ook niet beperkt. Zij maakte haar eigen keuzes, waaronder de keuze om bij [gedaagde] te blijven en hem te helpen toen hij psychische problemen had. [gedaagde] lijdt aan schizofrenie, waarvoor hij medicatie krijgt. Omstreeks 2007 heeft hij een psychotische periode doorgemaakt, waarin [erflaatster] hem heeft bijgestaan. Eind 2022 is [gedaagde] opnieuw psychisch ontregeld geraakt. Als gevolg daarvan werd hij achterdochtig en vermoedde hij dat [erflaatster] hem drogeerde. [erflaatster] heeft over deze toenemende ontregeling open gecommuniceerd met verschillende mensen om haar heen, ook in de dagen voor 23 november 2022. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij niet bang was voor [gedaagde] , maar dat de zorg voor hem te zwaar werd en dat zij daarom wilde scheiden. In november 2022 hebben [gedaagde] en [erflaatster] allebei enige tijd doorgebracht bij hun eigen familie vanwege de toegenomen spanning in hun huwelijk. Het gedrag van [gedaagde] jegens derden (zoals buren) was in de periode dat hij ontregeld raakte niet altijd even redelijk, maar ook tegenover hen heeft hij zich naar zijn zeggen nooit misdragen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing verwezen naar de verklaringen die twee buurmannen, een vriendin en een vriendin/oud-collega van [erflaatster] (de door [eiseressen] genoemde [persoon2] en [persoon1] ) in de strafrechtelijke procedure hebben afgelegd bij de rechter-commissaris.

Naar het oordeel van de rechtbank strookt de inhoud van die verklaringen niet met het door [eiseressen] geschetste beeld. De vriendinnen [persoon2] en [persoon1] hebben verklaard dat zij goed contact hadden met [erflaatster] en samen leuke dingen deden. Volgens hen waren [gedaagde] en [erflaatster] een goed team en deden zij veel samen. [erflaatster] heeft hen verteld dat [gedaagde] last had van psychoses en dat het minder goed met hem ging als hij zijn medicatie niet innam. Dan was hij in de war en achterdochtig. Volgens hen was [erflaatster] heel zorgzaam en maakte zij zich zorgen over hem. Zij is thuis gaan werken om voor hem te zorgen. Zij heeft desgevraagd aan hen verklaard dat ze niet bang voor hem was en niet geloofde dat hij haar wat aan zou doen. In november 2022 heeft zij hen verteld dat zij uit elkaar gingen en dat het niet goed ging met [gedaagde] . Op 22 november 2022 is een van hen nog bij [erflaatster] in haar praktijk geweest. Hoewel een van de buurmannen, op zijn beurt, heeft verklaard dat [gedaagde] soms opeens agressief kon worden, had [gedaagde] volgens hem wel veel voor [erflaatster] over en heeft hij nooit iets van frictie tussen hen gemerkt. De andere buurman heeft weliswaar verklaard dat [gedaagde] over iemand had gezegd “ik heb vijf kogels en een is er voor hem”, maar ook dat hij nooit heeft gemerkt dat [gedaagde] en [erflaatster] ruzie hadden, dat het een “prima kerel” was en dat hij wat er is gebeurd, nooit heeft zien aankomen. Dezelfde buurman heeft ook verklaard dat [erflaatster] hem in november 2022 heeft verteld dat [gedaagde] zijn medicatie niet meer innam en een psychose had. Ze heeft hem op de hoogte gehouden van de situatie en hem gezegd dat ze zich wel zou redden.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] had het op de weg van [eiseressen] gelegen om het door hen gestelde gedrag van [gedaagde] nader te onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiseressen] [erflaatster] heeft geïsoleerd, hij agressief tegen haar is geweest en haar psychisch heeft mishandeld. Dat [erflaatster] van [eiseressen] wilde scheiden heeft [gedaagde] weersproken en heeft [eiseressen] verder niet onderbouwd.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat ook hij tijdens het huwelijk aan de opbouw van het vermogen heeft bijgedragen. Volgens [gedaagde] heeft hij inkomen ingebracht en samen met familie de echtelijke woning in [woonplaats 3] gebouwd en daar later (ook weer zelf) een praktijkruimte en een plantenkas aan toegevoegd. Verder heeft hij samen met zijn broer een huis in Tsjechië gebouwd en daar samen met [erflaatster] een onderneming gedreven. [eiseressen] hebben dit niet weersproken. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen dat [erflaatster] tijdens het huwelijk (dat, zoals vermeld, twintig jaar heeft geduurd) als enige heeft bijgedragen aan de opbouw van het vermogen.

Het is invoelbaar dat [eiseressen] het onwenselijk vinden als [gedaagde] via de nalatenschap van [erflaatster] ook van de vader van [erflaatster] erft. Maar ook dat legt onvoldoende gewicht in de schaal, zeker nu het daarbij niet gaat om goederen, maar om de uitbetaling van een geldvordering. Anders dan in de zaak van de Hoge Raad het geval was, hoeven [eiseressen] en [gedaagde] dus niet samen een nalatenschap af te wikkelen. Als de vordering opeisbaar wordt, zal deze moeten worden uitbetaald als daarvoor voldoende vermogen aanwezig is.

De conclusie is dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de door [eiseressen] gestelde bijzondere bijkomende omstandigheden zich hebben voorgedaan. Dat is wel nodig om tot het oordeel te kunnen komen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseressen] van [erflaatster] erft. Dat [eiseressen] [erflaatster] volgens het hof heeft gedood en dat [eiseressen] daar begrijpelijkerwijze veel verdriet van hebben, is onvoldoende. Als dat voor de rechtbank wél voldoende zou zijn, zou de rechtbank daarmee de onwaardigheidsgronden van artikel 4:3 lid 1 BW feitelijk uitbreiden en dat is niet aan haar, maar aan de wetgever. Dit betekent dat het beroep van [eiseressen] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet slaagt. De rechtbank zal de door haar gevorderde verklaring voor recht daarom niet geven.

[eiseressen] hebben gevorderd om [gedaagde] in de beslagkosten te veroordelen. [eiseressen] hebben conservatoir beslag laten leggen tot levering van het aandeel in de eigendom van de voormalige echtelijke woning en tot afgifte van roerende zaken, omdat zij meenden dat zij in plaats van [gedaagde] van [erflaatster] zouden erven. De uitkomst van deze bodemprocedure is echter dat [gedaagde] de erfgenaam van [erflaatster] blijft. Dat betekent dat de beslagen zijn gelegd op basis van een niet aan [eiseressen] toekomende vordering. De beslagkosten die [eiseressen] hebben gemaakt komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

in reconventie

Geen belang bij verklaring voor recht

De rechtbank zal de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht niet geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] geen belang bij toewijzing van het gevorderde. Hij is op grond van de wet immers al enig erfgenaam van [erflaatster] en blijft dat zolang hij niet onherroepelijk is veroordeeld.

Opheffing gelegde beslagen

[gedaagde] heeft gevorderd dat de rechtbank de gelegde conservatoire beslagen opheft. Tijdens de zitting is de rechtbank gebleken dat er geen beslag is gelegd op de woning in Tsjechië. Zoals hiervoor is overwogen hebben [eiseressen] wel conservatoir beslag laten leggen tot levering van het aandeel in de eigendom van de voormalige echtelijke woning en tot afgifte van roerende zaken op basis van, naar nu is gebleken, een niet aan hen toekomende vordering. Dat maakt dat die beslagen moeten worden opgeheven. [eiseressen] hebben daartegen ook geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daartoe overgaan.

in conventie en in reconventie

[eiseressen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] in conventie en in reconventie worden begroot op:

- griffierecht € 87,00

- salaris advocaat € 1.842,00 (2 punten × € 614,00 en 2 punten × factor 0,5 × € 614,00)

- nakosten € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.207,00

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen van [eiseressen] af,

in reconventie

heft op het op 14 mei 2024 ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op het (onverdeeld) aandeel in de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats 3] en het op 5 februari 2025 ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag op de roerende zaken, die zijn vermeld in het daarvan opgemaakte proces-verbaal,

in conventie en reconventie

veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten van € 2.207,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [eiseressen] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis ten aanzien van 4.2. en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Elferink, mr. A.F. Hermans en mr. G. Konings en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?