ECLI:NL:RBMNE:2026:7481

ECLI:NL:RBMNE:2026:7481

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer 12187498/26-2452 en 12298571/26-4188
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Curatele, gaat om meerdere verzoeken van vader van curanda, zijn al meerdere uitspraken in geweest, groot deel van deze verzoeken zien op het verschaffen van informatie door de curator aan de verzoeker. Er is geen wettelijke verplichting van de curator om informatie aan verzoeker te verschaffen. Voor verschillende verzoeken ontbreekt de grondslag. Niet aansprakelijk verzoeker is niet-ontvankelijk. 12187498/26-2452 verzoek 2 zal worden voortgezet volgens regels dagvaardingsprocedure; wijst verzoeken 1, t/m 6 af. 12298571/26-4188 verzoeken 5 t/m 11 en 18 t/m 21niet ontvankelijk en wijst de overige verzoeken af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

zittingsplaats Utrecht

team Toezicht

Beschikking op verzoeken van:

[verzoeker] , wonende te [adres] ,

[postcode] [plaats] ,

verzoeker,

in de curatele van:

[betrokkene] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [plaats] ,

curanda.

1. De procedure

Bij brief van 7 april 2026, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 10 april 2026, heeft verzoeker een verzoekschrift (met bijlagen) ingediend. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder zaaknummer 12187498 UT VERZ 26-2452.

Bij brief van 7 mei 2026 heeft de griffier van de rechtbank verzoeker laten weten dat de kantonrechter voornemens is het verzoek af te wijzen tenzij -kort samengevat- verzoeker binnen drie weken ná dagtekening van de brief aangeeft dat hij een mondelinge behandeling van zijn verzoekschrift wenst.

Bij brief van 13 mei 2026 heeft verzoeker gereageerd op de brief van 7 mei 2026 en de kantonrechter verzocht een mondelinge behandeling te bepalen.

Bij brief van 17 juni 2026, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 19 juni 2026, heeft verzoeker een (2e) verzoekschrift (met bijlagen) ingediend. Dit verzoekschrift is geregistreerd met zaaknummer 12298571 UT VERZ 26-4188.

De mondelinge behandeling van beide verzoeken heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 27 juli 2026. Verzoeker is in persoon verschenen.

Beschikking is nader bepaald op heden.

2. De verzoeken

Overlegging van stukken
Loonmatiging en terugvordering curatorvergoedingen
Mentorschap
Aansprakelijkheid voormalige curator en kantoor
Overige voorzieningen

In zijn verzoekschrift van 7 april 2026 verzoekt verzoeker de kantonrechter (nb. nummering hieronder is van de kantonrechter):

In zijn verzoekschrift van 17 juni 2026 verzoekt verzoeker de kantonrechter:

Rekening en verantwoording

4. De curator te gelasten de in hoofdstuk 3 en 7 genoemde stukken, voor zover deze nog niet eerder aan verzoeker zijn verstrekt, alsnog te verstrekken, waaronder in ieder geval:

- ontbrekende bankafschriften van de beheerrekening vanaf februari 2020 t/m

1 juni 2020;

- het beginsaldo van de beheerrekening bij aanvang van de curatele;

- de bankafschriften van de naast de beheerrekening en leefgeldrekening aangehouden bankrekening over de periode februari 2020 tot en met 31 december 2021 inclusief het beginsaldo;

- taxatierapport, overzicht herstelkosten, verkoopfactuur en bijschrijving verkoopbedrag van de Mercedes [type] met kenteken [kenteken] ;

- urenverantwoordingen inzake extra curatorwerkzaamheden in hoofdstuk 6;

- onderliggende facturen van de in hoofdstuk 5 en 6 genoemde afschrijvingen;

- doorlopende toezending dan wel inzage in de bankafschriften beheerrekening vanaf 1 februari 2024 tot heden;

- en overige relevante bescheiden die noodzakelijk zijn voor een volledige beoordeling van het gevoerde beheer.

Schade aan de boedel

5. Vast te stellen dat de onder hoofdstuk 5 beschreven schadeposten dienen te worden betrokken bij de beoordeling van het gevoerde beheer.

6. Vast te stellen dat een belangrijk deel van deze schade volgens verzoeker voorkomen had kunnen worden indien tijdig en zorgvuldig door de beide curatoren was gehandeld.

7. Te beoordelen in hoeverre de onder hoofdstuk 5 beschreven schade aan de voormalige curator en/of de huidige curator kan worden toegerekend.

8. Bij de beoordeling rekening te houden met het feit dat de omvang van bepaalde schadeposten nog niet volledig kan worden vastgesteld wegens het ontbreken van essentiële stukken.

9. Vast te stellen dat in 2023 een bedrag van ten minste € 8.412,76 aan advocaatkosten ten laste van de boedel van curandus is gebracht.

10. Te beoordelen in hoeverre de in 2023 ten laste van de boedel gebrachte advocaatkosten noodzakelijk waren, in het belang van curandus zijn gemaakt en voorkomen hadden kunnen worden indien tijdig een beroep op gesubsidieerde rechtsbijstand was gedaan, alsmede in hoeverre de voormalige curator en/of de betrokken advocaat gehouden waren de mogelijkheden van gesubsidieerde rechtsbijstand vooraf te onderzoeken.

11. Deze advocaatkosten mede te betrekken bij de beoordeling van de schade aan de boedel, het gevoerde beheer en de verschuldigde curatorvergoedingen.

12. Te beoordelen in hoeverre de voormalige curator en de huidige curator aanspraak hebben dan wel hebben gehad op de volledig ten laste van de boedel gebrachte curator- en mentorvergoedingen.

12. Te beoordelen in hoeverre daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de taken die tot de curatele en het mentorschap behoren.

12. Voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is geweest van onvoldoende uitvoering van taken, onvoldoende beheer, onvoldoende verantwoording of vermijdbare schade voor de boedel, de toegekende vergoedingen overeenkomstig te matigen.

12. Voor zover rechtens mogelijk reeds uitgekeerde curator- en mentorvergoedingen geheel of gedeeltelijk ten gunste van de boedel van curandus terug te brengen.

16. Vast te stellen in hoeverre gedurende de betreffende periode daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de taken die tot het mentorschap behoren.

16. Deze beoordeling mede te betrekken bij de vaststelling van de verschuldigde mentorvergoedingen.

18. Vast te stellen dat de pensionering van de heer [bewindvoerder 1] per 1 juni 2023 niet afdoet aan zijn verantwoordelijkheid voor het beheer gedurende de periode waarin hij als curator van curandus optrad.

18. Te beoordelen in hoeverre de voormalige curator persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de in dit verzoekschrift beschreven schade aan de boedel.

18. Te beoordelen in hoeverre [bewindvoerder 1] , dan wel haar rechtsopvolger(s), verantwoordelijk kan of kunnen worden gehouden voor schade die gedurende de uitvoering van de curatele is ontstaan.

18. Voor zover volledige schadevaststelling binnen de onderhavige procedure niet mogelijk blijkt, vast te stellen dat de beoordeling van eventuele aansprakelijkheid en schadevergoeding in een afzonderlijke procedure kan worden voorgelegd.

22. Bij de beoordeling mede acht te slaan op het ontbreken van een afzonderlijke en controleerbare eindverantwoording door [bewindvoerder 1] na het ontslagverzoek van 7 februari 2024 en de daarop volgende overdracht van het dossier.

22. Te beoordelen in hoeverre de overdracht van het dossier tussen de voormalige curator, de opvolgende dossierbehandelaar(s) en de huidige curator zorgvuldig, controleerbaar en overeenkomstig de wettelijke verplichtingen heeft plaatsgevonden.

22. De correspondentie, verzoekschriften, reacties, verweerschriften en producties die eerder zijn overgelegd in de procedure met zaaknummers 10927271 AT VERZ 24-460, 11459586 AT VERZ 24-1882 en 11611488 UT VERZ 25-2545, alsmede de nadien in die procedure toegezonden stukken, als herhaald en ingelast te beschouwen en integraal te betrekken bij de beoordeling van het onderhavige verzoekschrift.

22. Te bepalen dat de rechtbank alle overige maatregelen kan treffen die zij in het belang van curandus en een juiste beoordeling van het gevoerde beheer noodzakelijk acht.

22. Althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.

3. De beoordeling

3.1

Alvorens de verzoeken te beoordelen merkt de kantonrechter het volgende op.

De kantonrechter heeft curanda niet doen uitnodigen voor de mondelinge behandeling. Dit gelet op de gezondheidstoestand van curanda. Curanda lijdt aan cognitieve stoornissen. Zoals hierna in 3.2 verwoord heeft de kantonrechter, in zijn hoedanigheid van toezichthoudend kantonrechter, curanda op 28 augustus 2025 bezocht. Een zinvol gesprek bleek niet meer mogelijk met curanda.

De kantonrechter merkt verder op dat verzoeker in een e-mail bericht van 5 mei 2026 de griffier heeft verzocht om een nota griffierechten en uitstel van betaling van griffierechten. Zoals op de mondelinge behandeling meegedeeld aan verzoeker: in zaken van curatele wordt griffierecht in rekening gebracht bij verzoeken tot instelling van curatele en verzoeken tot opheffing van curatele. Bij andere verzoeken (zoals de in deze procedure aan de orde zijnde verzoeken) wordt geen griffierecht in rekening gebracht.

Zoals ook op de mondelinge behandeling aan verzoeker uitgelegd is de curator niet opgeroepen voor de mondelinge behandeling omdat -voordat aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken wordt toegekomen- eerst de bevoegdheid van de kantonrechter, de ontvankelijkheid van verzoeker, de vraag of er een voldoende wettelijke grondslag voor de verzoeken bestaat en wie (voor welk verzoek) verweerder is dient te worden beoordeeld. De curator was overigens wel op de hoogte van de door de kantonrechter bepaalde mondelinge behandeling en zal een afschrift van deze beschikking ontvangen.

3.2

Bij de beoordeling van de verzoeken wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

- handhaaft de curatele t.a.v. [betrokkene] voornoemd wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand;

- wijst het verzoek tot ontslag van de curator af.

 Na tussenbeschikkingen van 15 april 2021 en 24 juni 2021 (waarbij het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren een deskundigenonderzoek heeft gelast) heeft het hof bij eindbeschikking van 22 februari 2022 de beschikkingen van de kantonrechter van 5 februari 2020 en 25 juni 2020 bekrachtigd. Voor zover thans van belang heeft het hof overwogen de conclusie van de deskundige dat mentorschap niet noodzakelijk lijkt en dat ondercuratelestelling een te vergaande maatregel is niet te zullen overnemen, dat er sprake is van ernstig verstoorde familieverhoudingen en

“Naar het oordeel van het hof blijkt uit de stukken en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de zoon alle vermogensrechtelijke beslissingen voor [betrokkene] neemt. [betrokkene] bevindt zich in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van de zoon, die als enige contact met [betrokkene] heeft. Zij is kwetsbaar en weinig weerbaar. Het hof is van oordeel dat deze afhankelijkheidspositie én de door de deskundige geconstateerde matige en gevorderde cognitieve stoornissen maken dat [betrokkene] als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is haar belangen van zowel vermogensrechtelijke als niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Het hof betrekt daarbij dat uit de overgelegde medische stukken blijkt dat [betrokkene] bekend is met recidiverende depressieve perioden met angsten en stemmingswisselingen en grote afhankelijkheid.

Het hof is van oordeel dat in dit geval een voldoende behartiging van de belangen van [betrokkene] niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening dan ondercuratelestelling kan worden bewerkstelligd. De zoon heeft aangevoerd dat de belangen van [betrokkene] voldoende worden beschermd door de bepalingen uit het levenstestament van 19 oktober 2019. In dat levenstestament is de zoon als algemeen gevolmachtigde aangewezen. Gelet op de hiervoor genoemde zorgen over de afhankelijkheidsrelatie van [betrokkene] ten opzichte van de zoon en gelet op de ernstig verstoorde familieverhoudingen, acht het hof dit echter niet in het belang van [betrokkene] .

De beschermingsmaatregelen bewind en mentorschap acht het hof onvoldoende. Een ondercuratelestelling heeft tot gevolg dat [betrokkene] in beginsel onbekwaam is rechtshandelingen te verrichten, zodat door [betrokkene] verrichte rechtshandelingen vernietigbaar of nietig zijn (artikel 1:381 lid 2 in verbinding met 3:32 lid 2 BW). Hoewel dit een ingrijpend gevolg is, acht het hof dit noodzakelijk voor de bescherming van de belangen van [betrokkene] . In de afgelopen periode is gebleken dat de curator geen toegang tot [betrokkene] heeft gekregen en geen zicht heeft gekregen op handelingen die door de zoon voor [betrokkene] of door [betrokkene] zelf zijn verricht. Zo is gebleken dat de huisarts een MMSE-test bij [betrokkene] heeft afgenomen en dat voor [betrokkene] een afspraak is gemaakt bij de geheugenpoli in het ziekenhuis, zonder dat de curator hiervan op de hoogte was. Ook heeft de curator geen enkel zicht op de financiële situatie van [betrokkene] . Vanwege het ontbreken van zicht en vanwege de hiervoor genoemde zorgen over de belangenbehartiging door de zoon, acht het hof het noodzakelijk dat [betrokkene] door middel van een ondercuratelestelling wordt beschermd tegen de gevolgen van eventuele voor haar nadelige rechtshandelingen.

De zoon heeft geen grieven gericht tegen de benoeming van [bewindvoerder 1] als curator. Tijdens de mondelinge behandeling op 9 december 2021 heeft de zoon slechts aangevoerd geen vertrouwen meer te hebben in de curator. Het hof ziet echter geen aanleiding om een andere curator te benoemen. Het hof acht een professionele, onafhankelijke curator in het belang van [betrokkene] . Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de curator die rol in de gegeven omstandigheden niet naar behoren verricht.”

- ontslaat [bewindvoerder 1] , voornoemd met ingang van de dag na de uitspraak van deze beschikking als curator;

- benoemt met ingang van de dag na de uitspraak van deze beschikking tot opvolgend curator [bewindvoerder 2] , voornoemd;

- bepaalt dat de huidige curator geen eindrekening- en verantwoording hoeft op te maken;

- bepaalt dat de huidige curator geen aanspraak kan maken op de beloning voor het overdragen van het dossier;

- bepaalt dat de opvolgend curator geen boedelbeschrijving hoeft op te stellen;

- bepaalt dat de opvolgend curator geen aanspraak kan maken op de beloning voor de aanvangswerkzaamheden.

 Bij brief, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 6 februari 2025, heeft de curator de kantonrechter geïnformeerd over:

(i) twee auto’s van het merk Mercedes welke aan de overleden echtgenoot van curanda toebehoorden, op welke auto’s in het verleden door [bewindvoerder 1] beslag is gelegd, dat verzoeker de auto’s ná inbeslagname bij de berger heeft opgehaald en dat een dochter van curanda ( [naam] ) -op wier naam de auto’s staan- de beide voertuigen als “gestolen” heeft laten registreren bij de RDW en

(ii) het feit dat haar werk als curator op het gebied van zorg onmogelijk wordt gemaakt door het handelen van verzoeker nu haar toegang (één op één) tot curanda door verzoeker wordt geweigerd.

Deze verklaring -door mij verkregen vorige week- verandert mijn standpunt ten aanzien van de voertuigen. De voertuigen zijn door middel van de werking van de wettelijke verdeling verkregen door curanda. Uit geen van de stukken of mededelingen van één van de kinderen blijkt dat de voertuigen door hen zouden zijn overgekocht van curanda danwel door haar zouden zijn geschonken. Tevens betaalt curanda de premie autoverzekering van beide voertuigen.

Mijn visie in deze is nu dat de voertuigen nog altijd tot het vermogen van curanda behoren en deze derhalve om die reden door mij verkocht mogen worden. Probleem in deze is dat één van de dochters, mevrouw [naam] , de voertuigen in oktober vorig jaar als “gestolen” heeft laten registreren in het RDW. Mevrouw [naam] is kentekenhouder van beide voertuigen.”

Een groot deel van de verzoeken van verzoeker zien op het verschaffen van informatie door de curator aan verzoeker. Voor wat betreft deze verzoeken overweegt de kantonrechter het volgende. Als curatele is uitgesproken legt de curator jaarlijks rekening en verantwoording af aan de kantonrechter. Er bestaat geen wettelijke verplichting om ook jegens familieleden rekening en verantwoording af te leggen, evenmin de verplichting om familieleden te informeren en/of te betrekken bij (belangrijke) beslissingen. Hoewel dit veelal wel verstandig is, is het aan de curator of en in hoeverre de curator familieleden informeert en/of betrekt. De verzoeken van verzoeker die zien op het verstrekken van informatie aan verzoeker (de verzoeken onder 3 en 4 uit het verzoekschrift van 7 april 2026 en de verzoeken 1 t/m 4 uit het verzoekschrift van 17 juni 2026) ontberen een wettelijk grondslag en worden reeds hierom afgewezen.

3.4

Ook de verzoeken onder 1 en 5 van het verzoekschrift van 7 april 2026 en de verzoeken 12 t/m 17 van het verzoekschrift 17 juni 2026 ontbreken een wettelijke grondslag. Bij wet is bepaald dat de curator periodiek verantwoording aflegt aan de kantonrechter, dat de curator voor bepaalde handelingen machtiging van de kantonrechter nodig heeft en dat de kantonrechter toezicht houdt op de curatele en op het functioneren van de curator. Verzoeker staat hier (de verantwoording door de curator en het toezicht door de kantonrechter) buiten en reeds hierom komen verzoeken die zien op de verantwoording door de curator en het toezicht door de kantonrechter niet voor toewijzing in aanmerking.

3.5

De verzoeken 5 t/m 11 en 18 t/m 21 van het verzoekschrift van 17 juni 2026 zien op schade die curanda volgens verzoeker heeft geleden. Voor wat betreft deze verzoeken overweegt de kantonrechter het volgende.

In artikel 1:386, lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat op het bewind van de curator de omtrent het bewind van de voogd toepasselijke voorschriften/bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn (artikelen 1:337-371 BW). De curator moet het bewind over het vermogen van de curandus als een goed curator voeren. Bij slecht bewind is de curator voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk (artikel 1:337 lid 2 BW).

Als een curator door of namens een curandus aansprakelijk wordt gesteld voor slecht bewind en schadevergoeding wordt gevraagd, dan is dit een verzoekschriftprocedure. De kantonrechter leest de verzoeken van verzoeker aldus dat hij namens curanda de curator aansprakelijk stelt en schadevergoeding verzoekt. Verzoeker kan echter niet namens curanda optreden. Dat kan slechts de wettelijk vertegenwoordiger van curanda (die zelf wilsonbekwaam is) en dat is de curator die curanda in en buiten rechte vertegenwoordigt. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter verzoeker niet-ontvankelijk zal verklaren voor wat de hier besproken verzoeken.

Gelet op het vorenstaande ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende.

Op grond van artikel 1:362 BW in verbinding met artikel 1:386 BW is de kantonrechter bevoegd ambtshalve de schade vast te stellen die het gevolg is geweest van slecht curatelebewind en de curator daarvan tot vergoeding te veroordelen. Het is de kantonrechter overigens niet gebleken dat er sprake is van slecht bewind door de curator zodat er geen aanleiding was en is om gebruik te maken van de hier bedoelde bevoegdheid.

3.6

Het verzoek onder 2 in het verzoekschrift van 7 april 2026 betreft een verzoek om de curator te veroordelen een bedrag ad € 13.962,71 uit het vermogen van curanda aan verzoeker te betalen. In zijn brief van 13 mei 2026 heeft verzoeker aangegeven dat de grondslag van zijn verzoek artikel 6:200, lid 1 BW (vergoeding van schade geleden als gevolg van zaakwaarneming) is.

De kantonrechter overweegt dat ten aanzien van verzoekschriftprocedures een gesloten systeem bestaat. De kantonrechter is slechts op grond van een concrete wetsbepaling bevoegd -en verplicht- tot het geven van een beschikking op een verzoekschrift.

Verzoeker heeft geen grondslagen aangevoerd die erop duiden dat de procedure bij verzoekschrift dient te worden aangebracht. Aangezien het verzoek is gebaseerd op zaakwaarneming en een geldvordering betreft, dient verzoeker een vordering in te stellen door middel van een dagvaarding.

Ingevolge artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de kantonrechter verplicht te onderzoeken of de procedure met het juiste procesinleidend stuk aanhangig is gemaakt. Indien de kantonrechter vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde “spoor” zit, dient hij ervoor te zorgen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste spoor.

Gelet op het bepaalde in artikel 69 Rv zal de kantonrechter bevelen dat onderhavige zaak, althans voor wat betreft het verzoek onder 2, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, een en ander zoals in de beslissing vermeld.

3.7

Het verzoek onder 6 van het verzoekschrift van 7 april 2026 alsook de verzoeken 22 t/m 26 van het verzoekschrift van 17 juni 2026 zijn te onbepaald en behoeven geen bespreking.

3.8

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

4. De beslissing

De kantonrechter:

In de zaak met zaaknummer 12187498 UT VERZ 26-2452

 beveelt dat de procedure, voor wat betreft het verzoek onder 2, in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;

stelt verzoeker daarbij in de gelegenheid om zijn stellingen zo nodig aan de op de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels aan te passen;

bepaalt dat de zaak op de rolzitting van de kantonrechter van de rechtbank Midden Nederland, locatie Utrecht, van woensdag 7 oktober 2026, 09.30 uur zal komen;

beveelt dat verzoekster curanda tegen de hiervoor genoemde dag en tijd -met inachtneming van de wettelijke termijnen- bij exploot zal oproepen, onder betekening van deze beschikking en het verzoekschrift van 7 april 2026;

bepaalt dat het door verzoeker te nemen processtuk uiterlijk 24 uur vóór aanvang van de hiervoor genoemde rolzitting op de griffie moet zijn ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

 wijst de verzoeken onder 1 en 3 t/m 6 af.

In de zaak met zaaknummer 12298571 UT VERZ 26-4188

 verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoeken onder 5 t/m 11 en zijn verzoeken onder 18 t/m 21;

 wijst de overige verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.W.J. van Veen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.W.J. van Veen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand