RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16-198760-25; 16-216474-23 (vord. tul).
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 1] ,
op dit moment gedetineerd in de PI [plaats 2] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 7 maart 2025 in Lelystad en/of in Den Haag, in ieder geval in Nederland, [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd;
feit 2
op 17 mei 2025 in Lelystad, in ieder geval in Nederland, samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een woning, waarbij gevaar voor personen en goederen te duchten was;
feit 3
in of omstreeks de periode gelegen tussen 7 april 2025 en 18 mei 2025 in Lelystad, in ieder geval in Nederland, telkens [aangeefster 1] heeft bedreigd.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 2 vordert de officier van justitie de verdachte partieel vrij te spreken van het onderdeel ‘levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert ten aanzien van feit 1 geen verweer over het bewijs. De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 2 en 3. De advocaat voert ten aanzien van deze feiten verschillende verweren over het bewijs. Deze verweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 en 3 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De verdachte bekent dat hij feit 1 heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen feit 2
Vormverzuim
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van feit 2 moet worden vrijgesproken, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Volgens de verdediging kan niet worden vastgesteld dat een schriftelijke machtiging is afgegeven voor het binnentreden van de woning op 23 mei 2025 ter inbeslagneming van de telefoon van de verdachte. De verdediging heeft aangevoerd dat dit verzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting van de belastende berichten die zijn aangetroffen op de telefoon van [aangeefster 2] , omdat haar telefoon na het binnentreden van de woning in beslag is genomen.
De rechtbank constateert dat zich in het dossier weliswaar geen schriftelijke machtiging tot binnentreden bevindt. Uit het proces-verbaal van binnentreden van de woning blijkt echter dat voor het binnentreden een machtiging is verleend. In het proces-verbaal wordt expliciet aangegeven dat middels een machtiging binnentreden woning de woning werd betreden. Daarnaast heeft de officier van justitie bij de zitting bevestigd dat hij destijds telefonisch contact heeft gehad met de politie en op de hoogte werd gehouden van de gang van zaken rond het binnentreden van de woning. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan het bestaan van een schriftelijke machtiging die aan het binnentreden ten grondslag lag. Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dus geen sprake.
Medeplegen en rol als opdrachtgever
Aangeefster [aangeefster 1] heeft verklaard dat de vriendin van de verdachte, genaamd [aangeefster 2] (de rechtbank begrijpt: [aangeefster 2] ), op 8 en 9 april 2025 is langsgegaan bij het werk van een vriendin van haar, te weten [vriendin] . Volgens [aangeefster 1] heeft [aangeefster 2] bij beide bezoeken tegen [vriendin] gezegd dat er een bom bij de woning van [aangeefster 1] zou worden geplaatst uit naam van de verdachte. Verder bevat het dossier WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en [aangeefster 2] waaruit blijkt dat de verdachte heeft gestuurd dat hij haar “osso gaat raggen”. De verdachte heeft bij de zitting verklaard dat dit bericht betrekking had op het huis van [aangeefster 1] . Verder blijkt uit die appgesprekken dat de verdachte in de ochtend van 17 mei 2025, ongeveer vier uur vóór het plaatsvinden van de ontploffing, aan [aangeefster 2] onder meer de volgende berichten heeft gestuurd:
“Geen stres”
“Verweider chats”
“Word geregeld vandaag”
"Ze denken allebei”
“Ze kunnen me testen toch”
“Ze zijn kleine kinderen omdat ik die [vriendin] platte hand heb gegeven toch maar is geen stres ze gaat het krijgen die negerin”
De rechtbank begrijpt dat deze berichten van de verdachte gaan over het conflict dat hij en [aangeefster 2] op dat moment hadden met [aangeefster 1] en [vriendin] . Verder begrijpt de rechtbank dat de verdachte met ‘die negerin’ [aangeefster 1] bedoelde. Uit het dossier volgt namelijk dat [aangeefster 1] een donkere huidskleur heeft en [vriendin] een lichte huidskleur. Ook merkt de rechtbank op dat op diezelfde dag met de telefoon van [aangeefster 2] via Google (de zoekmachine) en Google Maps een zoekslag is verricht naar het adres van [aangeefster 1] . Deze zoekslag vond plaats rond 16:45 uur, vlak na de ontploffing . De zoekslag sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat de verdachte in zijn hiervoor opgesomde berichten aan [aangeefster 2] erop doelde dat [aangeefster 1] de persoon was die ‘het ging krijgen’.
Weliswaar heeft de verdachte aangevoerd dat deze berichten van 17 mei 2025 gingen over een woninginbraak waar hij zelf niet bij betrokken zou zijn geweest, maar dat alternatieve scenario is niet aannemelijk geworden. De berichten bevatten geen aanwijzing dat deze gaan over een woninginbraak. Verder heeft de verdachte over dit scenario geen concrete gegevens verstrekt en het dossier bevat hiervoor ook geen steun. Daarbij komt dat in de berichten expliciet de naam ‘ [vriendin] ’ wordt genoemd, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat hiermee de vriendin van [aangeefster 1] werd bedoeld.
De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden niet anders kan dan dat de verdachte de opdrachtgever (en dus medepleger) is geweest van de ontploffing die op 17 mei 2025 bij de woning van de moeder van [aangeefster 1] heeft plaatsgevonden. De rechtbank merkt hierbij op dat de rol van de verdachte als opdrachtgever ook steun vindt in de bewoordingen die hij heeft gebruikt bij het bedreigen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . De verdachte heeft hierbij namelijk gezegd dat hij voor het “opblazen van hun huizen een neger kan sturen voor 200 euro”. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte kennelijk de middelen heeft om anderen in te schakelen voor het ergens tot ontploffing laten brengen van een explosief.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onderdeel levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, zoals ook door de officier van justitie en de raadsvrouw is betoogd.
Bewijsoverweging feit 3
Ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen gedachtestreepjes die zien op 9, 12, 17 en 18 mei 2025 blijkt nergens uit het dossier dat de betreffende berichten de aangeefster, [aangeefster 1] , hebben bereikt. Voor deze uitingen spreekt de rechtbank de verdachte partieel vrij. Anders ligt dit ten aanzien van de berichten van 7 en 9 april 2025. Het bericht van 7 april 2025 is rechtstreeks aan [aangeefster 1] verstuurd en heeft haar dus bereikt. Daarover is ook geen verweer gevoerd.
Met betrekking tot de berichten van 9 april 2025 overweegt de rechtbank als volgt. In de berichten schrijft de verdachte aan [aangeefster 2] over het “kapot gooien” van “haar osso”. De rechtbank maakt uit de context van deze berichten op dat de verdachte doelt op het huis van [aangeefster 1] . [aangeefster 1] heeft in haar aangifte verklaard dat [aangeefster 2] op zowel 8 als 9 april 2025 tegen [vriendin] heeft gezegd dat de verdachte een bom voor [aangeefster 1] ’s huis zou (laten) plaatsen. De bedreigende boodschap van de verdachte in zijn berichten aan [aangeefster 2] hebben [aangeefster 1] dus (via [vriendin] ) bereikt. Uit de aangifte volgt bovendien dat de verdachte op 8 april 2025 via Facetime meeluisterde toen [aangeefster 2] aan [vriendin] vertelde over de bom die de verdachte voor haar huis zou plaatsen. Met andere woorden: hij wist dat zijn bedreigingen op 8 april bij [aangeefster 1] ’s vriendin [vriendin] terechtkwamen. Gelet op deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de verdachte door op 9 april 2025 voornoemde berichten aan [aangeefster 2] te sturen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangeefster 1] (ook) op de hoogte zou raken van de in de berichten geuite bedreigingen en dat deze bedreigingen dus terecht zouden komen bij degene op wie ze betrekking hadden. De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals dit hieronder is bewezenverklaard.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 op 7 maart 2025 te Lelystad,[benadeelde 2] en [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met enig misdrijf waarvoor gevaar voor de algemene veiligheid van een of meer personen en goederen ontstond en met brandstichtingdoor die [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen- "Ik blaas van jullie allemaal de huizen op" en- “Jullie zijn mietjes. Je zoon ook. Je broer ook. Ik had hem niet los moeten laten. Ik had hem in elkaar moeten slaan” en- “Ik kom van de week naar Lelystad. Dan ga je zien wat er gaat gebeuren” en- “Ik hoef niet eens zelf te komen. Ik heb negers die voor 200 euro kunnen regelen. Je gaat zien. Ik ga jullie huis opblazen” en- “Wacht maar. Ik blaas jullie huizen op. Wacht maar tot [A] vrij komt dan ga je zien”,in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
feit 2 op 17 mei 2025 te Lelystad,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of opzettelijk brand heeft gesticht nabij een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] , door opzettelijk- een cobra, aan een flesje te bevestigen en dat flesje met daaraan een cobra op de stoep van de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] te plaatsen, en- (vervolgens) die cobra, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding/ontploffing te brengenterwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
feit 3 op 7 april 2025 en 9 april 2025 te Lelystad,(telkens) [aangeefster 1] (schriftelijk) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van een of meer personen en goederen ontstond en met brandstichting door (telkens)- op 7 april 2025 aan die [aangeefster 1] dreigend de woorden toe te voegen “Niet zulke dingen doen, dan gaan er problemen komen” en- op 9 april 2025 een (chat)gesprek te voeren met [aangeefster 2] waarin verdachte zegt (ten aanzien van die [aangeefster 1] ): “die negerin is sws de lul en “Ik ga vanavond met [B] naar [aangeefster 1] der osso” en “die osso kapot gooien” in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling, enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en brandstichting;
feit 2: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling, enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en brandstichting, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte, met het feit dat hij voor feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en met de omstandigheid dat de schade als gevolg van de explosie beperkt is gebleven. Verder verzoekt de verdediging om ten gunste van de verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten van de rechtspraak, te weten een gevangenisstraf van twee jaar in geval van een ontploffing met een gemeen gevaar voor goederen, omdat het hier geen standaard explosie betrof.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft meerdere personen, onder wie zijn ex-vriendin [aangeefster 1] , woordelijk bedreigd. Met deze ernstige bedreigingen heeft hij bij de slachtoffers grote angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Wat betreft [aangeefster 1] is het niet gebleven bij een bedreiging. De verdachte heeft zich – samen met anderen, in de rol van opdrachtgever – schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing door bij de woning van zijn ex-vriendin een vuurwerkbom tot ontploffing te laten brengen. Met dit handelen heeft hij een uiterst gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Hij heeft daarmee niet alleen zijn ex-vriendin, maar ook haar familieleden en de mensen uit de buurt buitengewoon veel angst aangejaagd. Hun gevoel van veiligheid in en rondom de eigen woning is hierdoor aangetast.
Ontploffingen zoals de onderhavige vormen bovendien een ernstig en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen bij de directe slachtoffers, maar ook in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid. Door zijn handelen heeft de verdachte zich onderdeel gemaakt van deze zorgwekkende ontwikkeling en daaraan een substantiële bijdrage geleverd.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van de verdachte van 19 januari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen vijf jaar meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten, waarbij aan hem ook forse straffen zijn opgelegd. De rechtbank zal het strafblad daarom in strafverzwarende zin meewegen.
Hoewel er geen deskundigenrapport is opgemaakt over de persoon van de verdachte, lijkt de verdachte een pro criminele houding te hebben. Zo volgt uit het dossier het gemak waarmee de verdachte spreekt over het geven van een opdracht aan iemand om de woning van een ander te vernielen/beschadigen. Op vragen van de rechtbank hierover heeft de verdachte meermaals gezegd dat hij dergelijke uitingen “gewoon uit emotie” heeft gedaan. De verdachte heeft geen verdere reflectie op zijn gedrag gegeven, of hiervoor verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank vindt dit bijzonder zorgelijk en weegt deze houding in het nadeel van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor een plofkraak betreft een gevangenisstraf van twee jaar. Hoewel in de onderhavige zaak geen sprake is van een plofkraak, is wel sprake van het tot ontploffing brengen van een explosief in de nabijheid van een woning waarbij gevaar voor goederen te duchten was. Dat de schade in dit geval relatief beperkt is gebleven, ziet de rechtbank niet als de verdienste van de verdachte en dus ook niet als strafmatigend. Gelet op de omstandigheden waaronder het explosief is geplaatst en het feit dat de verdachte als opdrachtgever heeft gefungeerd, ziet de rechtbank aanleiding aansluiting te zoeken bij dit oriëntatiepunt.
Daarnaast houdt de rechtbank, zoals hiervoor vermeld, rekening met de ernst van het feit, de pro criminele houding van de verdachte en ook zijn strafblad. Alles overwegende, is enkel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal echter een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, gelet op uitspraken in vergelijkbare zaken en het hiervoor genoemde oriëntatiepunt van de rechtspraak.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar op, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partijen
Vordering van [benadeelde 3]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van materiële schade.
Vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1]
[benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben zich als benadeelde partij gevoegd en hebben mr. P. Schouten gemachtigd om hen in dit kader te vertegenwoordigen.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 2] is gevorderd de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 13.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente (ter terechtzitting is de vordering naar beneden bijgesteld ten opzichte van schriftelijke vordering). Dit bedrag bestaat uit € 11.000,00 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] is gevorderd de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade.
Verder is namens de benadeelde partijen verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [benadeelde 3] moet worden afgewezen, omdat er geen relatie bestaat tussen hetgeen de vordering op ziet en de beschuldiging. De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat [benadeelde 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard met betrekking tot het materiële deel van de vordering. De officier van justitie verzoekt het immateriële deel van de vorderingen van zowel [benadeelde 2] als [benadeelde 1] gedeeltelijk toe te wijzen, tot een bedrag van elk € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om de vordering van [benadeelde 3] af te wijzen, omdat de gevorderde materiële schade ziet op een andere gebeurtenis dan de beschuldiging.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] verzoekt de verdediging om het materiële deel af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, enerzijds omdat deze kosten niet zijn onderbouwd en anderzijds omdat bij deze posten geen sprake is van rechtstreekse schade. Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] verzoekt de verdediging primair om de gevorderde immateriële schadevergoeding af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair om het bedrag aanzienlijk te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Vordering van [benadeelde 3]
De rechtbank wijst de vordering van [benadeelde 3] in haar geheel af. Met de officier van justitie en de verdediging constateert de rechtbank dat het gevorderde ziet op een pleegdatum en een gebeurtenis die geen betrekking hebben op de onderhavige beschuldiging. De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1]
Materieel – niet-ontvankelijk
De rechtbank verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] ten aanzien van het materiële deel (kosten voor verblijf safehouse) niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Zo ontbreken bijvoorbeeld stukken waaruit blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering eventueel aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immaterieel – niet-ontvankelijk
Vergoeding van immateriële schade is mogelijk op grond van art. 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat het immateriële deel van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] als [benadeelde 1] in dit geval op deze laatste grondslag zijn gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank begrijpt dat de situatie voor het gezin van de heer [benadeelde 2] bijzonder ingrijpend is geweest en dat de familie een moeilijke periode heeft doorgemaakt, mede als gevolg van de in deze zaak bewezenverklaarde bedreiging. Toch is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partijen onvoldoende gegevens hebben verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partijen onvoldoende met concrete gegevens hebben onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hen hebben gehad.
Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.
De benadeelde partijen krijgen geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vordering. De benadeelde partijen kunnen de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vorderingen terecht zijn ingediend. De benadeelde partijen moeten daarom elk de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vorderingen in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16-216474-23 op 24 juli 2024 een gevangenisstraf van 5 maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk ten uitvoer te leggen, zodat gestart kan worden met de bijzondere voorwaarden die horen bij deze voorwaardelijke straf.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten, hetgeen meebrengt dat de vordering tot tenuitvoerlegging voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank zal de tenuitvoerlegging echter slechts gedeeltelijk gelasten, namelijk voor een periode van twee maanden. Dit betekent dat een deel van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen en de eerder vastgestelde proeftijd met één jaar verlengen. Bij deze beslissing is rekening gehouden met de persoon van de verdachte. De rechtbank is met de advocaat van oordeel dat het wenselijk is dat de bijzondere voorwaarden die bij vonnis van 24 juli 2024 zijn opgelegd, van kracht blijven na de detentie.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 47, 57, 157, 285 van het Wetboek van Strafrecht;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1)
- verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1)
- verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 2)
- wijst de vordering van [benadeelde 3] af;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
- gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de door de meervoudige kamer van deze rechtbank bij vonnis van 24 juli 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, te weten voor een gedeelte van 2 maanden;
- verlengt de proeftijd met één jaar;
- wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen, voorzitter, mrs. B.F. Hammerle en H.J. van
Woudenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.L. den Hoedt, en is in het openbaar
uitgesproken op 3 maart 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Lelystad en/of Den Haag, in ieder geval in Nederland,
[benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met enig misdrijf waarvoor gevaar voor de algemene veiligheid van een of meer personen en/of goederen ontstond
en/of met brandstichting
door die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen
- " Ik blaas van jullie allemaal de huizen op" en/of
- “ Jullie zijn mietjes. Je zoon ook. Je broer ook. Ik had hem niet los moeten laten. Ik had hem in elkaar moeten slaan” en/of
- “ Ik kom van de week naar Lelystad. Dan ga je zien wat er gaat gebeuren” en/of
- “ Ik hoef niet eens zelf te komen. Ik heb negers die voor 200 euro kunnen regelen. Je gaat zien. Ik ga jullie huis opblazen” en/of
- “ Wacht maar. Ik blaas jullie huizen op. Wacht maar tot [A] vrij komt dan ga je zien”,
in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
Feit 2
hij op of omstreeks 17 mei 2025 te Lelystad, in ieder geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of opzettelijk brand heeft gesticht aan/nabij/bij een woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1] , door opzettelijk
- een cobra, althans een explosief voorwerp, aan/op een of meer flesjes met daarin een brandstof te tapen/vast te plakken/te bevestigen en/of die flesjes met daarop/daaraan een cobra, althans een explosief voorwerp, op de stoep en/of voor de voordeur, althans
in de directe nabijheid van de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] te plaatsen, en/of
- ( vervolgens) die cobra, althans een explosief voorwerp, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding/ontploffing te brengen
terwijl daarvan gemeen gevaar voor aangrenzende en/of omliggende woningen en/of aldaar geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was
en/of levensgevaar, althans gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemde woning bevindende personen, te weten onder andere de bewoners [aangeefster 1] en/of haar moeder en/of haar zus, en/of anderen zich in
aangrenzende/omliggende woningen bevindende personen,
in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
Feit 3
hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 7 april 2025 en 18 mei 2025 te Lelystad, in ieder geval in Nederland,
(telkens) [aangeefster 1] (schriftelijk) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met openlijk in vereniging geweld plegen tegen een of meer personen en/of goederen en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van een of meer personen en/of goederen en/of gemeen gevaar voor de verlening van een of meer diensten ontstond en/of met brandstichting door (telkens)
- op 7 april 2025 aan die [aangeefster 1] dreigend de woorden toe te voegen “Niet zulke dingen doen, dan gaan er problemen komen” en/of
- op 9 april 2025 een (chat)gesprek te voeren met [aangeefster 2] waarin verdachte zegt (ten aanzien van die [aangeefster 1] ): “Ik ga der kanker harde platte handen geven” en/of “ze gaat zelf zien, die rat” en/of “die negerin is sws de lul” en/of “ze gaat klappen wacht maar” en/of “Ik ga vanavond met [B] naar [aangeefster 1] der osso” en/of “die osso kapot gooien” en/of
- op 9 mei 2025 een (chat)gesprek te voeren met [aangeefster 2] waarin verdachte zegt (ten aanzien van die [aangeefster 1] ): “Omdat ze me heeft gerecord ga ik haar weer slaan” en/of
- op 12 mei 2025 een (chat)gesprek te voeren met [aangeefster 2] waarin verdachte zegt (ten aanzien van die [aangeefster 1] ): “Ik ga der snappe en der osso ragge, gewoon der osso” en/of “maar niet dat ze na dat ik der osso heb geragd naar je werk komt begrijp je” en/of “ik ga der o gewoon raggen” en/of
- op 17 mei 2025 een (chat)gesprek te voeren met [aangeefster 2] waarin verdachte zegt (ten aanzien van die [aangeefster 1] ): “Wordt geregeld vandaag, yo, boeit met niet, ze denken allebei, ze kunnen me testen toch, komt goed ze zijn kleine kinderen omdat ik die [vriendin] platte hand heb gegeven toch maar is geen stres ze gaat het krijgen die negerin” en/of
- op 18 mei 2025 een (chat)gesprek te voeren met [aangeefster 2] waarin verdachte zegt (ten aanzien van die [aangeefster 1] ): “Besef die neger heeft verkeerde huis gedaan heb ik vannacht gehoord maar ze gaan op opnieuw, ze moeten opnieuw” en/of “ze gaan vandaag weer”
in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen feit 1
- de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 17 februari 2026;
- een proces-verbaal van aangifte van 8 maart 2025 door [benadeelde 2] .
Bewijsmiddelen feiten 2 en 3
- een proces-verbaal van aangifte van 17 mei 2025 door [aangeefster 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[verdachte] belde mij op 7 april 2025 via Snapchat. Hij vroeg waarom ik [aangeefster 2] heb gevraagd of zij een relatie hadden. Hij hing dit gesprek snel op. Hij stuurde mij vervolgens gelijk een bericht op Snapchat met de volgende tekst: 'Niet zulke dingen doen, dan gaan er problemen komen'.
[aangeefster 2] kwam op 8 april 2025 omstreeks 11:00 uur ongewenst op bezoek bij de werkgever van mijn vriendin [vriendin] . Ze kwam naar de balie toe en vertelde [vriendin] dat [verdachte] een bom voor mijn huis zou plaatsen. Terwijl [aangeefster 2] dit aan [vriendin] vertelde, was zij aan het FaceTimen met [verdachte] . Op 9 april 2025 kwam [aangeefster 2] opnieuw naar [vriendin] ’s werk. Hier vertelde zij weer hetzelfde. Er zou een bom voor mijn woning worden geplaatst uit de naam van [verdachte] . Ook nam [verdachte] contact op met [vriendin] via Snapchat. Hier vertelde hij ook nogmaals dat [verdachte] er voor zou zorgen dat hij een bom voor mijn deur zou plaatsen en ik al mijn nagels zou verliezen als ik hem weer zou tegenkomen.
- een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag op 17 mei 2025 in de voortuin van de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] een grote zwarte roetvlek op de tegels. Ik schat in dat deze roetvlek een doorsnede had van één meter. Een meter links hiervan, zag ik, verbalisant een gesmolten plastic flesje liggen met de inhoud van 0,5L. Dit flesje was tevens ook zwartgeblakerd. Een stukje verder in de tuin zag ik een kartonnen rest liggen die ik ambtshalve herken als de verpakking van een Cobra.
- een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik werd op 17 mei 2025 aangesproken door een vrouw die mij verklaarde het een en ander gezien te hebben wat mogelijk met de explosie te maken had. Ik hoorde de vrouw het volgende verklaren: In mijn ooghoeken zag ik 2 jongens op straat lopen. Ik zag dat de jongens rustig liepen. ik herkende de jongens niet als jongens die in deze straat woonden. Ik zag dat de jongens in de richting van de [adres 2] liepen. een paar seconde later hoorde ik een keiharde knal. ik zag dezelfde jongens nu voorbij rennen.
- een proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon [aangeefster 2] ) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Berichten iMessage 9 april 2025
Op 9 april 2025 vond er een chat plaats tussen [aangeefster 2] ( [aangeefster 2] ikzelf) en contact “ [verdachte] ”. Contact “ [verdachte] ” maakt gebruik van het telefoonnummer + [telefoonnummer] . Het contact betreft zeer vermoedelijk [verdachte] .
[verdachte] : Ik ga vanavond met [B]
[verdachte] : Naar [aangeefster 1] der
[verdachte] : Osso
[verdachte] : Die Osso kapot gooien
[verdachte] : Je gaat zelf zien
[aangeefster 2] ikzelf: JE GAAT NERGENS HEEN
[…]
[verdachte] : Ik ga der kanker harde
[verdachte] : Platte handen geven
[verdachte] : Ze gaat zelf zien
[verdachte] : Die rat
[verdachte] : Die negerin is sws de lul
Berichten Whatsapp 12 mei 2025
Op 12 mei 2025, vanaf 12:16 uur, vond er een chat plaats tussen [aangeefster 2] en contact “ [contactnaam 1] ” ( [verdachte] ):
[contactnaam 1] : Ik ga der snappe
[…]
[contactnaam 1] : En der Osso
[contactnaam 1] : Ragge
[contactnaam 1] : Gewoon der Osso
[contactnaam 1] : Eh
( [contactnaam 2] ): je gaat haar niet snappe
[…]
( [contactnaam 2] ): Zij hoeft niet te weten dat jij d’r osso gaat raggen
( [contactnaam 2] ): zij gaat dat ook niet weten
( [contactnaam 2] ): domme wijf wollah
[contactnaam 1] : Bro
[contactnaam 1] : Ze gaat dat weten
[contactnaam 1] : Ik ga der o gewoon raggen
Verwijderde berichten WhatsApp (met contact [contactnaam 3] ) op 17 mei 2025
[contactnaam 3] : Geen stres
[contactnaam 3] : Verweider chats
[contactnaam 3] : Word geregeld vandaag
[contactnaam 3] : Yo
[contactnaam 3] : Boeit me niet
[contactnaam 3] : Ze kunnen me testen toch
[contactnaam 3] : Komt goed
[contactnaam 3] : Ze zijn kleine kinderen omdat ik die [vriendin] platte hand heb gegeven toch maar is geen stres ze gaat het krijgen die negerin
Internethistorie
Ik heb in de internethistorie op de telefoon gericht gezocht naar [adres 2] te [plaats 1] . Ik zag dat er op 17 mei 2025, om 16:47 uur met de telefoon via Google gericht was gezocht
naar [adres 2] en [adres 3] . Ik zag dat [adres 2] was verkend via Google Maps.
- de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 17 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven;
Het klopt dat de berichten die op de in beslag genomen telefoon zijn gevonden door mij verstuurd zijn. Dat zijn berichten tussen mij en [aangeefster 2] . Het klopt ook dat ik het contact “ [contactnaam 3] ” ben. Het bericht over “der osso ragge”, ging over [aangeefster 1] .