ECLI:NL:RBMNE:2026:7683

ECLI:NL:RBMNE:2026:7683

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 30-10-2026
Zaaknummer UTR 25/1956
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Sv. Wia. Deze uitspraak gaat over het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser. Het Uwv heeft aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) toegekend en daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 38,84 %. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hij voert aan dat hij volledig en duurzaam, dan wel meer arbeidsongeschikt is en daardoor niet in staat is om de geduide functies uit te oefenen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 38,84 % heeft vastgesteld. De rechtbank kan de medische en arbeidskundige beoordeling volgen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] uit [plaats 2] (ex-werkgever).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser. Het Uwv heeft aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) toegekend en daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 38,84 %. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hij voert aan dat hij volledig en duurzaam, dan wel meer arbeidsongeschikt is en daardoor niet in staat is om de geduide functies uit te oefenen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv eiser terecht voor 38,84 % arbeidsongeschikt heeft bevonden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 38,84 % heeft vastgesteld. De rechtbank kan de medische en arbeidskundige beoordeling volgen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. Eiser was voorheen werkzaam als [functie] voor 39,77 uur per week. Hij heeft zich op 3 februari 2022 ziekgemeld. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser op 24 oktober 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft met het besluit van 1 maart 2024 aan eiser een WIA-uitkering in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 55,54 %. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Naar aanleiding van de bezwaren heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw onderzoek gedaan en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft eveneens opnieuw onderzoek gedaan. Hij heeft geconcludeerd dat het maatmanloon hoger moet zijn en hij heeft twee geduide functies niet geschikt bevonden, waardoor er onvoldoende functies overbleven. Hij heeft het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd en drie voorbeeldfuncties kunnen duiden. Dit heeft geleid tot een verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid naar 38,84 %. Aangezien de mate van arbeidsongeschikt nog steeds 35 tot 80 % is, heeft het Uwv met het bestreden besluit van 30 januari 2025 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daarna nog tweemaal aanvullende gronden en medische stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. De ex-werkgever is met voorafgaand bericht niet verschenen. Tijdens de zitting is gebleken dat het Uwv de aanvullende medische en arbeidskundige gronden niet heeft ontvangen. Daarom is afgesproken dat het Uwv na de zitting alsnog de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hierop laat reageren. Eiser heeft hierop gereageerd. Daarna hebben partijen nog enkele malen op elkaar gereageerd en heeft eiser aangegeven behoefte te hebben aan een tweede zitting.

De behandeling van de zaak is daarom voortgezet op de zitting van 10 september 2026. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van het Uwv was ook aanwezig. De ex-werkgever is met voorafgaand bericht niet verschenen. Na afloop van de zitting heeft de rechter het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag van het besluit

3. Het Uwv legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser op 27 januari 2024 recht heeft op een WIA-uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 38,84 %. Hij is ongeschikt voor zijn eigen werk, maar wel geschikt voor ander werk. Gelet op de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen vanwege de klachten van de eiser, wordt hij in staat geacht om geduide functies te verrichten. Met deze geduide functies kan hij 38,84 % minder verdienen dan dat hij zou kunnen verdienen met zijn eigen werk. Eiser is daarom op 27 januari 2024 voor 38,84 % arbeidsongeschikt bevonden.

Beoordelingskader

Geheimhouding

4. Eiser heeft geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de ex-werkgever te verstrekken. De rechtbank zal daarom de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat deze gegevens via deze uitspraak alsnog openbaar worden.Toetsingskader

5. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten: - zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;- bevatten geen tegenstrijdigheden; - zijn voldoende begrijpelijk.

De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is. Beoordelingsdatum

6. De rechtbank benadrukt verder dat bij deze beoordeling van belang is dat het gaat om de medische situatie van eiser op de zogenaamde datum in geding, de beoordelingsdatum. Dat is in dit geval 27 januari 2024.

Beoordeling van de beroepsgronden van eiser

De medische beoordeling

7. Eiser voert aan dat hij volledig en duurzaam, dan wel meer arbeidsongeschikt is als gevolg van de beperkingen die hij dagelijks ondervindt als gevolg van zijn klachten. Zijn dagverhaal is door de primaire verzekeringsarts niet juist weergegeven. Hij valt namelijk dagelijks in slaap en wordt met knallende hoofdpijn wakker. Er is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen en hij acht zichzelf in diverse rubrieken aanvullend beperkt. Hij wijst daarbij onder meer op een diagnose uit 2016 waar volgens eiser onvoldoende rekening mee is gehouden.

Het Uwv voert aan dat eiser zijn standpunt niet onderbouwt met nieuwe medische gegevens. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de rapportages niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten of niet concludent zijn.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn standpunt, dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, niet heeft geconcretiseerd aan de hand van de criteria uit het Schattingsbesluit. Het is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden zoals beschreven in het Schattingsbesluit. De rechtbank stelt vast dat de primaire verzekeringsarts in het rapport van 18 januari 2024 motiveert dat op grond van het medisch onderzoek, de medisch specialistische informatie en de gegevens van de bedrijfsarts beperkingen aangenomen worden vanwege diverse problematiek en klachten. Er worden beperkingen aangenomen voor: fysiek zware inspanningen en handelingen, op het gebied van hoog handelingstempo, hitte, koude, tocht, harde luchtstromen, verzwarende beschermende middelen, stof, rook, gas, damp, duwen, trekken, tillen, dragen, lopen (tijdens werk), trappenlopen, staan, geknield, gehurkt of gebogen of getordeerd actief zijn. De verzekeringsarts motiveert dat er naast deze beperkingen geen medische grond voor een aanvullende duurbeperking is. Er is namelijk geen sprake van medische aandoening die een dusdanige stoornis in de energiehuishouding geeft waardoor een verhoogde recuperatienoodzaak overdag ontstaat. Ook is niet om preventieve redenen een urenbeperking geïndiceerd en er is geen sprake van een verminderde beschikbaarheid als gevolg van intensieve therapie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft in het rapport van 9 januari 2025 de conclusies van de primaire verzekeringsarts en motiveert dat op grond van het lichamelijk onderzoek van 19 november 2024 het aannemen van nadere beperkingen niet aan de orde is. In het aanvullend rapport van 12 oktober 2025 motiveert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser in 2016 weliswaar gediagnostiseerd is, maar dat dit geen aanvullende beperkingen met zich meebrengt, aangezien eiser vanaf 1995 tot datum ziekmelding (3 februari 2022) fysiek zwaar werk heeft gedaan. De verzekeringsarts motiveert in dit rapport dat licht fysieke werkzaamheden als licht productiewerk of administratief werk passend is gelet op de uitslagen van de longfunctie. Ten aanzien van de door eiser geclaimde aanvullende beperkingen in het stuk van 5 september 2025 motiveert de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 12 oktober 2025 per item waarom aanvullende beperkingen niet aan de orde zijn.

De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 12 december 2024 en 12 oktober 2025 begrijpelijk en concreet motiveert hoe hij tot de beoordeling is gekomen. De rechtbank kan het medisch oordeel volgen. Eiser heeft geen nadere medische stukken ingebracht om hiermee het gemotiveerde standpunt van de verzekeringsartsen te weerleggen. Eiser heeft dan ook onvoldoende twijfel gezaaid dat het medisch oordeel onjuist is.

De arbeidskundige beoordeling

8. Eiser voert aan dat hij gelet op zijn beperkingen, de functieomschrijvingen en daarbij behorende totaalbelastingen de geduide functies niet kan uitoefenen. Volgens eiser is de functie administratief ondersteunend medewerker niet passend, omdat deze functie spreken als kenmerkende belasting heeft. In bezwaar is de functie telefonisch verkoper vervallen vanwege zijn beperkte verbaliteit. De functie postbezorging is ongeschikt, omdat sprake is van een overschrijding van het item ‘tillen’ in de FML. Bovendien wordt in de praktijk minder gebruik gemaakt van een sta-/zitkruk waardoor eveneens sprake zal zijn van een overschrijding van de belastbaarheid. Eiser acht de functie productiemedewerker industrie ongeschikt vanwege zijn longklachten. Tot slot verwijst hij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 oktober 2006 waaruit volgt dat het Uwv ook moet kijken naar de totaalbelasting in de geduide functies en niet alleen naar de maximale belasting per item in de FML. Volgens eiser heeft het Uwv dit niet gedaan.

Het Uwv verwijst naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 januari 2025 en 3 november 2025. Hierin wordt uitgelegd dat de in bezwaar gevonden functies binnen de voor eiser aangegeven grenzen van belastbaarheid blijven.

De rechtbank stelt vast dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapporten van 27 januari 2025 en 3 november 2025 motiveert dat in de bezwaarfase de functie telefonisch verkoper is vervallen, omdat in die functie de hele werkdag telefoongesprekken in een (semi-)commerciële setting gevoerd moeten worden en de beperkte verbaliteit van eiser hieraan in de weg staat. In de functie administratief ondersteunend medewerker is het voeren van telefoongesprekken een deeltaak. Daarom is de functie in dit geval wel passend. Verder motiveert de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat de functie postbezorging passend is. Mogelijk kan sprake zijn van een overschrijding van de belastbaarheid bij de aanzetkracht bij het verplaatsen van een rolcontainer, maar dit is kortdurend, laagfrequent en het lichaamsgewicht van de medewerker kan worden ingezet. Verder merkt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep terecht op dat bij een functieduiding de door de arbeidsdeskundig analist in de praktijk vastgestelde functiebelasting zoals vastgelegd in het CBBS leidend is. Ten aanzien van de functie productiemedewerker industrie motiveert de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de functies passen zijn bij de vastgestelde belastbaarheid, omdat deze bestaan uit fysiek zeer licht belastende werkzaamheden, zonder kenmerkende belasting ten aanzien van hitte, koude en zonder blootstelling aan stof, rook, gassen en dampen. Bovendien wordt er in deze functie niet handmatig gesoldeerd en is er ook geen kenmerkende belasting ten aanzien van ‘stof, rook, gassen en dampen’ (item 3.5), waardoor het CBBS ook niet bij dit beoordelingspunt signaleert. Wat betreft de gecombineerde belasting motiveert de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de geselecteerde functies uit fysiek zeer licht belastende werkzaamheden bestaan, die geen overschrijding geven van de vastgestelde belastbaarheid. De totaalbelasting in de functies is in bezwaar meegewogen bij de beoordeling van de functiegeschiktheid, zoals expliciet blijkt uit de arbeidsdeskundige rapportage van 27 januari 2025. De rechtbank kan de motivering volgen en stelt vast dat uit rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 januari 2025, 3 november 2025 en 26 januari 2026 volgt dat er geen signaleringen voor de geduide functies zijn die tot de conclusie moeten leiden dat de functies ongeschikt zijn. Per signalering heeft de arbeidsdeskundige overtuigend gemotiveerd waarom de functies de belastbaarheid van eiser niet overschrijden. Uitgaande van de juiste vaststelling van de beperkingen van eiser in de FML, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Verzoek benoemen deskundige

9. Eiser verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen, omdat hij in bewijsnood verkeert. Hij heeft zijn behandeld arts gevraagd een geneeskundige verklaring af te geven, maar zijn behandeld arts weigert dit.

De rechtbank wijst het verzoek tot het benoemen van een deskundige af. De behandelend arts van eiser heeft medische informatie verstrekt en die informatie is door het Uwv meegewogen in de beoordeling. De behandelend arts geeft geen geneeskundige verklaring af, omdat hij de behandelaar van eiser is. Aan eiser is medegedeeld dat hij bij een onafhankelijke arts om een geneeskundige verklaring kan vragen. Eiser heeft dit om zijn moverende redenen niet gedaan. De rechtbank ziet hierin geen bewijsnood. De rechtbank heeft onder punt 7.3 geoordeeld dat zij de medische beoordeling kan volgen, gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht aan eiser een WIA-uitkering heeft toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 38,84%. Eiser krijgt geen gelijk en krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand