RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/122051-26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1966] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 13 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 17 mei 2024 in [woonplaats] , ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, waarbij die ontuchtige handelingen bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Inleiding
Op 5 september 2024 heeft de vader van de 15-jarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangifte gedaan van seksueel misbruik, nadat hij erachter was gekomen dat zijn zoon seksueel chatcontact had met meerderjarige mannen. [slachtoffer] heeft op 10 september 2024 bij de politie een verklaring afgelegd. Hierin verklaarde hij dat hij seks heeft gehad voor geld met twee meerderjarige mannen. Hij verklaarde dat het contact is ontstaan nadat hij een profiel had aangemaakt op Grinder waarin hij zijn telefoonnummer vermeld had. Vervolgens namen de mannen contact met hem op via WhatsApp en zijn er uiteindelijk afspraken gemaakt en heeft er seksueel contact plaatsgevonden. Hij sprak bij de eerste man thuis af. [slachtoffer] verklaart dat de man hem toen anaal heeft gepenetreerd met zijn penis. Volgens [slachtoffer] heeft hij voor deze seksafspraak 60 euro contant gekregen.
De politie heeft onderzoek gedaan naar de identiteit van deze man en is zo bij de verdachte uitgekomen. De verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat de WhatsAppberichten die volgens [slachtoffer] zijn gestuurd door de man weliswaar van hem afkomstig zijn, maar dat hij [slachtoffer] niet herkent op de foto die in het dossier zit. Verder heeft hij verklaard dat hij, afzonderlijk van elkaar, twee jongens (waarvan hij dacht dat ze ouder dan 18 waren) heeft betaald voor een seksafspraak bij hem thuis. Met één van hen heeft daadwerkelijk seks (penis in anus) plaatsgevonden en met de ander niet. Hij herkent [slachtoffer] niet als een van die twee jongens.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd. De officier van justitie vindt de verklaring van het slachtoffer, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), betrouwbaar en stelt dat deze verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit. De advocaat heeft aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] onvoldoende betrouwbaar is om als basis te dienen voor een bewezenverklaring en gesteld dat er daarnaast ook onvoldoende steunbewijs is.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] is van belang in hoeverre die verklaring concreet, gedetailleerd en consistent is.
De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar acht. Anders dan de advocaat, oordeelt de rechtbank dat de omstandigheden dat [slachtoffer] uit schaamte eerst niet heeft willen verklaren en daarom terughoudend is in zijn verklaring, niet maakt dat zijn verklaring als onbetrouwbaar of leugenachtig moet worden aangemerkt. De verklaring van [slachtoffer] is niet erg uitgebreid, maar bevat wel details zoals wat voor seks er heeft plaatsgevonden en dat het pijn deed. Zijn verklaring wordt op essentiële onderdelen ondersteund door de Whatsappgesprekken. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] , nu deze op hoofdlijnen concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent overkomt. Bovendien zijn er geen grote tegenstrijdigheden in zijn verklaring, heeft hij de gebeurtenissen niet aangedikt en heeft hij het ook eerlijk aangegeven wanneer hij iets niet meer of niet meer zeker wist. De rechtbank zal zijn verklaring dan ook gebruiken voor het bewijs.
Steunbewijs
De verklaring van [slachtoffer] vindt voldoende steun in de Whatsappberichten tussen “ [contactnaam] ” en [slachtoffer] . De verdachte heeft bekend dat hij deze gesprekken met [slachtoffer] heeft gevoerd. Uit die gesprekken volgt dat de verdachte een seksafspraak heeft gemaakt met [slachtoffer] en dat de verdachte daarvoor zal betalen. In de chats is tevens te lezen dat er een afspraak wordt gemaakt op 17 mei 2024 op de [straat] , waar de verdachte woont. Een half uur later stuurt de verdachte: “Thanks man, tot laters misschien” en een dag later vraagt de verdachte of “het” fijn was.
Deze berichten in combinatie met de verklaring van [slachtoffer] laten naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een andere interpretatie dan dat er daadwerkelijk seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer] . De strekking van de whatsappgesprekken is in lijn met de verklaring van [slachtoffer] . Daar komt bij dat de verdachte ten aanzien van voorgaande bevindingen geen aannemelijke verklaring naar voren heeft gebracht.
Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 17 mei 2024 zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft gebracht, geduwd en bewogen, terwijl [slachtoffer] op dat moment vijftien jaar oud was. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, die bestonden uit seksueel binnendringen van het lichaam.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 17 mei 2024 te [woonplaats] , met [slachtoffer] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten- het brengen en duwen en bewegen van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] .
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.
De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte een contact- en locatieverbod wordt opgelegd als vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht).
De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank bij een veroordeling te volstaan met een maximale taakstraf en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één dag, gelet op het taakstrafverbod. Indien de rechtbank toch oordeelt dat een langere gevangenisstraf passend is, verzoekt de advocaat deze geheel voorwaardelijk op te leggen.
Verder verzoekt de advocaat rekening te houden met het tijdsverloop nu het gaat om een feit uit 2024, dat de verdachte geen strafblad heeft en dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat er sprake is van een laag recidiverisico.
Tot slot heeft de verdediging geen bezwaar tegen een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 14 maanden op, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een minderjarige, dat bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Het slachtoffer was destijds pas 15 jaar oud, terwijl de verdachte zelf de leeftijd van 58 jaar had. De verdachte heeft thuis afgesproken met het slachtoffer en seks met hem gehad tegen betaling. De verdachte en het slachtoffer kenden elkaar niet en zagen elkaar die dag voor het eerst. Gelet op de inhoud van de chatgesprekken en het jeugdige uiterlijk van het slachtoffer had het voor de verdachte duidelijk moeten zijn dat hij te maken had met een minderjarige. De verdachte had zich moeten vergewissen van de daadwerkelijke leeftijd van het slachtoffer en de rechtbank rekent het hem aan dat hij heeft nagelaten om dat te onderzoeken. Dat getuigt ervan dat de verdachte enkel oog had voor zijn eigen seksuele lusten en belangen, en niet voor die van het slachtoffer.
Minderjarigen van onder de zestien jaar genieten bijzondere bescherming onder de zedenwet, juist omdat zij zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en gelet op hun jeugdige leeftijd onvoldoende in staat worden geacht de consequenties van hun eigen handelen in te schatten. Zelfs als het slachtoffer aangaf dat hij de seks wilde, dan nog had de verdachte, die vele malen ouder is, hem in bescherming moeten nemen en van de seks af moeten zien. De rechtbank benadrukt dat de verantwoordelijkheid nóóit bij het kind mag worden gelegd.
De verdachte heeft door zijn handelen op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. De ervaring leert dat seksueel misbruik van jeugdigen vaak leidt tot langdurige psychische schade en een verstoring van de (seksuele) ontwikkeling tot gevolg kan hebben. De ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring en de door het slachtoffer ingediende vordering geven ook blijk van de ernstige gevolgen die het handelen van de verdachte nog altijd voor het slachtoffer heeft.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 24 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Een blanco strafblad is de norm, en zal dan ook niet in strafverminderende zin worden meegewogen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 29 september 2026. Daaruit volgt dat de verdachte zijn leven over het algemeen goed op de rit heeft en de reclassering geen problemen ziet op de leefgebieden. Verder blijkt uit het rapport dat het recidiverisico als laag tot gemiddeld wordt ingeschat. Deze indicatie wordt gebaseerd op het feit dat de verdachte beperkt verantwoordelijkheid neemt, weinig schuldbewust is en opnieuw seksueel contact heeft gehad met een jonge man zonder diens leeftijd te hebben gecontroleerd. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling.
Strafkader
Gelet op de aard en de ernst van de feiten en ook gelet op het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, kan naar het oordeel van de rechtbank met geen andere straf worden volstaan dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf kijkt de rechtbank naar wat voor straffen doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd.
In strafverzwarende zin weegt de rechtbank het grote leeftijdsverschil en de kwetsbaarheid van het slachtoffer mee. De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat hij weinig verantwoordelijkheid lijkt te nemen voor zijn handelen tegenover het slachtoffer. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met het gegeven dat de verdachte zijn leven goed op de rit heeft.
Alles afwegende acht de rechtbank een straf zoals aan het begin van deze paragraaf weergegeven, passend en geboden. Het door de rechtbank op te leggen voorwaardelijke strafdeel dient om de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte behandeld wordt, zodat de verdachte meer inzicht krijgt in zijn beweegredenen en de strafwaardigheid van zijn handelen, om zo herhaling te voorkomen. De verdachte heeft zich bereid verklaard te houden aan de bijzondere voorwaarden.
De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat de door de verdediging voorgestelde straf geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank wijkt ook af van de strafeis van de officier van justitie, omdat deze strafeis hoger is dan de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank weegt de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte anders dan de officier van justitie.
Geen vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank ziet geen aanleiding om het contact- en locatieverbod aan de verdachte op te leggen als een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte in de tussenliggende periode contact heeft gezocht met het slachtoffer of zich in de omgeving van zijn woning heeft opgehouden en evenmin dat hij dit voornemens is te doen. Een vrijheidsbeperkende maatregel is dus niet nodig ter voorkoming van strafbare feiten.
De rechtbank zal om die reden evenmin een locatieverbod als bijzondere voorwaarde opleggen, omdat dit een onevenredige beperking van de vrijheid van de verdachte oplevert. Wel zal de rechtbank aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer opleggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde.
Naar aanleiding van het voorgaande ziet de rechtbank ook geen reden om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot een bedrag aan schadevergoeding van € 42.915,17 voor het ten laste gelegde feit. Dit bedrag bestaat voor € 2.115,17 uit materiële schade en voor € 30.800,00 aan immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Reiskosten voor de behandeling: € 1.365,17;
Toekomstige reiskosten: € 750,00.
De immateriële schade bestaat uit:
Smartengeld: € 30.800,00;
Toekomstige immateriële schade: € 10.000,00.
Voor de hoogte van het smartengeld zoekt de benadeelde partij aansluiting bij de Rotterdamse schaal, paragraaf 14.2, categorie b (ernstig), te verhogen met 15% vanwege zijn jonge leeftijd en met 25% vanwege het opzettelijk toebrengen van de schade (aanbevelingen 2 en 3 bij de Rotterdamse Schaal).
De benadeelde partij verzoekt zich in de gevorderde toekomstige immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze post gebaseerd is op toekomstige schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schadeposten kunnen worden toegewezen, omdat er sprake is van rechtstreekse schade en deze posten voldoende zijn onderbouwd.
Wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht het bedrag toe te wijzen tot € 30.800,00 en de benadeelde partij voor het overige (de toekomstige schade) niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair voert de advocaat geen verweer over de materiële schade en de hoofdelijkheid. De advocaat stelt dat de immateriële schade gematigd moet worden, nu niet is gebleken dat slechts een bepaalde mate van herstel kan worden bereikt. Voorts stelt de advocaat dat de toekomstige immateriële schade moet worden afgewezen omdat deze schade nog niet is geleden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezenverklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden.
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten voor de behandeling is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering, in totaal € 1.365,17 daarom toe.
Ten aanzien van de gevorderde toekomstige materiële schade is nog onduidelijk of deze daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank zal dan ook de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de benadeelde partij zich hiervoor kan wenden tot de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS), heeft opgelopen.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
Concreet heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder paragraaf 14.2, categorie C, van de Rotterdamse schaal (bandbreedte € 5.500,00 tot € 16.000,00). Daartoe overweegt de rechtbank dat het slachtoffer door het misbruik PTSS heeft ontwikkeld. De rechtbank beoordeelt deze PTSS als ‘middelzwaar’, nu de aanzienlijke beperkingen in de toekomst als gevolg van deze PTSS onvoldoende zijn onderbouwd door de benadeelde partij. De rechtbank neemt een vergoeding van € 15.000,00 als uitgangspunt en volgt aanbeveling 2 bij het hanteren van de Rotterdamse schaal. Deze aanbeveling houdt in dat het smartengeld met 15% kan worden verhoogd in geval van blijvend letsel in de A- en B categorie voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot en met 29 jaar.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ook verzocht de vordering te verhogen met aanbeveling 3, die bepaalt dat het smartengeld met 10% tot 25% kan worden verhoogd in geval van ernstige verwijtbaarheid. De rechtbank gaat niet mee in dat standpunt, omdat niet kan worden vastgesteld dat de opzet van de verdachte was gericht op het toebrengen van geestelijk letsel bij het slachtoffer.
Concluderend acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 17.250,00 passend. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde toekomstige immateriële schade dat nog onduidelijk is of die schade daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank zal dan ook de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de benadeelde partij zich hiervoor kan wenden tot de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toe te kennen schadevergoeding
vanaf 17 mei 2024, zijnde de pleegdatum, toewijzen tot de dag van volledige betaling.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 18.615,17 aan de Staat moet betalen, bestaande uit € 1.365,17 materiële schade en € 17.250,00 immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot de dag van volledige voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 186 dagen gijzeling.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij.
Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Hoofdelijkheid
De benadeelde partij heeft gemotiveerd bepleit dat de gevorderde schade is veroorzaakt door twee gebeurtenissen, te weten door de ontucht die door de verdachte is gepleegd op 17 mei 2024 en ontucht door een andere verdachte op 26 mei 2024. Omdat de schadeveroorzakende gebeurtenissen kort na elkaar zijn gebeurd is het aannemelijk dat beide gebeurtenissen in samenhang de vastgestelde schade hebben veroorzaakt. Om die reden, zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot hoofdelijke betaling van de schade aan de benadeelde partij.
Voor zover de andere een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte, gedurende de proeftijd:
- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [2009] . De politie ziet toe op dit contactverbod;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden
begroot op nihil;
maatregel van schadevergoeding
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mrs. J.E.S. Dolmans en F.H.H. Sijbers rechters, in tegenwoordigheid van mrs. R.C. van Grinsven en M. van Dinten als griffiers en is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 mei 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] .
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , geboren op [2009] , van 10 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het begon dat ik werd geappt door een telefoonnummer. En toen vroeg hij voor seks. En toen moest ik naar zijn huis komen dat was op een vrijdag. Toen hadden we seks. Hij gaf mij 60 euro. Het eerste appje van hem was denk ik ergens in mei/juni. Hij was rond de 50 of 60 jaar oud. Hij stak zijn piemel in mijn anus.
Een proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek naar de mobiele telefoon van [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant [verbalisant] , heb onderzoek gedaan naar de mobiele telefoon in gebruik bij [slachtoffer] .
Te zien dat het telefoonnummer van het slachtoffer contact heeft met [contactnaam] . In de chat met [contactnaam] is te lezen dat er wordt gesproken over een geldbedrag wat [contactnaam] zou betalen. Er wordt gesproken over seksuele handelingen. Te lezen is dat er wordt afgesproken bij de [straat] . Het is mij ambtshalve bekend dat deze ook in [woonplaats] gelegen is waar ook het slachtoffer woonachtig is. Uit de chat is op te maken dat er een daadwerkelijke fysieke afspraak is geweest en werd er gevraagd of het lekker was.
16 mei 2024
17 mei 2024
18 mei 2024
21 mei 2024
Een proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek naar de telefoonnummers in de mobiele telefoon van [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant [verbalisant] , heb onderzoek gedaan naar de identiteit van de personen achter de telefoonnummers in de mobiele telefoon in gebruik bij [slachtoffer] .
Er werd in de chat gesproken over de " [straat] " bij de nummers [nummer] op de eerste verdieping. Hierop heb ik het verzoek gedaan aan de medewerkers intelligence uit te zoeken of er een persoon woonachtig is die in aanmerking komt. Hierbij is de focus geweest op mannen met zeden registraties/antecedenten. Uit dit onderzoek is gebleken dat de persoon [contactnaam] moet wonen op de [adres] . De overige personen die staan ingeschreven in het appartementencomplex aan de [straat] van huisnummer [nummer] waren of alleenwonend en vrouw, of samenwonend waarbij de man geen registraties op naam heeft ter zake zeden. Op de [adres] staat de volgende persoon ingeschreven:
Voornamen: [voornamen]
Achternaam: [verdachte]
Geboren op: [1966]
Geboren te: [geboorteplaats]
Uit de bevraagde gegevens kwam het volgende telefoonnummer naar boven: [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer komt voor in de contactenlijst in de mobiele telefoon van het slachtoffer.
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 oktober 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
U houdt mij de WhatsApp-gesprekken voor op pagina 71 en 72 van het dossier. Ik heb toentertijd die WhatsApp-gesprekken gevoerd.