ECLI:NL:RBMNE:2026:7697

ECLI:NL:RBMNE:2026:7697

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 30-10-2026
Zaaknummer 16/054185-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Veroordeling voor artikel 245 Sr (oud) tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een minderjarige, dat bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Het slachtoffer was destijds pas 15 jaar oud.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/054185-26

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1968] in [geboorteplaats] (Frankrijk),

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 13 oktober 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

op 26 mei 2024 in [woonplaats] , ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, waarbij die ontuchtige handelingen bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert geen verweer over het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 13 oktober 2026;

een proces-verbaal van het verhoor van het slachtoffer [slachtoffer] op 10 september 2024;

- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 26 mei 2024 te [woonplaats] , met [slachtoffer] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten- het likken aan de anus van die [slachtoffer] , en- het brengen en of duwen en/of bewegen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond, en- het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de anus van die [slachtoffer] .

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd een meldplicht, ambulante behandeling, het vermijden van online contact met minderjarigen, een contactverbod en een locatieverbod;

naar aanleiding van een verzoek van de benadeelde partij om aan de verdachte een beroepsverbod op te leggen voor zijn werkzaamheden als trainer bij een […] , heeft de officier van justitie ook verzocht de bijzondere voorwaarde inhoudende het vermijden van online contact met minderjarige jongens uit te breiden naar een verbod op online én fysiek contact met minderjarige jongens.

De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte een contact- en locatieverbod wordt opgelegd als vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht).

De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, gelet op het taakstrafverbod, te volstaan met de oplegging van een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gecombineerd met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, en eventueel een taakstraf. Daartoe heeft de verdediging gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdediging heeft geen bezwaar tegen een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft wel bezwaar tegen het opleggen van een verbod op fysiek contact met minderjarige jongens, nu het geven van […] hetgeen is wat de verdachte op de been houdt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, het vermijden van online contact met minderjarigen en een contactverbod met het slachtoffer.

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een minderjarige, dat bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Het slachtoffer was destijds pas 15 jaar oud, terwijl de verdachte zelf de leeftijd van 55 jaar had. De verdachte heeft in zijn auto afgesproken met het slachtoffer en onder invloed van poppers onbeschermde seks met hem gehad. De verdachte en het slachtoffer kenden elkaar niet en zagen elkaar die dag voor het eerst. Gelet op de inhoud van de chatgesprekken en het jeugdige uiterlijk van het slachtoffer had het voor de verdachte duidelijk moeten zijn dat hij te maken had met een minderjarige. De verdachte had zich moeten vergewissen van de daadwerkelijke leeftijd van het slachtoffer en de rechtbank rekent het hem aan dat hij heeft nagelaten om dat te onderzoeken. Dat getuigt ervan dat verdachte enkel oog had voor zijn eigen seksuele lusten en belangen, en niet voor die van het slachtoffer.

Minderjarigen van onder de zestien jaar genieten bijzondere bescherming onder de zedenwet, juist omdat zij zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en gelet op hun jeugdige leeftijd onvoldoende in staat worden geacht de consequenties van hun eigen handelen in te schatten. De verdachte heeft door zijn handelen op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. De ervaring leert dat seksueel misbruik van jeugdigen vaak leidt tot langdurige psychische schade en een verstoring van de (seksuele) ontwikkeling tot gevolg kan hebben. De ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring en de ingediende vordering geven ook blijk van de ernstige gevolgen die het handelen van de verdachte nog altijd voor het slachtoffer heeft. Zelfs als het slachtoffer aangaf dat hij de seks wilde, dan nog had de verdachte, die vele malen ouder is dan hem, hem in bescherming moeten nemen en van de seks af moeten zien. De rechtbank benadrukt dat de verantwoordelijkheid nóóit bij het kind mag worden gelegd.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 24 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Een blanco strafblad is de norm, en zal dan ook niet in strafverminderende zin worden meegewogen.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 8 oktober 2026. Daaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een langdurige psychische kwetsbaarheid. Daarnaast worstelt de verdachte vrijwel zijn gehele leven met zijn seksualiteit. Er is onder andere sprake van een voorkeur voor jongvolwassen mannen, enige seksuele preoccupatie, seks als coping en onvoldoende zicht in de functie van zijn seksuele gedrag. Op basis van voorgenoemde ziet de reclassering aanwijzingen voor seksuele problematiek. De seksualiteit en het psychosociaal functioneren van de verdachte worden dan ook aangemerkt als voornaamste delictgerelateerde- en risicofactoren. Verder blijkt uit het reclasseringsadvies dat op de overige leefgebieden voor een groot deel sprake is van stabiliteit. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, het vermijden van online contact met minderjarigen, een contactverbod en een locatieverbod.

Strafkader

Gelet op de aard en de ernst van de feiten en ook gelet op het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, kan naar het oordeel van de rechtbank met geen andere straf worden volstaan dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf kijkt de rechtbank naar wat voor straffen doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank het grote leeftijdsverschil en de kwetsbaarheid van het slachtoffer mee. In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat de spijt die de verdachte op zitting heeft betuigd oprecht overkomt en hij bereid is aan zichzelf te werken om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw de fout ingaat. De rechtbank ziet ook in de chatberichten terug dat de verdachte begaan was met het slachtoffer en hem vooraf meermaals heeft gevraagd of hij dit wel echt wilde. Hoewel dit het feit absoluut niet goed praat, weegt dit voor de rechtbank wel in strafverminderende zin mee.

Alles afwegende acht de rechtbank een straf zoals aan het begin van deze paragraaf weergegeven, passend en geboden. Het door de rechtbank op te leggen voorwaardelijke strafdeel dient mede om de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte behandeld wordt, zodat de verdachte kan leren beter om te gaan met zijn seksuele problematiek, om zo herhaling te voorkomen. De verdachte heeft zich bereid verklaard zich te houden aan de op te leggen bijzondere voorwaarden.

De rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, omdat deze strafeis hoger is dan de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank weegt de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte anders dan de officier van justitie.

Geen vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank ziet geen aanleiding om het contact- en locatieverbod aan de verdachte op te leggen als een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte in de tussenliggende periode contact heeft gezocht met het slachtoffer of zich in de omgeving van zijn woning heeft opgehouden en evenmin dat hij dit voornemens is te doen. Een vrijheidsbeperkende maatregel is dus niet nodig ter voorkoming van strafbare feiten.

De rechtbank zal om die reden evenmin een locatieverbod als bijzondere voorwaarde opleggen, omdat dit een onevenredige beperking van de vrijheid van de verdachte oplevert. Wel zal de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer opleggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde.

Naar aanleiding van het voorgaande ziet de rechtbank ook geen reden om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Geen verbod op fysiek contact met minderjarige jongens

Uit het reclasseringsadvies volgt dat de verdachte […] geeft aan kinderen, waaronder jonge jongens. Namens [slachtoffer] is ter terechtzitting bij de vordering tot schadevergoeding verzocht om een verbod op fysiek contact met minderjarige jongens op te leggen. Nu uit het reclasseringsadvies blijkt dat er sprake is van een laag recidiverisico en er geen andere aanwijzingen zijn dat de verdachte op de […] de fout in gaat, ziet de rechtbank, met de verdediging, geen reden om aan de verdachte een beroepsverbod op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat uit het reclasseringsadvies volgt dat het verlies van deze maatschappelijke activiteiten tot mogelijk gevolg heeft dat de verdachte zich meer isoleert en eenzaam voelt, hetgeen een risicofactor kan vormen.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot een bedrag aan schadevergoeding van € 42.915,17 voor het ten laste gelegde feit. Dit bedrag bestaat voor € 2.115,17 uit materiële schade en voor € 30.800,00 aan immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

Reiskosten voor de behandeling: € 1.365,17;

Toekomstige reiskosten: € 750,00.

De immateriële schade bestaat uit:

Smartengeld: € 30.800,00;

Toekomstige immateriële schade: € 10.000,00.

Voor de hoogte van het smartengeld zoekt de benadeelde partij aansluiting bij de Rotterdamse schaal, paragraaf 14.2, categorie b (ernstig), te verhogen met 15% vanwege zijn jonge leeftijd en met 25% vanwege het opzettelijk toebrengen van de schade (aanbevelingen 2 en 3 bij de Rotterdamse Schaal).

De benadeelde partij verzoekt zich in de gevorderde toekomstige immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze post gebaseerd is op toekomstige schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schadeposten kunnen worden toegewezen, omdat er sprake is van rechtstreekse schade en deze posten voldoende zijn onderbouwd.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht het bedrag toe te wijzen tot € 30.800,00 en de benadeelde partij voor het overige (de toekomstige schade) niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert geen verweer tegen de materiële schade en de hoofdelijkheid.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat voor wat betreft de immateriële schade aansluiting moet worden gezocht bij paragraaf 15.2 onder b van de Rotterdamse schaal. Voorts stelt de advocaat dat de toekomstige immateriële schade moet worden afgewezen omdat deze schade nog niet is geleden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezenverklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden.

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten voor de behandeling is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering, in totaal € 1.365,17 daarom toe.

Ten aanzien van de gevorderde toekomstige materiële schade is nog onduidelijk of deze daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank zal dan ook de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de benadeelde partij zich hiervoor kan wenden tot de burgerlijke rechter.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel, te weten een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS), heeft opgelopen.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

Concreet heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder paragraaf 14.2, categorie C, van de Rotterdamse schaal (bandbreedte € 5.500,00 tot € 16.000,00). Daartoe overweegt de rechtbank dat het slachtoffer door het misbruik PTSS heeft ontwikkeld. De rechtbank beoordeelt deze PTSS als ‘middelzwaar’ nu de aanzienlijke beperkingen in de toekomst als gevolg van deze PTSS onvoldoende zijn onderbouwd door de benadeelde partij. De rechtbank neemt een vergoeding van € 15.000,00 als uitgangspunt en volgt aanbeveling 2 bij het hanteren van de Rotterdamse schaal. Deze aanbeveling houdt in dat het smartengeld met 15% kan worden verhoogd in geval van blijvend letsel in de A- en B categorie voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot en met 29 jaar.

De advocaat van de benadeelde partij heeft ook verzocht de vordering te verhogen met aanbeveling 3, die bepaalt dat het smartengeld met 10% tot 25% kan worden verhoogd in geval van ernstige verwijtbaarheid. De rechtbank gaat niet mee in dit standpunt, omdat niet kan worden vastgesteld dat de opzet van de verdachte was gericht op het toebrengen van geestelijk letsel bij het slachtoffer.

Concluderend acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 17.250,00 passend. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde toekomstige immateriële schade dat nog onduidelijk is of die schade daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank zal dan ook de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de benadeelde partij zich hiervoor kan wenden tot de burgerlijke rechter.

Hoofdelijkheid

De benadeelde partij heeft gemotiveerd bepleit dat de gevorderde schade is veroorzaakt door twee gebeurtenissen, te weten door de ontucht die door de verdachte is gepleegd op 26 mei 2024 en ontucht door een andere verdachte op 17 mei 2024. Omdat de schadeveroorzakende gebeurtenissen kort na elkaar zijn gebeurd is het aannemelijk dat beide gebeurtenissen in samenhang de vastgestelde schade hebben veroorzaakt. Om die reden zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot hoofdelijke betaling van de schade aan de benadeelde partij.

Voor zover de andere dader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toe te kennen schadevergoeding

vanaf 17 mei 2024, zijnde de oudste pleegdatum, toewijzen tot de dag van volledige betaling, omdat de schade vanaf dat moment is ontstaan.

Proceskosten

De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 18.615,17 aan de Staat moet betalen, bestaande uit € 1.365,17 materiële schade en € 17.250,00 immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 mei 2024 tot de dag van volledige voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 186 dagen gijzeling.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij.

Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Voor zover de andere dader een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in

artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte, gedurende de proeftijd:

- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische en seksuele problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

- op geen enkele wijze online contact heeft met minderjarigen. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt verdachte dat volwassen personen hierbij aanwezig zijn;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [2009] . De politie ziet toe op dit contactverbod;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden

begroot op nihil;

maatregel van schadevergoeding

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H.H. Sijbers, voorzitter, mrs. N.P.J. Janssens en J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. R.C. van Grinsven en M. van Dinten als griffiers en is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 mei 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het likken aan de anus van die [slachtoffer] , en/of

- het brengen en of duwen en/of bewegen van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond, en/of

- het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de anus van die [slachtoffer] .

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand