RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11792643 \ AC EXPL 25-1667 RvdH/1037
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
1. de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde sub 2] , vennoot,
wonende in [woonplaats] ,3. [gedaagde sub 3] , vennoot,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] ,
procederend in persoon van gedaagde sub 3.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5, - het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 10 september 2025 met bijlagen, aan te merken als de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [eiseres] met producties 6 tot en met 8,
- de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2. De kern van de zaak
[eiseres] en [gedaagde sub 1] hebben in 2021 een operational leaseovereenkomst voor een auto met elkaar gesloten. De overeenkomst eindigde in 2024 en na de einddatum heeft [gedaagde sub 1] de auto ingeleverd. De auto was beschadigd. Ook had [gedaagde sub 1] niet alle leasetermijnen betaald. [eiseres] vordert daarom betaling van totaal € 6.935,86. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 1] de facturen van [eiseres] moet betalen.
3. De beoordeling
[gedaagde sub 1] moet de facturen van [eiseres] betalen
De facturen van [eiseres] zien op vervallen huurtermijnen, verwerking van verkeersboetes en inleverschade. [gedaagde sub 1] erkent dat zij een deel van de huurtermijnen niet op tijd heeft betaald. Zij heeft daarnaast niet betwist dat zij moet betalen voor de verwerking van verkeersboetes. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 1] ook moet betalen voor de inleverschade. Hierbij is het volgende relevant.
Op grond van artikel 21 van de toepasselijke algemene voorwaarden wordt de auto na inlevering onder andere gecontroleerd op beschadigingen. Ook wordt de algemene staat van de auto gecontroleerd. Als er bij de controle gebreken worden geconstateerd is de huurder aansprakelijk voor de kosten van herstel en/of vervanging en mag [eiseres] de kosten bij de huurder in rekening brengen.
[gedaagde sub 1] betwist dat de auto bij het inleveren is gecontroleerd. [gedaagde sub 1] heeft een derde ingeschakeld om de auto op 26 augustus 2024 in te leveren. Volgens [gedaagde sub 1] heeft die derde verklaard dat er geen controlerondje om de auto is gemaakt en dat hij ook geen handtekening heeft gezet op het innamerapport met foto’s van 26 augustus 2024. Wie de berijder is (of de derde die de auto heeft ingeleverd) heeft [gedaagde sub 1] niet gedeeld. Zij heeft haar stellingen ook niet op een andere manier onderbouwd.
[eiseres] heeft toegelicht dat de controle een standaardprocedure is waarvan niet wordt afgeweken. [eiseres] heeft een gespecificeerd innamerapport overgelegd (datum laatste versie 17 september 2024). Dat rapport bevat dezelfde foto’s als het eerdergenoemde door [gedaagde sub 1] overgelegde rapport. In het innamerapport staat beschreven welke beschadigingen zijn geconstateerd en wat per beschadiging de waardevermindering is. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eiseres] de standaardprocedure heeft gevolgd en dat de beschadigingen zijn vastgesteld bij inlevering van de auto, zoals vermeld in het innamerapport.
[gedaagde sub 1] heeft de inhoud van het innamerapport niet gemotiveerd weersproken. [gedaagde sub 1] zegt alleen dat zij niet heeft kunnen controleren of de gemelde schades daadwerkelijk aanwezig waren bij het inleveren. Daar gaat de kantonechter aan voorbij omdat [gedaagde sub 1] er zelf voor heeft gekozen om de auto door een derde te laten inleveren. Door wie het innamerapport is ondertekend, kan daarom in het midden blijven. De door [eiseres] gevorderde vergoeding is gebaseerd op het totaal van de waardeverminderingen en dat is een lager bedrag dan de kosten voor herstel. [gedaagde sub 1] heeft de omvang van het bedrag niet betwist. De kantonrechter gaat dan ook uit van het schadebedrag dat [eiseres] heeft berekend.
[gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot betaling van € 6.935,86 aan [eiseres] . [gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij recent een deel aan [eiseres] heeft betaald. [eiseres] had de betalingen op dat moment nog niet kunnen controleren. De betalingen na datum van de dagvaarding moeten in mindering worden gebracht op het toegewezen bedrag.
[gedaagde sub 1] is de wettelijke handelsrente verschuldigd
[gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij de factuur van 28 augustus 2024 voor het schadebedrag nooit heeft ontvangen. Tijdens de rolzitting heeft [gedaagde sub 1] echter verklaard dat op de eindfactuur ineens een bedrag van ruim € 4.000,00 extra stond. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde sub 1] de factuur (inclusief innamerapport) voor het schadebedrag wel heeft ontvangen.
Omdat [gedaagde sub 1] de facturen niet op tijd heeft betaald, is zij de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd. De rente tot en met 11 juni 2025 bedraagt € 207,64. Vanaf 12 juni 2025 is [gedaagde sub 1] de wettelijke handelsrente verschuldigd tot de voldoening, waarbij ook rekening moet worden gehouden met deelbetalingen.
[gedaagde sub 1] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 721,79 worden toegewezen.
[gedaagde sub 1] moet ook de proceskosten betalen
[gedaagde sub 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
244,51
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.600,51
[gedaagde sub 1] en haar vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.865,29, waarop de deelbetalingen na datum dagvaarding in mindering strekken, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 6.935,86, met ingang van 12 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.600,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.