RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Dienst Toeslagen, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/873
en
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit op het verzoek van eiser om een persoonlijke betalingsregeling voor meerdere terugvorderingen van toeslagen. Eiser is het niet eens met de hoogte van het maandelijkse terug te betalen bedrag van € 338,- (opeisbare betalingscapaciteit per maand). Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aangeboden persoonlijke betalingsregeling.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het maandelijkse terug te betalen bedrag te hoog is. Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift namelijk berekend dat het bedrag € 327,- moet zijn. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat duidelijk is wat de hoogte van het bedrag moet zijn. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 13 maart 2025 Dienst Toeslagen verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor openstaande terugvorderingen zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag. Met het besluit van 8 juli 2025 heeft Dienst Toeslagen aan eiser uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat hij 24 maanden een bedrag van € 586,- terugbetaalt.
4. Met het besluit van 18 december 2025 heeft Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de opeisbare betalingscapaciteit per maand vastgesteld op € 338,- (het bestreden besluit).
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
7. Eiser heeft bij Dienst Toeslagen verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor de terugbetaling van te veel ontvangen voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag over de jaren 2014, 2015, 2017, 2018, 2020, 2021, 2022, 2023 en 2025. In beroep stelt eiser dat die terugvorderingen zijn ontstaan door een controle van Dienst Toeslagen op zijn inkomstenbelasting over 2016, waarbij eerdere jaren zijn heropend en toeslagen vanaf 2014 met terugwerkende kracht zijn gecorrigeerd in verband met Project 1043. Daarbij voert hij aan dat zijn persoonlijke situatie onvoldoende is meegewogen tijdens deze controle en dat hij in dat kader tijdens de bezwaarprocedure onder druk akkoord is gegaan met een vaststellingsovereenkomst waarbij de aangiftes inkomstenbelasting zijn aangepast, waarna de toeslagen zijn aangepast en de terugvorderingen zijn ontstaan die in deze zaak aan de orde zijn. Verder stelt eiser in beroep dat hij gedupeerde is van de toeslagenaffaire.
8. Omdat het bestreden besluit waartegen eiser in deze procedure beroep heeft ingesteld uitsluitend betrekking heeft op de persoonlijke betalingsregeling voor genoemde toeslagsoorten en jaren, vallen deze beroepsgronden buiten de omvang van het geding en worden ze door de rechtbank buiten beschouwing gelaten. Daarbij komt dat eiser zich niet als gedupeerde van de toeslagenaffaire heeft gemeld. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de terugvorderingen waar de persoonlijke betalingsregeling op ziet, onherroepelijk vast staan.
Standpunten van partijen
9. Eiser voert in beroep aan dat zijn verzoek om inzicht in de opbouw van de openstaande schulden onbeantwoord is gebleven. Op de zitting heeft eiser nader toegelicht dat het schuldenoverzicht van 24 november 2025 afwijkt van dat van 8 januari 2026. Verder zijn volgens eiser bij het vaststellen van de betalingsregeling essentiële schulden buiten beschouwing gelaten. Tot slot vraagt eiser Dienst Toeslagen niet om een nieuwe betalingsregeling, maar om finale kwijtschelding van alle openstaande schulden. Kwijtschelding is volgens eiser passend en evenredig.
10. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit de opeisbare betalingscapaciteit per maand vastgesteld op € 338,-. In het verweerschrift geeft Dienst Toeslagen aan dat dit bedrag niet klopt, omdat er niet is gekeken naar de betalingen die eiser al heeft gedaan en die het maandbedrag beïnvloeden. Als die betalingen wel worden meegeteld, komt de betalingscapaciteit per maand uit op € 327,-. Daarnaast merkt Dienst Toeslagen op dat er in het voordeel van eiser rekening is gehouden met de woonlasten van zijn tweede woning aan de Tempo Doeloestraat, wat niet nodig was. Dienst Toeslagen ziet geen aanleiding voor een verdere verlaging van het bedrag of kwijtschelding.
Het oordeel van de rechtbank
Schuldenoverzicht
11. Op de zitting heeft Dienst Toeslagen toegelicht dat het schuldenoverzicht van 24 november 2025 afwijkt van dat van 8 januari 2026 door een systeemfout, waarbij bedragen zijn samengevoegd. Daarnaast is er een aflossing van € 258,- door eiser gedaan. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij deze uitleg begrijpt en dat het overzicht daarmee klopt. De rechtbank overweegt verder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de terug te betalen bedragen waarop de persoonlijke betalingsregeling is gebaseerd, onjuist zijn.
Betalingsregeling
12. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 28, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) het bedrag van een terugvordering binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering moet worden betaald. Artikel 31 van de Awir biedt de mogelijkheid om nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling. Hiervan is gebruik gemaakt in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir. Op grond van het derde lid van dit artikel kan een betalingsregeling worden vastgesteld waarbij de terugvordering in 24 maanden wordt terugbetaald. Op grond van het vierde lid kan op verzoek van een belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering terug te betalen overeenkomstig een betalingsregeling zoals bedoeld in het derde lid, een persoonlijke betalingsregeling worden vastgesteld waarbij de hoogte van de maandelijks te betalen bedragen wordt vastgesteld op basis van de betalingscapaciteit van een belanghebbende en zijn of haar partner. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op grond van artikel 13 tot en met artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (Uitvoeringsregeling IW).In deze regeling is aangegeven met welke inkomsten en uitgaven rekening mag worden gehouden. Daarnaast wordt rekening gehouden met de gegevens die nader zijn benoemd in de Leidraad Invordering 2008.
13. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen, in overeenstemming met artikelen 13 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling IW, de roodstand op betaalrekeningen, de TOZO-schuld en de creditcardschulden terecht niet heeft meegenomen. Op grond van artikel 15, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling IW en artikel 25.5.8 van de Leidraad Invordering 2008 is er alleen ruimte om de door eiser gestelde uitgaven mee te nemen, indien daarop wordt afgelost. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er betalingen plaatsvinden op de door hem genoemde schulden. Omdat eiser nog niet maandelijks aflost op deze schulden, staan voornoemde bepalingen in de weg aan het meenemen daarvan bij de berekening van de betalingscapaciteit. De beroepsgrond slaagt niet.
14. Verder stelt de rechtbank vast dat Dienst Toeslagen zich in haar verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat bij het bestreden besluit een betalingsregeling is bepaald van € 338,- per maand voor 24 maanden. Omdat ten onrechte geen rekening was gehouden met de reeds gedane betalingen door eiser, had het maandbedrag volgens Dienst Toeslagen € 327,- moeten zijn. Dienst Toeslagen stelt zich dan ook op het standpunt dat het beroep op dit punt gegrond moet worden verklaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. Op de zitting hebben partijen laten weten dat zij het wenselijk vinden dat de rechtbank zelf in de zaak voorziet voor wat betreft het verlagen van het maandbedrag naar € 327,-. Ook heeft Dienst Toeslagen aangeboden het griffierecht te willen vergoeden. De rechtbank zal daarom op dit punt zelf in de zaak voorzien.
15. De rechtbank wijst eiser er verder op dat hij een nieuw verzoek tot toekenning van een persoonlijke betalingsregeling kan indienen bij Dienst Toeslagen, mocht hij in de toekomst wel gaan betalen of aflossen op de door hem genoemde schulden. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat eiser inmiddels geen fiscaal partner meer heeft, zoals op de zitting door eiser naar voren is gebracht.
Verzoek tot kwijtschelden
16. De rechtbank overweegt tot slot dat eiser kwijtschelding van zijn toeslagschulden niet kan bereiken met deze beroepsprocedure. Op grond van artikel 31bis van de Awir kan Dienst Toeslagen een terugvordering, de met die terugvordering samenhangende rente, en kosten van invordering, niet geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. Dienst Toeslagen heeft voldoende gemotiveerd dat artikel 31ter van de Awir niet op de situatie van eiser van toepassing is. De rechtbank volgt Dienst Toeslagen hierin. Bovendien kan deze kwestie worden aangevoerd bij een definitieve vaststelling en niet bij een betalingsregeling zoals hier aan de orde is.
17. Dat kwijtschelding volgens eiser passend en evenredig is, leidt niet tot een ander oordeel. Dienst Toeslagen heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat toetsing van een wet in formele zin – zoals de Awir – aan het evenredigheidsbeginsel in beginsel niet mogelijk is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen dat er wel aanleiding kan bestaan voor een zogenoemde contra legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene beginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daar is in dit geval geen sprake van. Dienst Toeslagen heeft namelijk al in het voordeel van eiser geen rekening gehouden met de hypotheeklasten van zijn tweede woning en hij heeft bovendien voldoende betalingscapaciteit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
18. Gelet op het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek zoals bedoeld in artikel 3:2 van Algemene wet bestuursrecht (Awb), is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2025 voor zover dit ziet op de opeisbare betalingscapaciteit per maand. De rechtbank ziet gelet op wat in rechtsoverweging 14 is overwogen aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Awb zelf in de zaak te voorzien in die zin dat zij bepaalt dat het maandelijkse terug te betalen bedrag wordt vastgesteld op € 327,-. Het bestreden besluit kent voor het overige geen gebreken, daarom laat de rechtbank dit verder in stand.
19. Omdat het beroep gegrond is moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2025 voor zover dit ziet op de maandelijkse betalingscapaciteit;
- bepaalt dat de opeisbare betalingscapaciteit per maand wordt vastgesteld op € 327,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; en
- draagt Dienst Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.