ECLI:NL:RBMNE:2026:789

ECLI:NL:RBMNE:2026:789

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 16-02-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer 1633244724
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewezenverklaring van medeplegen van de voorbereiding van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. Oplegging van 180 dagen jeugddetentie, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. De Rotterdamse schaal is gebruikt voor de hoogte van de immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/332447-24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 februari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2003 in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats 1] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 februari 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

op 19 oktober 2024 in IJsselstein, samen met anderen, ter voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing, een blik met een elektronische lucifer (een squib), draden, flitspoeder en bivakmutsen voorhanden heeft gehad.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert geen verweer over het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 2 februari 2026;

- een proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2024, over de aanhouding van de verdachten;

- een proces-verbaal van 17 maart 2025, inclusief bijlage, over het forensisch onderzoek op de plaats delict ( [straat] [plaats 2] );

- het NFI-rapport van 7 februari 2025, over het explosievenonderzoek.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 19 oktober 2024 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te duchten is, opzettelijk

- een blik met een elektronische lucifer (een squib), en

- draden die verbonden waren aan die squib, en

- ongeveer 700 gramflitspoeder, en

- meerdere bivakmutsen,

kennelijk bestemd tot het begaan van een misdrijf, voorhanden heeft gehad;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid feit en de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, de algemene en de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsadvies van 27 februari 2025, met uitzondering van het locatiegebod, de elektronische monitoring daarop en op het locatieverbod;

- een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 2 maanden jeugddetentie als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank het jeugdstrafrecht toe te passen en, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van deze zaak, te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie die niet langer is dan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk deel of een voorwaardelijke taakstraf, met het oog op de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Hierbij verzoekt de advocaat om (verdere) oplegging van elektronische monitoring achterwege te laten. De advocaat verzoekt daarnaast geen onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen, omdat dit een te zware belasting vormt voor de verdachte en daarmee het reële risico bestaat dat deze wordt omgezet in een jeugddetentie.

Ter onderbouwing van zijn verzoeken verwijst de advocaat naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ook blijken uit de reclasseringsrapporten. Hij benoemt, onder meer, dat de verdachte een kwetsbare en beïnvloedbare jongen is. De detentie die hij heeft ondergaan heeft grote indruk op hem gemaakt. Hij schaamt zich voor zijn daden en wil daarvoor zijn excuses aanbieden. Zijn narcolepsie en het op een lager niveau functioneren maken de verdachte beperkt belastbaar. Desondanks zet hij zich nu in voor betaald werk en accepteert hij hulp en ondersteuning.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft, samen met anderen, voorbereidingen getroffen voor het laten ontploffen van een explosief bij een woning. De verdachten lieten zich, midden in de nacht, naar een woonwijk brengen met een tas met daarin een geprepareerd explosief. In het explosief zat een forse hoeveelheid flitspoeder, waarmee een enorme ontploffing had kunnen worden veroorzaakt. Niet alleen spullen zouden zijn vernield, maar ook personen in de directe nabijheid van het explosief zouden ernstig of zelfs dodelijk zijn verwond. De rechtbank gaat ervan uit dat de bedoeling was het explosief te plaatsen bij een woning waar al eerder explosieven waren geplaatst of geprobeerd was dit te doen. Adequaat ingrijpen van de politie heeft dit kunnen voorkomen.

Het handelen van de verdachte en zijn mededaders is bedreigend en beangstigend voor de bewoners van de betreffende woning en de omwonenden. Ook leidt het tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank vindt het zeer ernstig en zorgelijk dat de verdachte bereid is geweest om uit financieel motief zo’n ernstig strafbaar feit te plegen. De verdachte verklaarde op de zitting dat hij ten tijde van het bewezen verklaarde geldproblemen had en niet nadacht over de mogelijke gevolgen van zijn handelen. Dit terwijl hij, door het meenemen van een grote hoeveelheid van een explosieve stof in een woonwijk, onaanvaardbare risico’s nam.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van:

het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026;

een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 27 februari 2025, opgesteld door reclasseringswerker L.F. Visser;

een aanvullende e-mail van Reclassering Nederland van 2 februari 2026, opgesteld door reclasseringswerker Y. Zanaki.

Het strafblad

Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.

Het reclasseringsadvies

Uit het reclasseringsrapport van 27 februari 2025 blijkt dat er bij de verdachte kwetsbaarheden werden gezien in de vorm van een vermoedelijke cognitieve beperking, beïnvloedbaarheid, beperkte weerbaarheid, een matig inzicht in de consequenties van zijn handelen en beperkte oplossingsvaardigheden. Deze kwetsbaarheden waren van invloed op de gedragskeuzes van de verdachte bij het bewezen verklaarde. De reclassering schatte het recidiverisico toen in als gemiddeld. Er werden er diverse risicofactoren gezien die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit vergroten. De verdachte had geen dagbesteding en inkomen, maar wel schulden. Het deels negatieve sociale netwerk en mogelijke criminele netwerk dat achter het delict zit, werden ook gezien als risicofactoren. Daarnaast waren er vermoedens van een licht verstandelijke beperking en zodoende beperkte(re) cognities en vaardigen. Volgens de reclassering was behandeling gericht op het veranderen van deze factoren nodig.

De reclassering adviseerde het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte functioneert vermoedelijk op (licht) verstandelijk beperkt niveau, hij lijkt de risico’s van zijn handelen slecht in te kunnen inschatten, vertoont kinderlijker gedrag dan men gezien zijn kalenderleeftijd zou verwachten en laat zich gemakkelijk beïnvloeden.

Met het oog op het terugdringen van het recidiverisico, adviseerde de reclassering een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij de volwassenreclassering;

Ambulante behandeling;

Contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer;

Locatieverbod voor [plaats 2] en [plaats 3] met een straal van 5 kilometer hier omheen (met elektronische monitoring);

Locatiegebod (met elektronische monitoring);

Dagbesteding;

Meewerken aan schuldhulpverlening.

Uit de aanvullende informatie van de reclassering 2 februari 2026 blijkt dat het intelligentieniveau van de verdachte is vastgesteld op beneden gemiddeld. De verdachte is hierdoor gebaat is bij intensievere ambulante begeleiding. De reclassering schat het recidiverisico nu in als laag, zolang de verdachte in beeld blijft bij de reclassering, begeleid blijft worden door Amsta en beschikt over een zinvolle dagbesteding. Gelet op de duur van het huidige schorsingstoezicht, de positieve ontwikkeling van de verdachte en het ontbreken van verhoogde risico’s bij het laten vervallen van het locatiegebod, adviseert de reclassering om deze bijzondere voorwaarde en de elektronische monitoring daarop te laten vervallen. Dit geldt ook voor de elektronische monitoring op het locatieverbod.

De verdachte op de zitting

De rechtbank zag de door de reclassering benoemde kwetsbaarheden terug in hoe de verdachte zich presenteerde tijdens de zitting. Hoewel het voor de verdachte niet makkelijk was over de verdenking te praten, gaf hij wel toe dat hij fouten had gemaakt en zijn financiële problemen anders had moeten aanpakken. Hij verklaarde spijt te hebben van zijn daden en kwam daarin oprecht over. Hij is erg geschrokken van de gevolgen hiervan en beseft nu hoe fout het had kunnen aflopen. Verder is de verdachte, ondanks zijn fysieke problemen, aan het werk gegaan en is gemotiveerd om daarmee door te gaan.

Strafkader

De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit meerderjarig was, maar de leeftijd van 23 jaar nog niet had bereikt; hij was 21 jaar. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht biedt de rechtbank de mogelijkheid om voor jongvolwassenen een jeugdsanctie toe te passen in het geval de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe aanleiding geven. Gelet op de argumenten die daarvoor volgen uit het reclasseringsadvies en die de rechtbank bevestigd ziet in het dossier en wat op de zitting is besproken , zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

Gelet op de hiervoor beschreven ernst van het feit, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een jeugddetentie. Het met een geprepareerd explosief met zoveel vernietigingskracht in een woonwijk aanwezig zijn, op een tijdstip waarop de meeste mensen in hun woningen in bed liggen, is immers enorm gevaarlijk en angstaanjagend. Daarnaast moet het signaal worden afgegeven aan de (overwegend jonge) personen, die overwegen voor een relatief klein geld bedrag zulke strafbare feiten te plegen, dat ook het plegen van voorbereidingshandelingen zwaar wordt bestraft.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Kijkend naar de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van meerdere maanden passend. De rechtbank ziet echter aanleiding hiervan af te wijken, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het oog op het voorkomen van recidive.

Naast vergelding, is een ander belangrijk doel van het opleggen van straf namelijk ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Dat de verdachte zo gemakkelijk is meegegaan in een voorstel gedaan door iemand die hij “kende van de straat”, omdat hij geld nodig had vindt de rechtbank zorgwekkend. Om te voorkomen dat hij hiertoe opnieuw wordt verleid, legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op. , Enerzijds vormt dit de stok achter de deur voor de verdachteom op het, nu ingeslagen, rechte pad te blijven. En anderzijds biedt het ruimte de door de reclassering geadviseerde voorwaarden op te leggen om de verdachte zo weerbaar te maken tegen verleidingen en druk om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Bij het bepalen van de duur van (het onvoorwaardelijke deel van) de jeugddetentie houdt de rechtbank, tot slot, rekening met het feit dat de verdachte ongeveer twee maanden in voorarrest heeft verbleven en dat hij sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis gedurende dertien maanden onder toezicht van de reclassering, met een enkelband, heeft gewerkt aan zichzelf.

Conclusie

Alles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het bewezen verklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 114 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de algemene en bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het dictum. Dit betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

De rechtbank legt een lagere straf op dan geëist door de officier van justitie. Dat komt, onder meer, door toepassing van het jeugdstrafrecht en het aansluiten bij de daarbij behorende straffen.

Dadelijk uitvoerbaar

De rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de op te leggen voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Gezien het feit dat er sprake is van een lopend begeleidingstraject bij de volwassenreclassering (Reclassering Nederland) geeft de rechtbank aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De voorlopige hechtenis

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6. In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn de volgende goederen inbeslaggenomen:

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de telefoon wordt teruggegeven aan de verdachte. De officier van justitie heeft ten aanzien van de muts en handschoen geen standpunt ingenomen nu de verdachte op zitting heeft aangegeven afstand te doen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen. De verdachte heeft op de zitting aangegeven dat hij de handschoenen en de muts niet terug hoeft te hebben.

Oordeel van de rechtbank

Telefoon

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen telefoon, omdat deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

Bivakmuts

De rechtbank zal de in beslag genomen bivakmuts verbeurdverklaren. Met betrekking tot of met behulp van dit voorwerp is het bewezenverklaarde feit begaan.

Handschoen

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het in beslag genomen handschoen, omdat deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.000,- voor de gevolgen van het ten laste gelegde feit, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, vanwege het ontbreken van (voldoende) causaal verband tussen de strafbare gedragingen van de verdachte en de immateriële schade.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank veronderstelt dat het bewezen verklaarde strafbare feit hevige gevoelens van onveiligheid oproept daarmee rechtstreeks immateriële schade wordt toegebracht aan de benadeelde partij. De aard en de ernst van het feit brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon aannemelijk is. Dat er, in dit geval, in de maanden voordat de verdachte dit strafbare feit pleegde, meerdere (pogingen tot) ontploffing hebben plaatsgevonden aan het adres van de benadeelde partij doet er niet aan af dat ook dit strafbare feit bijdraagt aan het gevoel van onveiligheid bij de benadeelde partij.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.

De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

De Rotterdamse schaal bevat een richtlijn voor ‘bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing’. De rechtbank neemt de binnen die categorie genoemde bandbreedte van € 1.000,- tot € 8.000,- als uitgangspunt. In dit geval is geen sprake van een bedreigende situatie door een opzettelijke ontploffing, maar ‘slechts’ van een bedreigende situatie die de voorbereiding daarvan oplevert. Anderzijds betreft het wel een incident dat onderdeel uitmaakt van een reeks incidenten en vindt het bij de woning van het slachtoffer plaats. Gelet op deze omstandigheden en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 19 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Veroordeling in de kosten van de benadeelde partij

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.500,- aan de Staat moet betalen.

Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht en de jonge leeftijd van de verdachte in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

8. Toegepaste wetsartikelen

De beslissing berust op de artikelen:

- 33, 33a, 36f, 46, 47, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de

gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 114 (honderdveertien) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste en derde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

Meldplicht Reclassering

De verdachte werkt mee aan het toezicht door Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam en meldt zich op afspraken met de reclassering zo vaak de reclassering dat nodig vindt;

Ambulante behandeling

De verdachte laat zich diagnosticeren en behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering.

De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

Contactverbod

De verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2002 zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

De verdachte heeft of zoekt daarnaast op geen enkele wijze -direct of indirect- contact met het slachtoffer, [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 3] 1993, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

Locatieverbod

De verdachte bevindt zich niet in [plaats 2] en [plaats 3] , met een straal van vijf kilometer hier omheen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een passende dagbesteding, in de vorm van (betaald) werk, en/of opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

Aflossing schulden

De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

- waarbij de reclassering (Reclassering Nederland) opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

beslag

- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen:

 telefoontoestel, zwart, merk: Apple (G3422338);

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

 muts, zwart (G3422337);

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende voorwerpen:

 handschoen (G3422361);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]

voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.M. Heppe, voorzitter, mr. M.J. Terstegge en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.

De jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te IJsselstein, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een

ontploffing teweegbrengen waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te duchten

is,

opzettelijk

- een blik met een elektronische lucifer (een squib), en/of

- draden die verbonden waren aan die squib, en/of

- ongeveer 700 gram, althans een hoeveelheid flitspoeder, althans een soortgelijk

brandbaar en/of explosief poeder, en/of

- een of meerdere bivakmutsen,

kennelijk bestemd tot het begaan van een misdrijf,

heeft verworven, vervaardigd, ingevoegd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?