RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/332441-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2002 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 19 oktober 2024 in IJsselstein samen met anderen ter voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing, een blik met een elektronische lucifer (een squib), draden, flitspoeder en bivakmutsen voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Inleiding
In juni en juli 2024 werden bij de woningen/het bedrijfspand van aangever [slachtoffer 1] en die van [slachtoffer 2] , zijn compagnon, explosieven geplaatst die al dan niet afgingen. Op 18 oktober 2024 werden opnieuw explosieven neergelegd bij de woning van [slachtoffer 1] in [woonplaats 1] en de woning van [slachtoffer 2] in [woonplaats 2] . In beide gevallen werden de uitvoerders gestoord en vonden geen explosies plaats. De gebeurtenissen waren aanleiding voor de politie om in de omgeving van de betreffende woningen te surveilleren, met als doel verdachten op heterdaad aan te houden.
Een dag later, op 19 oktober 2024, zag de politie verdachte bewegingen rondom de woning van [slachtoffer 1] in [woonplaats 1] . Toen portofonisch werd doorgegeven dat bij de woning van [slachtoffer 2] in [woonplaats 2] een persoon was aangehouden die een explosief plaatste, werd overgegaan tot aanhouding van verdachte personen in de omgeving van de woning van [slachtoffer 1] . Medeverdachte, [medeverdachte] , en de verdachte werden daarop aangehouden. [medeverdachte] droeg een tas bij zich met daarin een verf/conservenblik met daaruit een rood draad dat was opgerold rondom een plastic flesje.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het feit. Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte een voorwerp voorhanden heeft gehad met het oogmerk een ontploffing teweeg te brengen, dan wel dat hij handelingen heeft verricht die kunnen worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing. Daarnaast is er onvoldoende bewijs van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten. Voorts blijkt uit het dossier dat het aangetroffen explosief ondeugdelijk was en is er voldoende bewijs dat sprake was van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die voor de leesbaarheid van het vonnis in bijlage II van dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverwegingen
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Uit camerabeelden blijkt dat op 19 oktober 2024, om 02.13.21 uur een persoon liep langs de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Om 02.14.03 uur stak deze persoon de [straat 1] over, het [straat 2] in. Midden op de weg draaide hij zich om keek in de richting van de woning. Om 02.16.16 uur liep de persoon van het [straat 2] over de [straat 3] , langs de woning. Toen de persoon voorbij de woning liep, waaraan camera’s zijn bevestigd, bracht hij zijn arm richting zijn hoofd en hield de rand van zijn capuchon vast. Om 02.16.36 uur liep weer een persoon langs de woning. Toen hij de woning voorbij was gelopen keek hij om, naar de woning.
Rond 02.20 uur vond in Nieuwegein een aanhouding plaats voor het daadwerkelijk plaatsen van een explosief. De politie, die de woning (in [woonplaats 1] ) in de gaten hield, kreeg vervolgens opdracht verdachte personen bij de [straat 3] aan te houden. De persoon die de politie eerder, rond 02.15 uur, bij de woning zag werd gevolgd en om 02.25 uur lopend aangetroffen op de Edisonweg in [woonplaats 1] . Na aanhouding bleek deze persoon de verdachte te zijn. De verdachte liep op de Edisonweg ongeveer 10 meter voor een andere persoon. Ook die persoon werd aangehouden en bleek medeverdachte, [medeverdachte] , te zijn. [medeverdachte] droeg een plastic zak met daarin een geïmproviseerde (zelfgemaakte) explosieve constructie (hierna: het explosief) dat zo’n 600-650 gram flitspoeder bevatte.
De verdachte liep meerdere keren langs de woning
De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte de persoon is die, zoals op camerabeelden is te zien, op 19 oktober 2024 tussen 02.13.21 uur en 02.16.36 uur drie keer langs de woning liep. Het tijdsbestek en het signalement van de persoon op de beelden komt overeen met de waarnemingen van de politieagenten, die op hun eigen live camerabeelden om 02.15 uur een ‘donkere’ man, geheel in het zwart gekleed, zagen lopen en staan in de buurt van/bij de woning, terwijl hij naar de woning keek. Deze man is gevolgd door de politieagenten en werd kort daarna door andere politieagenten aangehouden die vaststelden dat het om de verdachte ging. De verdachte werd na zijn aanhouding herkend door de politieagenten die hem bij de woning zagen en daarna volgden. Hoewel zij in hun proces-verbaal niet beschrijven waaraan zij de verdachte herkenden, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de herkenning. Zij heeft deze namelijk kunnen verifiëren aan de hand van screenshots van de camerabeelden en een foto die van de verdachte is gemaakt toen hij was aangehouden, waarop kenmerkende overeenkomsten zijn te zien zoals een blauw kledingstuk dat deels onder de jas uitstak.
Medeplegen voorbereidingshandelingen explosie
De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 19 oktober 2024 in IJsselstein, samen met anderen, voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het teweeg brengen van een explosie.
Voor dit oordeel oordeelt de rechtbank, allereerst, dat de verdachte, samen met een ander, het bij [medeverdachte] aangetroffen explosief en de bij beide verdachten aangetroffen bivakmutsen voorhanden heeft gehad. De rechtbank gaat er op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen van uit dat de verdachte samen met [medeverdachte] , met de auto naar IJsselstein is gebracht. Bij zijn aanhouding verklaarde [medeverdachte] namelijk dat “zij hier gebracht waren”. Uit de verklaring van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris valt op te maken dat dit met de auto gebeurde. Zonder een aannemelijke verklaring van de verdachte voor zijn aanwezigheid bij en in de omgeving van de woning - de verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht -, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte] met “zij” bedoelde: hij en de verdachte. De verdachte werd immers op slechts enkele meters van [medeverdachte] aangehouden en uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte] blijkt dat de verdachte en [medeverdachte] elkaar kennen en zeer kort voor hun aanhouding veelvuldig telefonisch contact met elkaar hadden.
Bij de rechter-commissaris verklaarde [medeverdachte] ook nog dat hij de tas, die hij bij zijn aanhouding bij zich droeg en waarin het explosief zat, “dezelfde avond” kreeg. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte samen met [medeverdachte] én het explosief naar [woonplaats 1] is gebracht. De verdachte en [medeverdachte] hadden, toen zij in de auto zaten, beide de beschikkingsmacht over het explosief. Dat zij van de aanwezigheid van het explosief ook wetenschap hadden volgt uit de gedragingen van beide verdachten. [medeverdachte] begaf zich met de tas met daarin het explosief in de buurt van de woning. Zonder een aannemelijke verklaring van de verdachte over waarom hij in een tijdsbestek van enkele minuten drie keer langs de woning liep en daarbij zichtbaar interesse toonde in de woning (door steeds te kijken) en daarbij zijn gezicht af te schermen (door de rand van zijn capuchon vast te pakken toen hij langs de camera liep), gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte een voorverkenning verrichtte met het doel het explosief vervolgens ongezien/ongehinderd te (laten) plaatsen.
Dat het plaatsen en vervolgens laten ontploffen van het explosief het gezamenlijke doel was van de verdachte en [medeverdachte] blijkt wel uit de volgende omstandigheden. In de periode van 4 juni tot en met 2024 vinden meerdere explosies plaats bij de woningen en het bedrijf van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De verdachten zijn met het explosief in de buurt van de woning op het moment dat daadwerkelijk een explosief bij de woning van [slachtoffer 2] in [woonplaats 2] wordt geplaatst. Tot slot gebeurde iets vergelijkbaars in de nacht ervoor. Op 18 oktober 2024 werden bij de woning en de woning in [woonplaats 2] explosieven neergelegd. Op de camerabeelden van beide woningen was te zien dat op beide locaties een voorwerp voor de deur werd gelegd waarna een persoon een draad vanaf dat voorwerp uitrolde, weg van de locaties. De beschrijving van het voorwerp vertoont sterke gelijkenissen met het explosief dat ook, onder meer, een draad en een spoel (in de vorm van een flesje) bevatte. In beide gevallen zijn de personen die de explosieven neerlegden op 18 oktober 2024 gestoord waardoor er geen explosie plaatsvond. De rechtbank begrijpt de aanwezigheid van de verdachten en het explosief dan ook niet anders dan een directe aanloop naar een nieuwe poging een ontploffing teweeg te brengen.
Tegen de achtergrond van het voorgaande is het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde onderdelen van het explosief en de bivakmutsen aan te merken als een gedraging die werd uitgevoerd met voorbereidingsmiddelen die (naar hun uiterlijke verschijningsvorm kennelijk) bestemd waren tot het teweegbrengen van een ontploffing, als bedoeld in de artikelen 46 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Aan de door de Hoge Raad gegeven criteria die maatgevend zijn om te bepalen of een voorwerp ‘kennelijk is bestemd’ tot het begaan van het beoogde misdrijf is immers voldaan. De uiterlijke verschijningsvorm van het explosief, dat ongeveer 650 gram flitspoeder bevatte, duidt op het doel van het teweegbrengen van een ontploffing. Voor de hand ligt dat de bivakmutsen daarbij gebruikt zouden worden om niet herkend te worden. Het gebruik van het explosief bestond eruit dat het door de verdachten gezamenlijk werd gebracht naar de directe omgeving van de woning, waar eerder explosieven waren geplaatst (en afgegaan). Het meebrengen van de bivakmutsen volgt die redenering. Het misdadige doel dat de verdachten met de goederen voor ogen hadden, heeft de rechtbank hierboven reeds uitgebreid beschreven.
Ondeugdelijk middel
Anders dan de verdediging aanvoert, blijkt uit het dossier niet dat het explosief absoluut ondeugdelijk was. Uit het NFI-rapport volgt dat het explosief “conceptueel deugdelijk” was, wat inhoudt dat wanneer elk onderdeel naar behoren functioneerde, de constructie tot ontploffing kon worden gebracht als deze werd aangesloten op een geschikte stroombron. Er was echter sprake van kortsluiting in het elektrisch circuit. Onduidelijk is of hiervan al sprake was toen de verdachten en het explosief naar de directe omgeving van de woning werden gebracht. Hoe dan ook, uit het NFI-rapport blijkt dat deze kortsluiting eenvoudig was op te heffen door de draden in één enkele beweging te spreiden. Het explosief kon dus nog tot ontploffing worden gebracht. Het verweer slaagt niet.
Gevaarzetting bij ontploffing
De rechtbank is van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, tijdens het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. In het NFI-rapport staat immers dat bij ontploffing van een dergelijk explosief eventuele omstanders binnen een afstand van circa één à twee meter zeer ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel zouden hebben opgelopen door rondvliegende scherven, hitte, vuurverschijnselen en de drukgolf. Mocht iemand binnen één à twee meter niet geraakt worden door scherven, dan nog is dodelijk letsel door de overdruk van de ontploffing een gegeven. Voor omstanders tot op enkele tientallen meters ontstaat bij ontploffing het gevaar voor ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel door rondvliegende scherven door rondvliegende scherven.. Zelfs wanneer iemand niet geraakt wordt door een scherf, geldt dat er in ieder geval gevaar voor gehoorschade ontstaat, aldus het NFI.
De rechtbank is van oordeel dat het nachtelijke tijdstip niet maakt dat er geen levensgevaar of gevaar voor ernstig lichamelijk letsel te duchten was. Ook in de nacht kan niet worden uitgesloten dat er zich personen in de omgeving bevinden. Bovendien beperken de effecten van een ontploffing zich niet enkel tot de directe omgeving, maar is het juist de scherfwerking van de ontploffing die het gevaar vormt, waarbij de gevolgen zich ook kunnen uitstrekken tot in de woningen in de directe omgeving. Het verweer van de verdediging slaagt niet.
Conclusie
De rechtbank vindt, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en gelet op wat hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 19 oktober 2024 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te duchten is, opzettelijk
- een blik met een elektronische lucifer (een squib), en
- draden die verbonden waren aan die squib, en
- ongeveer 700 gramflitspoeder, en
- meerdere bivakmutsen,
kennelijk bestemd tot het begaan van een misdrijf, voorhanden heeft gehad;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de algemene en bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsadvies van 26 januari 2026; en
- een taakstraf van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de eis van de officier van justitie, gelet op straffen in vergelijkbare zaken, disproportioneel hoog is. Daarnaast wijst hij op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte zou slechts de rol van uitvoerder hebben vervuld en was ten tijde van het bewezen verklaarde feit pas 22 jaar oud. Daarnaast blijkt uit het reclasseringsrapport dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft, samen met anderen, voorbereidingen getroffen voor het laten ontploffen van een explosief bij een woning. De verdachten lieten zich, midden in de nacht, naar een woonwijk brengen met een tas met daarin een geprepareerd explosief. In het explosief zat een forse hoeveelheid flitspoeder, waarmee een enorme ontploffing had kunnen worden veroorzaakt. Niet alleen spullen zouden zijn vernield, maar ook personen in de directe nabijheid van het explosief zouden ernstig of zelfs dodelijk zijn verwond. De rechtbank gaat ervan uit dat de bedoeling was het explosief te plaatsen bij een woning waar al eerder explosieven waren geplaatst of geprobeerd was dit te doen. Adequaat ingrijpen van de politie heeft dit kunnen voorkomen.
Het handelen van de verdachte en zijn mededaders is bedreigend en beangstigend voor de bewoners van de betreffende woning en de omwonenden. Ook leidt het tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte, mogelijk uit financieel motief, bereid is geweest om zo’n ernstig strafbaar feit te plegen. Door het meenemen van een grote hoeveelheid explosieve stof in een woonwijk heeft hij onaanvaardbare risico’s genomen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennis genomen van:
het strafblad van de verdachte van 9 januari 2026;
een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 26 januari 2026, opgesteld door reclasseringswerker [persoon] .
Het strafblad
Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit dat ziet op of vergelijkbaar is aan het teweegbrengen van een ontploffing. Wel constateert de rechtbank dat de verdachte op jonge leeftijd al een aanzienlijk strafblad heeft (11 pagina’s) met diverse soorten (vermogens)delicten, wat zorgelijk is te noemen. De eerder opgelegde straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden een nieuw, ernstiger strafbaar feit te plegen. Een eerder opgelegde taakstraf is niet (goed) uitgevoerd.
Het reclasseringsadvies
Uit het rapport blijkt dat de reclassering het recidiverisico momenteel als gemiddeld tot hoog inschat. Op dit moment worden er diverse (dynamische) risicofactoren gezien die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit door verdachte vergroten, zoals de houding, het psychosociaal functioneren en het sociaal netwerk van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte schulden en geen gestructureerde dagbesteding. De reclassering vindt de ernst en de ontwikkeling van de delicten waarvoor de verdachte veroordeeld is en waarvan hij wordt verdacht, zorgelijk.
De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen. Hoewel er sprake is van een licht verstandelijke beperking en impulsiviteit, lijkt er geen sprake van een ontwikkelingsniveau dat wezenlijk achterloopt bij zijn kalenderleeftijd. Daarnaast is er sprake van een delictpatroon, hebben eerdere interventies geen blijvend effect gehad en vinden zij het niet noodzakelijk om een maatregel op te leggen die enkel via het jeugdstrafrecht mogelijk is.
De reclassering adviseert bij een veroordeling om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht;
Contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer;
Locatieverbod voor de gemeente IJsselstein;
Dagbesteding;
Aflossen schulden.
De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en toezicht zodat het huidige reclasseringscontact gecontinueerd wordt en de begeleiding en monitoring niet tot stilstand wordt gebracht.
Strafkader
Gelet op de hiervoor beschreven ernst van het feit kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het met een geprepareerd explosief met zoveel vernietigingskracht in een woonwijk aanwezig zijn, op een tijdstip waarop de meeste mensen in hun woningen in bed liggen, is immers enorm gevaarlijk en angstaanjagend. Daarnaast moet het signaal worden afgegeven aan de (overwegend jonge) personen, die overwegen voor een relatief klein geld bedrag zulke strafbare feiten te plegen, dat ook het plegen van voorbereidingshandelingen zwaar wordt bestraft.
Daarnaast is gebleken dat eerdere interventies kennelijk onvoldoende effect hebben gehad om de verdachte te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en is het uitvoeren van een eerder opgelegde taakstraf mislukt.
De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in het bijzonder het volgende laten meewegen. Kijkend naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd is in beginsel een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het oog op het voorkomen van recidive, echter aanleiding om een deel voorwaardelijk op te leggen.
Naast vergelding, is een ander belangrijk doel van het opleggen van straf namelijk ook het voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. In dat verband benoemt de rechtbank nog wel het zorgelijk te vinden dat de verdachte zich tijdens de zitting, op vragen over het ten laste gelegde op zijn zwijgrecht is blijven beroepen. Ook de reclassering maakt zich zorgen om de steeds ernstiger wordende delicten waarvoor de verdachte in aanraking komt met justitie. Die negatieve ontwikkeling moet worden gestopt. Positief daarbij is dat de verdachte nu open staat voor hulp en toezicht.
De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen. Het voorwaardelijke deel moet de verdachte motiveren op het rechte pad te blijven en zich te houden aan aan de bijzondere voorwaarden die de rechtbank zal opleggen, zoals vermeld in het dictum. De rechtbank vindt die voorwaarden van belang om recidive te voorkomen.
Bij het bepalen van de duur van (het onvoorwaardelijke deel van) de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte 101 dagen in voorarrest heeft verbleven, dat hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis gedurende twaalf maanden aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat artikel 63 Sr van toepassing is.
Conclusie
Alles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het
bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van tien maanden, met aftrek
van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan een gedeelte van vier maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op twee jaren.
Dadelijk uitvoerbaar
De rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.
6. In beslag genomen voorwerpen
Onder de verdachte zijn de volgende goederen inbeslaggenomen:
1 STK Muts (G3422339)
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de muts zal worden onttrokken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen bivakmuts verbeurdverklaren. Met betrekking tot of met behulp van dit voorwerp is het bewezenverklaarde feit voorbereid.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.000,- voor de gevolgen van het ten laste gelegde feit, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de gestelde psychische schade onvoldoende is onderbouwd en het causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank veronderstelt dat het bewezen verklaarde strafbare feit hevige gevoelens van onveiligheid oproept daarmee rechtstreeks immateriële schade wordt toegebracht aan de benadeelde partij. De aard en de ernst van het feit brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon aannemelijk is. Dat er, in dit geval, in de maanden voordat de verdachte dit strafbare feit pleegde, meerdere (pogingen tot) ontploffing hebben plaatsgevonden aan het adres van de benadeelde partij doet er niet aan af dat ook dit strafbare feit bijdraagt aan het gevoel van onveiligheid bij de benadeelde partij.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.
De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
De Rotterdamse schaal bevat een richtlijn voor ‘bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing”. De rechtbank neemt de binnen die categorie genoemde bandbreedte van € 1.000,- tot € 8.000,- als uitgangspunt. In dit geval is geen sprake van een bedreigende situatie door een opzettelijke ontploffing, maar ‘slechts’ van een bedreigende situatie die de voorbereiding daarvan oplevert. Anderzijds betreft het wel een incident dat onderdeel uitmaakt van een reeks incidenten en vindt het bij de woning van het slachtoffer plaats.
Gelet op deze omstandigheden en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 19 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Veroordeling in de kosten van de benadeelde partij
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.500,- aan de Staat moet betalen.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
8. Toegepaste wetsartikelen
De beslissing berust op de artikelen
- 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 46, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
Meldplicht Reclassering
De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60, 2011 AK in Haarlem, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
Contactverbod
De verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2003, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
De verdachte heeft of zoekt daarnaast op geen enkele wijze -direct of indirect- contact met het slachtoffer, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 3] 1993, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
Locatieverbod
De verdachte bevindt zich gedurende de proeftijd niet in de gemeente IJsselstein, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;
Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
Aflossing schulden
De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
muts, zwart (G3422339);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.M. Heppe, voorzitter, mr. M.J. Terstegge en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
De jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te IJsselstein, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een
ontploffing teweegbrengen waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te duchten
is,
opzettelijk
- een blik met een elektronische lucifer (een squib), en/of
- draden die verbonden waren aan die squib, en/of
- ongeveer 700 gram, althans een hoeveelheid flitspoeder, althans een soortgelijk
brandbaar en/of explosief poeder, en/of
- een of meerdere bivakmutsen,
kennelijk bestemd tot het begaan van een misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoegd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of
voorhanden heeft gehad.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van bevindingen, samenvattend pv, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 4 juni 2024 vond er een explosie plaats bij de woning van de aangever [slachtoffer 1] .
Op 06 juni 2024 werd er een vuurwerkbom geplaatst onder de auto van aangever [slachtoffer 1] .
Op 22 juni 2024 vond er een explosie plaats bij het bedrijfspand van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Op 28 juli 2024 vond er een explosie plaats bij de woning van aangever [slachtoffer 2] .
Op 30 juli 2024 vond er een explosie plaats bij de woning van aangever [slachtoffer 2] .
Op 18 oktober 2024 werden er op zowel het woonadres van [slachtoffer 2] als op het woonadres van [slachtoffer 1] explosieven neergelegd. Op de camerabeelden van beide woningen is te zien dat op beide locaties een voorwerp voor de deur wordt gelegd waarna de verdacht een draad vanaf dat voorwerp uitrollen weg van de locaties. In beide gevallen zijn de verdachte gestoord waardoor er geen explosie heeft plaatsgevonden.
Gezien de incidenten van 18 oktober 2024 is er een actie opgezet waarbij collega's onopvallend rondom de woningen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] surveilleerden met als doel verdachten op heterdaad aan te kunnen houden.
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2024331767-11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 oktober 2024 zag ik dat op de Edisonweg twee (2) personen liepen.
Persoon (1) bleek te zijn: [medeverdachte]
Persoon (2) bleek te zijn: [verdachte]
Ik zag dat verdachte (1) nog een blauwe Albert Heijn tas vasthield.
Ik zag dat in de tas een plastic fles zat. Ik zag dat er een zilverkleurig blik in zat. Ik zag dat om het blik een rode draad liep.
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2024331767-4, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 oktober 2024 omstreeks 02:20 uur zag ik op de camera's van de commandopost een persoon volledig in het zwart gekleed op de [straat 3] lopen. Ik begreep van de collega's dat deze persoon zich al langer ophield in die omgeving.
De persoon werd als volgt omschreven:
- volledig zwart gekleed;
- zwarte capuchon.
Op datzelfde moment werd er een aanhouding verricht in [woonplaats 2] voor dezelfde actie waarbij er een explosief daadwerkelijk was geplaatst. Door deze waarnemingen werden wij, gestuurd naar de [straat 3] om de eventuele verdachte personen aldaar te onderscheppen.
Ik hoorde een collega zeggen dat hij de persoon had zien lopen richting de Edisonweg . Aan het eind sloeg ik rechtsaf de Edisonweg op. Ik zag recht voor mij in de bocht een persoon lopen. Ik kan de persoon als volgt omschrijven:
- Bordeaux rode jas met capuchon over het hoofd;
- blauwe Albert Heijn tas;
- zwarte broek.
Omstreeks 02:25 uur stopte wij naast de persoon met de bordeauxrode jas. Ik zag ongeveer 10 meter verderop een tweede persoon lopen. Ik zag dat deze persoon, hierna te noemen 'verdachte', voldeed aan het signalement wat eerder doorgegeven werd als de persoon die zich in de omgeving van de [straat 3] liep.
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2024331767-12, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 oktober 2024 omstreeks 02.15 uur, zagen wij dat er een verdacht persoon zich ophield in de omgeving van de [straat 3] . Wij zagen dat de man als volgt omschrijven:
- Man;
- Donker;
- Geheel donker gekleed.
Hierna in dit verbaal nader te noemen als verdachte 1.
Wij zagen op de camerabeelden dat verdachte 1, zich op hield op het hoekje van de
[straat 3] en de [straat 1] . Wij zagen dat hij een paar keer kort en stiekem keek
in de richting van perceel [nummer] van de [straat 3] . Op dat moment stapten wij uit ons dienstvoertuig. Op het moment dat wij de Colombiahof in liepen, zagen wij dat de verdachte persoon op de Argentiniëhof liep in de richting van het fietspad aan het Sevenhovenpad.
Wij zagen dat hij vervolgens het Sevenhovenpad af liep en uiteindelijk bij de Edisonweg rechtsaf liep. Op het moment dat hij de Edisonweg op liep verdween hij even uit ons zicht.
Op het moment dat wij de Edisonweg op liepen, zagen wij dat collega's een tweetal (2) personen op de grond hielden. Wij herkenden voor de volledige 100% één van de twee als de verdachte persoon welke bij de [straat 3] stond en welke wij gevolgd hadden. Dit bleek later [verdachte] (verdachte 1).
Ik vroeg aan verdachte 2 waar hij vandaan kwam. Ik hoorde verdachte 2 mij verklaren dat hij uit [plaats] kwam en dat zij hier "gebracht" waren.
Een proces-verbaal van bevindingen, bevindingen omtrent aantreffen bivakmutsen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Door de verdachte [verdachte] werd ten tijde van de aanhouding een bivakmuts gedragen.
Bij de verdachte [medeverdachte] werd bij de aanhouding een bivakmuts aangetroffen.
Een proces-verbaal van bevindingen, beelden [slachtoffer 1] 19/10/2024, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Deze camera's zijn bevestigd aan de woning, gelegen aan het [adres] . De beelden hebben zicht voor een groot gedeelte op de openbare weg [straat 3] te IJsselstein. Ik zag dat linksboven in het beeld een datum en tijdstip stond, namelijk 10-19-2024 4 Sat 02.13.20 uur.
Ik zag dat om 02.13.21 uur in het beeld van rechts naar links een persoon komt aangelopen. Ik zag dat deze persoon iets in zijn rechterhand vasthoudt.
Ik zag dat de persoon om 02.14.03 uur op de hoek van de [straat 1] en het [straat 3] weer in beeld verschijnt. Ik zie dat de persoon de [straat 1] oversteekt en vervolgens naar rechts schuin het [straat 2] in loopt. Ik zag dat de persoon vervolgens stil blijft staan in het midden op de rijbaan, gezien vanuit de camerapositie, van het [straat 2] , niet ver van de [straat 1] af. Ik zag dat de persoon vervolgens zicht omdraait en kijkt in de richting van het [straat 3] . Ik zag dat de persoon zich daarna weer omdraait.
Op 02.16.16 uur zag ik dat de persoon van het [straat 2] weer loopt in de richting van
het [straat 3] . Op het moment dat de persoon langs de woning gelegen aan het [adres] , zag ik, dat de persoon zijn linkerarm richting zijn hoofd heeft gebracht en met zijn linkerhand de rand van zijn capuchon vasthoudt.
Ik zag dat linksboven in het beeld een datum en tijdstip stond, namelijk 10-19-2024 Sat 02.16.36 uur.
Ik zag dat er op genoemde datum en tijdstip in het beeld van links naar rechts een persoon komt aangelopen. Deze persoon is zeer waarschijnlijk dezelfde persoon als hierboven beschreven.
De persoon komt dan vanuit de richting [straat 1] en gaat in de richting van het Argentiniëhof. Ik zag dat de persoon in het donker is gekleed en dat de persoon een capuchon draagt. Ik zag dat de huidskleur van de persoon vermoedelijk donker is.
Ik zag dat de persoon langs de achterzijde van de woning loopt en als hij net de woning voorbij is, zag ik dat de persoon omkijkt en naar de achterzijde van de woning van nummer [nummer] kijkt.
Een proces-verbaal van bevindingen, onderzoek telefoon [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op basis van de bovenstaande bevindingen opgedaan in de telefoon heb ik vastgesteld dat [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2003 te [geboorteplaats] , kort voor zijn aanhouding en langere tijd daarvoor de vermoedelijke gebruiker was van de door mij onderzochte telefoon en telefoonnummer [telefoonnummer 1] .
Ook stelde ik vast dat [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 2002 te [geboorteplaats] de vermoedelijke gebruiker was van telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] zeer kort voor hun aanhouding op 19 oktober 2024 veelvuldig telefonisch contact met elkaar hebben gehad. Ik zag dat dit ook het geval was, onderling of in groepsverband, in de weken en maanden voorafgaand aan hun aanhouding, in totaal 405 keer.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover, inhoudende, zakelijk weergegeven:
U had de tas eerder die dag gekregen, wanneer dan? Dezelfde avond.
U was met de auto daar gebracht? Ja.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( Edisonweg IJsselstein ), voor zover, inhoudende zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 19 oktober 2024 om 03:00 uur werd ik verzocht een forensisch onderzoek in te stellen op de locatie Edisonweg in IJsselstein .
In de tas werd een flesje aangetroffen wat omwikkeld was met een zwart/rood gekleurde
kabel. Aan deze draad was een oranjekleurige kabel bevestigd. Deze draad was verbonden met een blik. Uit onderzoek bleek dat er in dit blik een zilverkleurig/grijs poeder aanwezig was. Tevens maakte de oranje draad deel uit van een elektronische lucifer, een zogenaamde
Squib.
SIN: AAPE2118NL
Spooromschrijving: Poeder
Plaats veiligstellen: Uit blik
SIN: AAPE2147NL
Spooromschrijving: Deksel
Een geschrift, te weten een rapportage explosievenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2024.10.22.107, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Onderzoeksmaterialen
De via de EODD ontvangen onderzoeksmaterialen
AAPE2118NL monster – poeder – uit blik – 2 gram tbh nfi
AAPE2147NL deksel – via eodd veiliggesteld naar nfi
Betreft het aangeleverde monster van de vermeende lading een explosieve
stof? Zo ja, welke?
Ja. Onderzoeksmateriaal AAPE2118NL betreft een pyrotechnisch mengsel dat te typeren is als ‘flitspoeder’. Flitspoeders zijn krachtige explosieve stoffen.
Was de aangetroffen vermeende explosieve constructie deugdelijk?
Het gaat om een geïmproviseerde (zelfgemaakte) explosieve constructie. Een explosieve constructie met een dergelijke opbouw is conceptueel deugdelijk. Met andere woorden: wanneer elk onderdeel naar behoren zou functioneren, dan kan een dergelijke constructie tot ontploffing worden gebracht als deze wordt aangesloten op een geschikte stroombron.
Echter, bij onderzoeksmateriaal [AAPE2111NL] zoals het is aangeleverd voor onderzoek, kwamen de blootliggende koperen kernen van de draden tegen elkaar aan ter hoogte van waar de draden op elkaar waren aangesloten (bijlage 2). Er is dan sprake van kortsluiting in het elektrisch circuit.
Wat is de gevaarzetting als een dergelijk explosief tot ontploffing komt?
Bij een ontploffing van een dergelijke hoeveelheid flitspoeder (geschatte hoeveelheid 600–650 gram) in een afgesloten metalen blik treden effecten als hitte, kortstondige vuurverschijnselen (met een felle witte flits) en een drukgolf met een zeer luide knal op. Bij de ontploffing wordt het metalen blik uiteengereten (‘verscherven’) en worden metaalscherven (in een vrije baan) met veel energie tientallen meters weggeslingerd.
Materiële schade aan in de directe nabijheid aanwezige omgevingsmaterialen is een gegeven. Naast scherfwerking van het blik kan er dan ook scherfwerking optreden van (delen van) deze omgevingsmaterialen. Dit vergroot de gevaarzetting voor personen en andere goederen.
Voor omstanders binnen een afstand van 1 à 2 meter (in een vrije baan) van de ontploffing (in een vrije baan) is zeer ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel een gegeven door rondvliegende scherven, hitte en vuurverschijnselen en de drukgolf. Mocht iemand binnen 1 à 2 meter niet geraakt worden door scherven, dan nog is dodelijk letsel door de overdruk van de ontploffing een gegeven.
Tot op enkele tientallen meters afstand van de ontploffing (in een vrije baan) geldt voor omstanders gevaar voor ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel door rondvliegende scherven. Ook wanneer iemand niet geraakt wordt door een scherf, geldt dat er tot op een afstand van tientallen meters in ieder geval gevaar ontstaat voor gehoorschade (al dan niet permanent).
Samenvatting van de resultaten van het onderzoek aan de onderzoeksmaterialen
Zoals het geheel was aangeleverd kwamen de blootliggende kernen van de draden tegen elkaar aan (zie foto C) en is er dus sprake van kortsluiting. De blootliggende kernen waren niet met elkaar verstrengeld en de kortsluiting was eenvoudig op te heffen door de draden in één enkele beweging te spreiden (foto D).