RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12012105 \ LV EXPL 25-52
Vonnis in kort geding van 23 februari 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,
2. [eiser sub 2],
hierna te noemen: [eiser sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
gemachtigde: mr. H.R. Yücesan,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties;- de veertien producties van de zijde van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling op 9 februari 2026, waarbij [eiser sub 1] , bijgestaan door
mr. Yücesan, en [gedaagde] , bijgestaan door mr. Van Tellingen, zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken;
- de pleitaantekeningen van de zijde van [gedaagde] .
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 23 februari 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] huurde van de Alliantie de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). [gedaagde] heeft in verband met persoonlijke omstandigheden het gehuurde tijdelijk beschikbaar gesteld aan [eisers c.s] . [eisers c.s] is vanaf 12 december 2024 in het gehuurde komen wonen. [gedaagde] had hiervoor geen toestemming van de Alliantie. De Alliantie wilde dat [gedaagde] vanaf 1 augustus 2025 het gehuurde zelf weer zou gaan bewonen. [eisers c.s] is vervolgens op vordering van [gedaagde] op 25 juli 2025 door de kantonrechter veroordeeld om het gehuurde uiterlijk op 1 oktober 2025 te ontruimen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [eisers c.s] niet aan die veroordeling zou voldoen. In de dagvaarding stelt [eisers c.s] dat het vonnis van 25 juli 2025 op een feitelijke en juridische misslag berust, maar mr. Yücesan heeft ter zitting verduidelijkt dat het [eisers c.s] daar in deze procedure niet om gaat. In deze procedure ligt alleen de vraag voor of en in hoeverre dwangsommen zijn verbeurd en of [gedaagde] de vermeend verbeurde dwangsommen mag innen.
3. De beoordeling
Toetsingskader
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
Spoedeisend belang
Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onverwijlde voorziening geboden is en van [eisers c.s] niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Van een spoedeisend belang van [eisers c.s] bij haar vorderingen is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gebleken. Dat spoedeisend belang is ook niet betwist.
De vordering
[eisers c.s] heeft het gehuurde op 30 september 2025 ontruimd. [gedaagde] is van mening dat [eisers c.s] zich bij de ontruiming van het gehuurde niet aan het vonnis van
25 juli 2025 heeft gehouden, omdat zij haar spullen in de tuin heeft laten liggen. Dat zou gaan om - onder meer - volle vuilniszakken, een tapijt, tuinstoelen, een kastje en fitnessapparatuur. De spullen hebben volgens [gedaagde] , ondanks aanmaningen om de spullen weg te halen, de hele maand oktober 2025 in de tuin gelegen. [gedaagde] meent dat daardoor
€ 3.100,00 (31 dagen in de maand oktober x € 100,00) aan dwangsommen is verbeurd. Op
8 december 2025 heeft [gedaagde] met een exploot aan [eisers c.s] aangekondigd dat de verbeurde dwangsommen betaald moeten worden en dat als [eisers c.s] niet betaald beslag zal worden gelegd.
[eisers c.s] betwist dat zij zich bij de ontruiming niet aan het vonnis zou hebben gehouden en daardoor dwangsommen zouden zijn verbeurd. Zij vordert in deze procedure primair dat [gedaagde] niet mag overgaan of verdergaan met de executie van de vermeend verbeurde dwangsommen en [gedaagde] alle reeds gelegde executoriale beslagen moet opheffen, subsidiair dat de executie van de vermeend verbeurde dwangsommen wordt geschorst en meer subsidiair dat die executie wordt verboden. [eisers c.s] vordert ook dat [gedaagde] alles wat [eisers c.s] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [gedaagde] heeft voldaan aan [eisers c.s] moet terugbetalen. De kantonrechter stelt [eisers c.s] in haar primaire vordering voor wat betreft de periode na 6 oktober 2025 in het gelijk. [gedaagde] mag vanaf 7 oktober 2025 geen dwangsommen executeren. De vorderingen van [eisers c.s] worden verder afgewezen. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Dwangsommen verbeurd tot en met 6 oktober 2025
[eisers c.s] heeft op de zitting erkend dat er spullen in de tuin lagen toen zij het gehuurde op 30 september 2025 verliet. Zij stelt dat van die spullen alleen de fitnessapparatuur van haar was, dat de andere spullen al in de tuin lagen toen [eisers c.s] in het gehuurde kwam wonen en dat die spullen niet van [eisers c.s] zijn. Dat die spullen wel van [eisers c.s] zijn, heeft [gedaagde] niet aangetoond. [gedaagde] wijst op foto’s van de spullen in de tuin die zij heeft gemaakt en ingebracht. De kantonrechter is van oordeel dat alleen uit die foto’s niet kan worden opgemaakt dat (een deel van) die spullen van [eisers c.s] zijn. Van die spullen kan dus niet worden gezegd dat [eisers c.s] zich niet aan het vonnis heeft gehouden door bij de ontruiming van het gehuurde deze spullen in de tuin te laten liggen. Dat ligt anders voor de fitnessapparatuur. [eisers c.s] heeft op de zitting verklaard dat [eiser sub 2] de fitnessapparatuur uit de tuin zou halen, maar hij dat niet heeft gedaan, waardoor de fitnessapparatuur na 30 september 2025 in de tuin is blijven liggen. De fitnessapparatuur lag er nog tijdens de voorinspectie op 6 oktober 2025, aldus [eisers c.s] . Dit betekent dat [eisers c.s] van 1 oktober 2025 tot en met 6 oktober 2025 niet aan de veroordeling om het gehuurde te ontruimen heeft voldaan en in deze periode dwangsommen zijn verbeurd.
Geen dwangsommen verbeurd na 6 oktober 2025
[gedaagde] verwijst voor haar stelling dat de fitnessapparatuur ook na 6 oktober 2025 nog in de tuin heeft gelegen naar foto’s van de spullen in de tuin en whatsappcorrespondentie. [gedaagde] kan evenwel niet aangeven wanneer die foto’s zijn gemaakt, zodat met die foto’s niet aannemelijk wordt dat de fitnessapparatuur er na 6 oktober 2025 nog lag. [gedaagde] stelt dat zij eind oktober via whatsapp met een buurjongen en buurvrouw heeft gesproken over spullen die nog in de tuin lagen, maar dat dit gaat om de fitnessapparatuur en niet om de andere spullen kan uit de correspondentie niet worden opgemaakt en is door [gedaagde] verder ook niet aannemelijk gemaakt. Volgens [eisers c.s] is de fitnessapparatuur op enig moment uit de tuin verdwenen, maar wie de fitnessapparatuur wanneer uit de tuin heeft weggehaald is niet duidelijk. Voor de periode dat de fitnessapparatuur nog in de tuin zou hebben gelegen, voert [eisers c.s] aan dat de opvolgend huurster van het gehuurde over het overnemen van de fitnessapparatuur met [gedaagde] heeft gesproken en dat de opvolgend huurster aan [eisers c.s] toestemming had gegeven om de fitnessapparatuur in de tuin te laten liggen. [gedaagde] heeft op de zitting daartegen ingebracht dat zij niet wist dat de opvolgend huurster de fitnessapparatuur wilde overnemen en dat zij niets wist van afspraken hierover met [eisers c.s] , maar de kantonrechter kan dat niet volgen. Uit de ingebrachte whatsappcorrespondentie en een geluidsopname van een telefoongesprek tussen [gedaagde] en de opvolgend huurster blijkt namelijk dat [gedaagde] over het overnemen van de fitnessapparatuur met de opvolgend huurster heeft gesproken, dat de opvolgend huurster heeft aangegeven dat zij de fitnessapparatuur wilde hebben en dat de fitnessapparatuur in de tuin mocht blijven liggen. [gedaagde] wijst de opvolgend huurster er zelf op dat ze beter een zeil over de fitnessapparatuur heen kan leggen, zodat het spul niet zou gaan roesten. [gedaagde] wist dus dat de fitnessapparatuur in de tuin zou blijven liggen. Dat [gedaagde] niet bekend was met concrete afspraken hierover tussen de opvolgend huurster en [eisers c.s] , maakt dit niet anders. De kantonrechter is van oordeel dat het onder deze omstandigheden niet zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat na 6 oktober 2025 dwangsommen zijn verbeurd.
Conclusie
In de periode van 1 oktober 2025 tot en met 6 oktober 2025 is in totaal (6 dagen x
€ 100,00 =) € 600,00 aan dwangsommen verbeurd. [eisers c.s] zal die verbeurde dwangsommen aan [gedaagde] moeten voldoen. Als [eisers c.s] dat niet doet, mag [gedaagde] tot executie van die dwangsommen overgaan. De primaire vordering van [eisers c.s] om [gedaagde] te verbieden tot executie van vermeend verbeurde dwangsommen over te gaan zal worden toegewezen voor de periode vanaf 7 oktober 2025. Aan bespreking van het subsidiair en meer subsidiair gevorderde komt de kantonrechter door toewijzing van de primaire vordering niet toe.
Andere vorderingen worden afgewezen
[eisers c.s] vordert ook dat [gedaagde] alle reeds gelegde executoriale beslagen zal opheffen en dat [gedaagde] alles wat [eisers c.s] aan [gedaagde] heeft voldaan ter uitvoering van het vonnis aan [eisers c.s] terugbetaalt. [eisers c.s] heeft niet onderbouwd dat [gedaagde] inmiddels beslag heeft laten leggen en dat zij al (een deel van de) dwangsommen aan [gedaagde] heeft betaald. Nu dit verder ook nergens uit blijkt zullen deze vorderingen worden afgewezen.
Compensatie proceskosten
De kantonrechter ziet in de omstandigheid dat partijen ieder deels gelijk krijgen aanleiding om de proceskosten in dit kort geding te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
4. De beslissing
De kantonrechter:
verbiedt [gedaagde] over te gaan, dan wel verder te gaan, met de executie van de door haar gestelde verbeurde dwangsommen uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juli 2025 vanaf 7 oktober 2025, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn vastgesteld of en in hoeverre dwangsommen zijn verbeurd;
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
41264