RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12031434 \ UV EXPL 25-342
Vonnis in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J.R.L. Lankreijer,
tegen
1. de besloten vennootschap
[gedaagde sub 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2. de besloten vennootschap
[gedaagde sub 2] B.V.
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
3. de besloten vennootschap
[gedaagde sub 3] B.V.
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] B.V.,
gemachtigden: mr. D.E. Burgers en mr. M.C. Franken-Schoemaker.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- het bericht van [eiser] dat hij het kort geding intrekt,- het verzoek van [gedaagde sub 1] B.V. om [eiser] in de daadwerkelijke proceskosten te veroordelen,- de reactie van [eiser] .
2. De beoordeling
[eiser] heeft gevorderd om [gedaagde sub 1] B.V. te veroordelen tot betaling van loon etc. Nadat [gedaagde sub 1] B.V. had aangevoerd dat niet zij, maar [bedrijf] v.o.f de werkgever is van [eiser] , heeft [eiser] het kort geding ingetrokken. [gedaagde sub 1] B.V. vraagt nu veroordeling van de werkelijke proceskosten stellende dat [eiser] een grove fout heeft gemaakt door onjuiste partijen te dagvaarden.
Het gaat in deze zaak alleen nog om een beslissing over de kosten van het geding.
Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 juni 2016 overwogen dat, indien de eiser het kort geding intrekt, de aanhangigheid daarvan niet komt te vervallen indien de gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden, omdat hij een beslissing van de voorzieningenrechter omtrent de proceskosten verlangt.
[gedaagde sub 1] B.V. hebben de voorzieningenrechter verzocht om vergoeding van € 3.000,00 als volledige proceskostenvergoeding, of € 1.766,00 conform het liquidatietarief,. stellende dat [eiser] een grove fout heeft gemaakt door onjuiste partijen te dagvaarden.
[eiser] stelt dat er sprake is van verwarring en niet van misbruik van recht of onrechtmatig procederen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een limitatieve en exclusieve regeling bieden voor de proceskosten. Een in het ongelijk gestelde partij kan in beginsel alleen worden veroordeeld tot vergoeding van een forfaitair (vooraf vastgesteld) bedrag aan proceskosten. De achtergrond hiervan is dat de vrijheid om te procederen niet in gevaar mag worden gebracht uit vrees voor omvangrijke proceskosten. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering in het geval van buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld als een partij misbruik heeft gemaakt van procesrecht of onrechtmatig heeft geprocedeerd. In dat geval kan een partij toch worden veroordeeld in de volledige proceskosten.
Er is sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen als een partij een vordering of verweer achterwege had moeten laten, gelet op de evidente ongegrondheid en de belangen van de andere partij. Dit kan zo zijn als de vordering of het verweer gebaseerd is op feiten en omstandigheden waarvan een partij weet of hoorde te weten dat deze onjuist zijn en op voorhand moest begrijpen dat de stellingen geen kans van slagen hadden. Daarvan is niet snel sprake. De rechter is terughoudend met dit oordeel, omdat de toegang tot de rechter gewaarborgd moet blijven op grond van artikel 6 EVRM.
Uit dit criterium volgt dat de voorzieningenrechter terughoudend moet zijn bij het toekennen van een integrale proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [eiser] niet bewust de verkeerde partij gedagvaard heeft, omdat - zoals [eiser] terecht opmerkt - hij er geen enkel belang bij heeft om de verkeerde partij te dagvaarden. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen is dan geen sprake.
De voorzieningenrechter zal de proceskosten daarom begroten overeenkomstig het gebruikelijke liquidatietarief. Daarbij acht de voorzieningenrechter het redelijk om het salaris van de gemachtigden te begroten op grond van het liquidatietarief behorende bij een eenvoudig kanton kort geding omdat de conclusie van antwoord niet meer inhield dan het verweer dat de verkeerde partij is gedagvaard. Dat tarief wordt vervolgens gehalveerd omdat de mondelinge behandeling achterwege is gebleven. De proceskosten van [gedaagde sub 1] B.V. worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
288,50
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
360,500
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 360,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.