RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/580557 / HA ZA 24-451
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. R.P. de Vries,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. M.W. Kox.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 mei 2025
- de akte aanvullende producties van [eisende partij]
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 september 2025
- de conclusie na getuigenverhoor [eisende partij] , met producties- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [gedaagde partij] , met producties
- de akte uitlating aanvullende producties van [eisende partij] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
In het tussenvonnis is [eisende partij] opgedragen te bewijzen dat zij een envelop met € 30.000,00 aan [gedaagde partij] heeft gegeven en met [gedaagde partij] heeft afgesproken dat [gedaagde partij] deze envelop aan [A] of [B] zal geven.
[eisende partij] heeft ter uitvoering van de bewijsopdracht producties in het geding gebracht en [gedaagde partij] , zichzelf en de heer [getuige] als getuige doen horen.
[gedaagde partij] heeft als getuige verklaard, zakelijk weergegeven, dat de stellingen die zij tot nog toe in het geding en de eerder tussen partijen gevoerde procedure heeft ingenomen, (zie het tussenvonnis onder 3.5. en 3.6.) op de waarheid berusten. Ook [eisende partij] heeft als getuige verklaard, zakelijk weergegeven, dat de stellingen die zij tot nog toe in het geding en de eerder tussen partijen gevoerde procedure heeft ingenomen (zie het tussenvonnis onder 3.2.en 3.4.) op de waarheid berusten. [getuige] , de toenmalige vriend van [eisende partij] ’ dochter [C] , heeft verklaard dat hij begin 2016 op een avond de woning van [eisende partij] is ingelopen (dit kon gemakkelijk omdat zij in hetzelfde complex woonden) en dat hij zag dat [eisende partij] in haar slaapkamer biljetten van € 50,00 aan het tellen was. [eisende partij] vertelde hem toen dat het ging om een bedrag dat zij aan [A] schuldig was als betaling voor sieraden en dat zij de dag erna het bedrag naar [gedaagde partij] zou brengen in de bedrijfsvestiging (de rechtbank begrijpt: van [onderneming] ) te [vestigingsplaats] . [getuige] weet niet om welk totaalbedrag het ging, maar hij schat het bedrag op zeker € 25.000,00. Hij is de dag erna achter de auto van [eisende partij] aangereden, tot bij de bedoelde bedrijfsvestiging en [eisende partij] heeft hem later die dag bevestigd dat zij het bedrag aan [gedaagde partij] had afgegeven. De getuigenverklaring van [eisende partij] houdt in, wat de betrokkenheid van [getuige] betreft, dat hij de dag voor de dag waarop [eisende partij] de envelop met € 30.000,00 aan [gedaagde partij] heeft gegeven, in [eisende partij] ’ woning heeft gezien dat zij biljetten van € 50,00 telde. Zij heeft hem toen verteld dat zij € 30.000,00 aan [A] moest betalen voor sieraden die [A] voor haar had gekocht en dat zij de volgende dag naar [gedaagde partij] zou gaan met de vraag of [gedaagde partij] de envelop aan [A] wilde geven. [getuige] is de volgende dag achter haar aan gereden naar de zaak, maar is niet bij de overhandiging aan [gedaagde partij] geweest, aldus [eisende partij] . Later die dag heeft zij hem wel gezegd dat zij de envelop aan [gedaagde partij] heeft gegeven. Zij heeft eerder in de procedure niet over (de wetenschap van) [getuige] gesproken omdat zij er vanuit ging dat het transcript van het gesprek van 8 maart 2018 duidelijk was en omdat zij niet onnodig anderen in de zaak wilde betrekken.
Omdat [eisende partij] partijgetuige is, kan haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Weliswaar is de bewijswaarde van een verklaring van een partijgetuige sinds 1 januari 2025 niet meer aan deze beperking gebonden, maar dat geldt voor zaken die na 1 januari 2025 zijn aangespannen. Omdat deze zaak vóór 1 januari 2025 is aangespannen, geldt die beperking hier nog wel. De bewijsvraag die de rechtbank moet beantwoorden is dus de vraag of [eisende partij] ’ getuigenverklaring het voorhanden zijnde, onvolledige, bewijs aanvult en of die bewijselementen tezamen het oordeel rechtvaardigen dat het van [eisende partij] verlangde bewijs is geleverd.
Dat voorhanden zijnde, onvolledige bewijs, ligt in de getuigenverklaring van [getuige] , zoals onder 2.3. weergegeven. Hoewel deze verklaring gewicht in de schaal legt, is dat gewicht beperkt. Anders dan [eisende partij] heeft verklaard, zegt [getuige] immers dat [eisende partij] hem niet het totaal van het totale geldbedrag ad € 30.000,00 heeft genoemd. Ook heeft hij wat hij heeft verklaard over de afgifte van de envelop met geld aan [gedaagde partij] uitsluitend uit de mond van [eisende partij] vernomen en is hij geen getuige van de overhandiging geweest. Ook doet aan het gewicht van zijn verklaring af dat hij naar eigen zeggen met niemand heeft gesproken over wat hij in de slaapkamer van [eisende partij] had gezien en wat hij van haar had gehoord, zelfs niet met zijn eigen toenmalige partner, [C] . Verder is de bewijswaarde van zijn verklaring beperkt, omdat [getuige] naar zeggen van [eisende partij] de enige is aan wie zij heeft verklaard over de sieraden die [A] voor haar heeft gekocht. Zijn wetenschap is daarom een element van belang in de onderbouwing van het standpunt van [eisende partij] . Tegen de achtergrond van dat feit bevreemdt het dat [eisende partij] de beweerdelijke wetenschap [getuige] tot de dag van zijn getuigenverhoor ongenoemd heeft gelaten in dit geding. Haar verklaring dat zij dat deed omdat zij geen anderen in het geding wilde betrekken en omdat het transcript van het opgenomen gesprek van 8 maart 2018 volgens haar voldoende duidelijkheid bood, neemt die bevreemding niet weg, mede gelet op wat de rechtbank hierna omtrent dat transcript overweegt.
[eisende partij] stelt dat er in haar voordeel bewijs is gelegen in dat transcript. In dat gesprek zegt [gedaagde partij] immers dat zij een geldbedrag namens [eisende partij] aan [B] heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank legt die omstandigheid hier echter geen gewicht in de schaal ten voordele van [eisende partij] en is hier niet van de door [eisende partij] gestelde duidelijkheid sprake. [gedaagde partij] heeft immers (als partij én als getuige) verklaart dat zij over die afgifte (door haar) bewust heeft gelogen omdat zij niet wilde dat aan de (toen ook aanwezige) zus van [eisende partij] bekend werd dat [eisende partij] over een bedrag aan contant geld beschikte. Bovendien houdt haar verklaring in dat het niet ging om een betaling van [eisende partij] aan [A] voor sieraden, maar om de (voorgenomen) teruggave (door [eisende partij] zelf) van een bedrag dat [eisende partij] van [A] had gehad als vergoeding voor het feit dat [A] op de loonlijst van [onderneming] was gezet, wat [gedaagde partij] als schijnhandeling en daarmee als witwashandeling betitelt. Die laatste deelverklaring strookt met het transcript van het gesprek, omdat [gedaagde partij] daarin zegt (samengevat) dat zij geld aan [B] heeft teruggegeven, waarbij het ging om geld dat [eisende partij] had gekregen omdat ‘hij’ (de rechtbank begrijpt: [A] ) bij ‘ [eisende partij] ’ (de rechtbank begrijpt: [eisende partij] ) mocht werken en dat ‘schoon’ moest. Verderop in dat gesprek zegt [eisende partij] ‘Ja maar ik ben bij dat geld ook niet bij geweest met teruggeven hoor’, waarop [gedaagde partij] antwoordt ‘Nee teruggeven niet, maar het aanpakken wel’.
Allereerst is hier van belang dat [eisende partij] hier zelf spreekt over ‘teruggeven’, wat niet strookt met haar verklaring dat zij het door haar gestelde bedrag van € 30.000,00 uit eigen financiële middelen ter beschikking had. Ook [gedaagde partij] heeft het op 8 maart 2018 over ‘teruggeven’ en over ‘het aanpakken’ van het geld door [eisende partij] , welke twee begrippen onderling stroken en aansluiten bij de bedoelde uitlating van [eisende partij] . Verder worden de woorden van [gedaagde partij] ondersteund door het vaststaande feit dat [A] in de desbetreffende periode zes maanden lang op de loonlijst van [onderneming] heeft gestaan en dat de lezing van [gedaagde partij] (zie het tussenvonnis, onder 3.6.) door [C] is bevestigd toen zij ten overstaan van het hof als getuige is gehoord in de eerder tussen partijen gevoerde procedure. Of de lezing van [gedaagde partij] vaststaat, hoeft in dit geding niet te worden beoordeeld. Immers is niet aan [gedaagde partij] opgedragen te bewijzen dat haar lezing klopt, maar is aan [eisende partij] opgedragen te bewijzen dat de hare klopt. De lezing van [gedaagde partij] en de mate waarin deze door de bovengenoemde omstandigheden wordt ondersteund, leidt echter wel tot de slotsom dat hier geen sprake is van voorhanden bewijs in het voordeel van [eisende partij] .
Bij de weging van het thans voorhanden bewijs telt voorts in het nadeel van [eisende partij] mee dat [gedaagde partij] , met name ook als getuige, heeft verklaard dat zij nimmer een envelop (dus ook niet met daarin € 30.000,00) van [eisende partij] heeft ontvangen met het verzoek die aan [A] en/of [B] af te geven.
Er komt slechts beperkte betekenis toe aan de door [eisende partij] overgelegde schriftelijke verklaring van [A] , gedagtekend 10 januari 2022, waarin hij zegt dat [eisende partij] hem op die dag een vijftal, door hem omschreven, sieraden heeft teruggegeven. Die beperking volgt uit het feit dat [A] geen details vermeldt over de desbetreffende kwestie (zoals of het om het koop door [eisende partij] ging en zo ja ,voor welk bedrag, en waarom de sieraden werden teruggegeven). Ook telt daarbij mee dat [A] niet als getuige door [eisende partij] is voorgebracht, terwijl hij in haar visie toch een centrale rol in deze kwestie vervult.
In [eisende partij] ’ nadeel telt het volgende mee, bij de beoordeling van het bijgebrachte bewijs:
a. a) Niet zonder meer ligt voor de hand dat [eisende partij] de sieraden die zij van [A] zegt te hebben gekocht, zoals zij zelf heeft verklaard, nooit heeft gedragen en ook nooit aan iemand heeft laten zien. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij, naar zij ook heeft verklaard en zoals hiervoor onder 2.5 al aangestipt, aan niemand anders dan [getuige] heeft verteld over de aankoop van de sieraden van [A] , terwijl zij toch in die periode nog een goede verstandhouding met [gedaagde partij] had en (naar uit de verklaring van [getuige] volgt) ook met haar dochter [C] .
b) Dat [eisende partij] tussen de aflevering van de sieraden aan haar en de overhandiging van de envelop aan [gedaagde partij] met [A] gebrouilleerd was geraakt, kan zo zijn en kan ook een reden zijn waarom [eisende partij] de sieraden niet zelf rechtstreeks aan [A] wilde betalen maar met inschakeling van [gedaagde partij] , maar daarbij ligt niet voor de hand dat zij daartoe de envelop met € 30.000,00 aan [gedaagde partij] afgeeft én aan [gedaagde partij] zegt dat zij daaruit € 6.000,00 mag halen als vooruitbetaling voor 12 maanden ‘extra’ loon ad € 500,00 per maand, waarna [gedaagde partij] het bedrag in de envelop nadien zou dienen aan te vullen ten laste van de bankrekening van [eisende partij] . Bij een gebrouilleerde verstandhouding past immers veeleer dat het verschuldigde bedrag onaangeroerd beschikbaar blijft voor de rechthebbende, zeker wanneer ervan wordt uitgegaan (een ander uitgangspunt is hier niet gesteld of gebleken) dat de betaling zonder uitstel zal gebeuren. Bovendien is onverklaard waarom aan [gedaagde partij] de (gebruikelijke extra) loonbetaling over 12 maanden vooruit diende te worden uitgekeerd.
c) De verklaring van [eisende partij] onder b) over het gebrouilleerd zijn met [A] als reden voor de inschakeling van [gedaagde partij] , strookt niet met haar getuigenverklaring voor het gerechtshof op 12 september 2023 (productie 10 bij dagvaarding), in de eerder tussen partijen gevoerde procedure. Tegen het hof heeft zij geantwoord op de expliciete vraag waarom zij het sieradengeld niet rechtstreeks aan [A] betaalde ‘Wij hebben het nu eenmaal zo afgesproken’.
d) [eisende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd (toen zij daarop in detail werd bevraagd) dat zij [gedaagde partij] bij de overhandiging van de envelop in het geheel niet heeft verteld wat er in die envelop zat, als getuige heeft zij verklaard dat zij [gedaagde partij] toen heeft gezegd dat er geld in zat. Het verschil tussen die beide uitlatingen is onverklaard gebleven.
Bij de weging van het aldus voorliggende bewijs dient ook te worden beoordeeld wat partijen daarover hebben aangevoerd in hun conclusies na de getuigenverhoren. [eisende partij] is daarbij uitvoerig ingegaan op het in haar ogen ongeloofwaardige karakter van de proceshouding en de getuigenverklaring van [gedaagde partij] . Zij heeft vooral gewezen op zwakke plekken en inconsistenties in wat [gedaagde partij] heeft verklaard over de € 25.000,00 die [eisende partij] volgens [gedaagde partij] van [A] had ontvangen en die [eisende partij] aan [A] terug wilde geven, maar waarvan [eisende partij] € 9.000,00 had opgebruikt, welk bedrag vervolgens door [gedaagde partij] aan [eisende partij] zou zijn geleend (zie onder 2.6). Op zichzelf bezien moet aan [eisende partij] worden toegegeven dat dat relaas van [gedaagde partij] zwakke plekken vertoont (het gerechtshof heeft in de eerder tussen partijen gevoerde procedure niet voor niets het verrekeningsverweer van [gedaagde partij] omtrent die € 9.000,00 afgewezen), maar desondanks dient dat relaas in dit geding – met name gelet op haar recente getuigenverklaring – als tegenwicht bij de beoordeling van het van [eisende partij] verlangde bewijs. Al hetgeen [eisende partij] in haar bedoelde conclusie in dat verband heeft aangevoerd, is onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te leiden.
Alle voornoemde elementen, in onderling verband bezien en beoordeeld, leiden de rechtbank tot de slotsom dat niet buiten gerede twijfel is komen vast te staan dat [eisende partij] een envelop met € 30.000,00 aan [gedaagde partij] heeft gegeven en met [gedaagde partij] heeft afgesproken dat zij deze envelop aan [A] of [B] zal geven. [eisende partij] is, anders gezegd, niet geslaagd in het bewijs van haar desbetreffende stelling. Haar vordering moet daarom worden afgewezen.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.325,00
- salaris advocaat
€
2.508,00
(3 punten x € 836,00)
totaal
€
3.833,00.
in reconventie
De rechtbank heeft in het tussenvonnis beslist dat [gedaagde partij] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. De rechtbank blijft dat oordeel en de gronden waarop het berust. De niet-ontvankelijkheid wordt hierna uitgesproken.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op € 1.108,00 aan salaris advocaat (2 punten x € 554,00).
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op € 3.833,00,
in reconventie
verklaart [gedaagde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] begroot op € 1.108,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.