ECLI:NL:RBMNE:2026:846

ECLI:NL:RBMNE:2026:846

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer C/16/599332 / HL ZA 25-236
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Incident (194 en 195 Rv). incidentele vordering wordt aangehouden. Gedaagde dient eerst conclusie van antwoord te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/599332 / HL ZA 25-236

Vonnis in incident van 25 februari 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

te [plaats] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. F.W. Aartsen,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. O.B. Zwijnenberg.

1. De zaak in het kort

In de hoofdzaak vordert [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 259.969,- als inkomensschade. Daarnaast vordert [eiseres] een vergoeding van de kosten voor het vaststellen van de schade en aansprakelijkheid (in totaal € 55.041,50), wettelijke rente en proceskosten.

De hoofdzaak is een schadestaatprocedure volgend op de eerdere procedure waarin voor recht is verklaard dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst met [eiseres] . [eiseres] is aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg daarvan heeft geleden en/of zal lijden, nader op te maken bij staat.

[gedaagde] vordert in dit incident op grond van artikel 195 Rv afschriften van door [eiseres] gesloten arbeidsovereenkomsten, informatie over de door haar uitgevoerde functies (functieprofielen) en het inkomen dat zij daarmee verwerft en verworven heeft (salarisspecificaties en/of belastingaangiften inkomstenbelasting). [eiseres] vindt dat de rechtbank de vordering in incident moet afwijzen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om eerst en vooraf te beslissen op de incidentele vordering van [gedaagde] en houdt de beslissing aan.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 2 september 2025,

de incidentele vordering ex. artikel 195 Rv,

de conclusie van antwoord in het incident.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. Het verzoek en het verweer in het incident

[gedaagde] wil de gevraagde stukken inzien om op basis van de informatie over de inkomenspositie van [eiseres] van de afgelopen jaren te kunnen beoordelen of [eiseres] tegenover Aegon aanspraak had kunnen maken op een uitkering onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Volgens [gedaagde] is de mate van arbeidsongeschiktheid en het genoten inkomen van belang bij het bepalen van de hoogte van de uitkering onder de polis.

[eiseres] is niet bereid de opgevraagde gegevens aan [gedaagde] te verstrekken. Zij vindt dat [gedaagde] hier geen belang bij heeft, omdat [gedaagde] geen verweer in de hoofdzaak heeft gevoerd. [eiseres] wijst erop dat zij niet vrijwillig andere beroepswerkzaamheden is gaan doen. Volgens [eiseres] is geen sprake van een psychische aandoening in de zin van de AEGON-polis. [eiseres] vindt dat de gevorderde bescheiden onvoldoende bepaald zijn doordat het begrip “informatie” (met betrekking tot de door haar uitgevoerde functies) te breed is geformuleerd.

4. De beoordeling

in het incident

Het toetsingskader van het inzageverzoek

Artikel 195 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft betrekking op het verzoek om inzage tijdens een lopende procedure. Voor een recht op afschrift van of inzage in gegevens moet aan de voorwaarden van artikel 194 Rv zijn voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt, moet partij zijn bij een rechtsbetrekking. Verder moet de verlangde informatie voldoende bepaald zijn. Daarnaast moet een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek. Tot slot moet degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. Als degene die informatie van een ander verlangt aan deze voorwaarden voldoet, kan de rechter een daartoe strekkende vordering of verzoek alleen afwijzen als degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv toekomt of gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten.

Iedere beslissing in het incident wordt aangehouden

Artikel 209 Rv bepaalt dat op een incidentele vordering, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf wordt beslist. Of voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van de aard en de inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering.

De rechtbank begrijpt dat het belang van [gedaagde] erin is gelegen dat zij zich op basis van deze informatie wil kunnen verweren tegen het bestaan van schade en de omvang van de schade. De gegevens kunnen van belang zijn bij de in de hoofdzaak voorliggende vraag wat de omvang van de inkomensschade is. Of aan een van partijen bewijs moet worden opgedragen, is een vraag die in de hoofdzaak aan de orde kan komen met toepassing van de regels van het bewijsrecht. Het antwoord op deze vraag staat nog niet vast. Evenmin staat vast of deze vraag met de al wel verstrekte gegevens kan worden beantwoord. Of bewijs moet worden opgedragen zal ook afhangen van de mate waarin [gedaagde] gemotiveerd verweer gaat voeren. Gelet op de huidige stand van de procedure in de hoofdzaak, waarin [gedaagde] nog geen conclusie van antwoord heeft ingediend, en dus feitelijk geen enkel inhoudelijk standpunt heeft ingenomen, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om eerst en vooraf te beslissen op de incidentele vordering. [gedaagde] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden.

Proceskosten in het incident

Het is niet gebleken dat [gedaagde] voorafgaand aan de procedure een verzoek tot inzage/afschrift heeft gericht aan [eiseres] welk verzoek [gedaagde] heeft geweigerd. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de proceskosten in het incident tussen partijen te compenseren.

in de hoofdzaak

De hoofdzaak komt voor conclusie van antwoord te staan. [gedaagde] krijgt daartoe op grond van artikel 2.23 van het rolreglement vier weken de tijd, waarbij de rechtbank op voorhand aangeeft dat er geen uitstel verleend zal worden. In beginsel zal daarna een mondelinge behandeling worden bepaald bij welke gelegenheid het geschil in volle omvang – dus inclusief de incidentele vordering ex artikel 195 Rv (nieuw) – aan de orde zal komen.

5. De beslissing

in het incident

houdt iedere verdere beslissing aan,

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten in het incident draagt,

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 maart 2026 voor conclusie van antwoord, en dat geen uitstel voor deze rolhandeling verleend zal worden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 25 februari 2026.

PM/45352

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?