RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/597339 / HL ZA 25-192
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] , Washington, VS,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. Smit,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B.J. Meruma.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 8 juli 2025, met producties,
de conclusie van antwoord,
de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis, met producties,
de conclusie van dupliek, met producties.
Ten slotte is bepaald dat vandaag een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[eiser] heeft een houten zeilboot gekocht van (of door bemiddeling van) [gedaagde] . Volgens [eiser] heeft de boot verschillende gebreken, waar [gedaagde] vanaf moet hebben geweten. Hij vordert na vermeerdering van eis een bedrag van in totaal € 28.542,78 vermeerderd met rente en kosten. De grondslag daarvoor is de opheffing van het nadeel dat [eiser] heeft geleden doordat hij bij de aankoop heeft gedwaald. Of anders kiest [eiser] voor de grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is, waardoor [eiser] schade heeft geleden. [gedaagde] beroept zich op verjaring van het recht van [eiser] om nog te claimen. Dat beroep op verjaring slaagt, zodat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
3. De beoordeling
De vordering van [eiser] is verjaard
[eiser] stelt dat de geleverde boot niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. Hij stelt namelijk dat de boot ernstige gebreken heeft. [gedaagde] betwist dit, of in ieder geval dat hij voor deze gebreken aansprakelijk is.
Bij gebreken aan een gekochte zaak geldt een verjaringstermijn van twee jaar, die start op het moment dat de verkoper de klacht over de afgeleverde zaak heeft ontvangen (artikel 7:23 lid 2 BW). [eiser] heeft de boot van (of via) [gedaagde] gekocht in de periode van 24 maart tot en met 10 mei 2022, en [gedaagde] leverde de boot op 11 mei 2022. Op 13 juni en 18 augustus 2022 liet [eiser] aan [gedaagde] weten dat de boot niet aan de verwachtingen voldeed, omdat onder andere sprake was van lekkage. Dat betekent dat de verjaringstermijn uiterlijk op 18 augustus 2022 begon en op 18 augustus 2024 is verstreken, tenzij een nieuwe termijn is gaan lopen. Dat is niet het geval.
Een lopende verjaringstermijn wordt gestuit (gestopt) door een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin de schuldeiser (hier: [eiser] ) zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming tegenover de schuldenaar (hier: [gedaagde] ) voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). In zo’n geval gaat een nieuwe verjaringstermijn lopen van weer twee jaar. Die mededeling moet de schuldenaar voldoende duidelijk waarschuwen dat hij rekening moet houden met de mogelijkheid dat de vordering nog geldend wordt gemaakt. Daarbij kunnen ook de context waarin de mededeling wordt gedaan en overige omstandigheden van het geval een rol spelen. De stelplicht en bewijslast dat de verjaring is gestuit, rusten op [eiser] : hij is degene die zich beroept op het rechtsgevolg dat de verjaring is gestuit en een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. Bovendien moet [eiser] stellen en zo nodig bewijzen dat deze aanmaning/mededeling [gedaagde] heeft bereikt. [eiser] heeft niet gesteld dat hij op tijd zo’n mededeling of waarschuwing heeft gegeven.
[eiser] heeft [gedaagde] op 13 juni en 18 augustus 2022 laten weten dat de boot niet voldeed. [gedaagde] heeft erkend dat hij deze e-mails heeft ontvangen. [eiser] stelt dat hij [gedaagde] vervolgens meermaals heeft aangeschreven over de problemen. Of dat het geval is, kan de rechtbank niet vaststellen: [gedaagde] voert aan dat hij deze e-mails niet heeft ontvangen en [eiser] heeft de tekst van al deze e-mails niet aan de rechtbank toegestuurd, omdat hij in juni 2024 zijn e-mails tot 10 juni 2024 is kwijtgeraakt. Of deze e-mails daadwerkelijk zijn gestuurd en door [gedaagde] zijn ontvangen, kan echter in het midden blijven, omdat [eiser] niet heeft gesteld en niet is gebleken dat deze e-mails een stuiting van de verjaring inhielden.
[eiser] stelt in zijn dagvaarding en conclusie van repliek namelijk niet dat hij [gedaagde] in deze e-mails heeft gewaarschuwd dat hij zijn vordering op [gedaagde] geldend wil maken. [eiser] stelt wel dat hij [gedaagde] op verschillende momenten heeft aangeschreven, maar afgaande op de omschrijving die [eiser] daarvan geeft in de dagvaarding en de conclusie van repliek kan niet worden geconcludeerd dat die e-mails een stuiting van de verjaring inhouden.
In de dagvaarding heeft [eiser] het alleen over ‘de diverse mails’ van [eiser] aan [gedaagde] , waarop [gedaagde] niet reageerde. [eiser] lijkt hiermee te verwijzen naar de e-mails van 13 juni en 18 augustus 2022, waarmee hij liet weten dat de boot niet voldeed aan de verwachtingen. Verder verwijst hij in de dagvaarding naar correspondentie vanaf 12 november 2024, maar dat is na het verstrijken van de verjaringstermijn. Hiermee is de verjaring dus niet gestuit.
In zijn conclusie van repliek gaat [eiser] verder in op de e-mails die hij in de periode tussen de kennisgeving en de datum van verjaring (18 augustus 2024) zou hebben gestuurd.
[eiser] zou [gedaagde] in ieder geval op 31 december 2022 hebben aangeschreven, omdat hij een dia slideshow had gemaakt in verband met het (komende) geschil met [gedaagde] . Die slideshow zou hij naar [gedaagde] hebben gestuurd. Hij onderbouwt dat met een verwijzing naar zijn blog op internet, waar hij schrijft “I have a pile of bills to sort and evidence to arrange in a presentation”. Dat [eiser] een presentatie heeft gemaakt, betekent echter niet dat hij die ook daadwerkelijk aan [gedaagde] heeft toegezonden en dat hij zich in die e-mail ook (ondubbelzinnig) zijn recht op nakoming heeft voorbehouden.
In het voorjaar van 2023 zou [eiser] [gedaagde] hebben aangeschreven omdat de boot weer te water was gelaten en in een loods gezet moest worden voor ‘vervolgwerkzaamheden aan het dek’. [eiser] vond een derde partij die dit kon doen, maar vroeg eerst aan [gedaagde] of hij om kosten te besparen bereid was die vervolgwerkzaamheden op zich te nemen, met vermelding van de kosten van de derde partij. De enkele vraag of [gedaagde] – die werkzaam is bij een jachthaven en voor aflevering diverse werkzaamheden aan de boot uitvoerde – werkzaamheden aan de boot wilde verrichten, is echter geen mededeling waardoor [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het is zelfs niet duidelijk of [eiser] met de gestelde tekst bedoelde dat [gedaagde] die kosten voor zijn rekening moest nemen, of dat het om een kostenbesparing bij [eiser] ging, omdat [gedaagde] minder voor de reparatie zou vragen dan de derde partij.
[eiser] stelt dat hij ook op 30 september 2023 een e-mail aan [gedaagde] heeft gestuurd, ‘met de stand van zaken met informatie en foto’s, waarbij ook de rekening werd meegestuurd’. Ook deze stelling houdt niet in dat sprake is van een stuiting, omdat er niet uit blijkt dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn rechten heeft voorbehouden.
[eiser] stelt verder dat uit zijn blog op het internet blijkt dat hij ‘gedurende het reparatieproces de bedoeling had om [gedaagde] op de hoogte te houden en de kosten bij hem te claimen’. Zo schreef hij in oktober 2022 bijvoorbeeld op zijn blog dat zijn ‘volgende uitdaging’ zou zijn om de kosten op de verkoper te verhalen. Dat betekent echter niet dat [eiser] ook rechtstreeks en tijdig aan [gedaagde] heeft laten weten dat hij wil dat [gedaagde] de kosten aan de boot betaalt en dat hij zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt (en dat [gedaagde] dat bericht heeft ontvangen). Het gaat niet om de bedoeling die [eiser] had, maar om de ondubbelzinnig duidelijke manier waarop hij die bedoeling rechtstreeks aan [gedaagde] laat weten.
In de periode tussen 10 juni 2024 en 18 augustus 2024 heeft [eiser] [gedaagde] kennelijk geen e-mails gestuurd, zodat ook in die periode de verjaring niet is gestuit. Het eerste moment waarop blijkt van een mededeling waarin [eiser] zijn recht op nakoming voorbehoudt, is een e-mail van 30 september 2024 – dus na het verstrijken van de verjaringstermijn. In die e-mail stuurt [eiser] de ‘eindafrekening’ van de reparatie en laat hij weten dat hij niet later dan 7 oktober 2024 een reactie verwacht: “indien dit niet lukt dan laat ik het mijn advocaat uitvechten”. Dat is een voldoende duidelijke waarschuwing dat [gedaagde] er rekening mee moet houden dat [eiser] nog geld van hem wil ontvangen, maar die mededeling is te laat. Uit deze e-mail blijkt verder niet dat [eiser] al vóór 18 augustus 2024 heeft gewaarschuwd dat hij nog geld van [gedaagde] wil ontvangen. Dat de toon en het onderwerp van deze e-mail volgens [eiser] suggereren dat hij tussentijds rekeningen en ‘updates’ aan [gedaagde] heeft doorgestuurd, betekent niet dat hij de verjaringstermijn heeft gestuit. Dat heeft [eiser] ook niet gesteld. Alleen maar een bericht sturen over problemen of de hoogte van een rekening, is niet voldoende om een verjaringstermijn te stuiten.
[eiser] heeft nog een bestand met een ‘CSV-extensie’ overgelegd, waarin meerdere regels zouden zijn opgeslagen met vermelding van de naam en/of het e-mailadres van [gedaagde] , ook in 2023. Dat er mogelijk e-mailverkeer tussen beide partijen is geweest, is echter niet voldoende om te constateren dat de verjaring ook daadwerkelijk is gestuit, zoals in 3.4 en 3.5 al is geoordeeld. Bovendien blijkt uit dit bestand zonder verdere uitleg – die ontbreekt – niet wanneer dit e-mailcontact zou hebben plaatsgevonden. Omdat [eiser] niet heeft gesteld dat hij de verjaring heeft gestuit, zal hij ook niet in de gelegenheid worden gesteld om bewijs te leveren van die stelling (door bijvoorbeeld een IT-expert te raadplegen over het terughalen van zijn e-mails via de server). Als [eiser] een IT-expert had willen raadplegen had hij dat kunnen doen voor het uitbrengen van de dagvaarding of het indienen van de conclusie van repliek. Mogelijk heeft [eiser] zich te laat gerealiseerd dat die e-mails van doorslaggevend belang zouden kunnen zijn, maar dat is voor zijn rekening en risico, omdat hij deze procedure is begonnen en dus zijn tijdnood zelf heeft veroorzaakt.
Ook stelt [eiser] dat [gedaagde] bedrog pleegt, door in strijd met de waarheid te zeggen dat hij gedurende meer dan twee jaar niets heeft gehoord van [eiser] . Dit verwijt van bedrog is niet relevant, omdat [eiser] zelf niet stelt dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit door ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voor te behouden. De rechtbank zal over het verwijt dat [gedaagde] bedrog pleegt dus geen oordeel geven.
Ook de stelling van [eiser] dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, slaagt niet. Zo’n beroep op de redelijkheid en billijkheid moet strikt en terughoudend worden getoetst. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden geoordeeld dat de redelijkheid en billijkheid in de weg staat aan een beroep op verjaring. Van zulke omstandigheden is in deze zaak geen sprake. De wetgever heeft voor koopovereenkomsten bewust gekozen voor een korte verjaringstermijn van twee jaar. Dat [eiser] anderhalve maand te laat was (met zijn stuiting op 30 september 2024), is geen reden voor doorbreking van de verjaringstermijn. Dat [gedaagde] ‘twee jaar stil heeft gezeten’ en ‘hoopte dat het zou overwaaien’ ook niet: dat had juist een reden kunnen zijn voor [eiser] om de verjaring wel tijdig te stuiten om vervolgens een procedure te starten.
Dat betekent dat de vordering is verjaard en zal worden afgewezen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de boot deugdelijk was. Wel viel het de rechtbank nog op dat de eis van [eiser] buitensporig hoog is: [eiser] heeft de boot gekocht voor € 14.950,-, terwijl de gestelde schade neerkomt op maar liefst € 28.542,78 (€ 22.267,78 aan herstelkosten, € 2.500,- aan ‘gederfd vaargenot’, € 3.450,- omdat de boot waarschijnlijk voor een lagere prijs verkocht zal worden dan deze gekocht is en € 325,- aan aanvullende herstelkosten). Toewijzing van die vordering zou betekenen dat [eiser] gratis een volledig gerepareerde boot krijgt met daarnaast een vergoeding voor gederfd vaargenot, en dat [gedaagde] dan ook nog moet betalen omdat [eiser] de boot mogelijk voor een lager bedrag zou doorverkopen dan hij hem gekocht heeft. Zo’n vordering zou zeker niet volledig zijn toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.235,00
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.235,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken door mr. R.J. Praamstra op 25 februari 2026.
ES5403