ECLI:NL:RBMNE:2026:848

ECLI:NL:RBMNE:2026:848

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer 11741747 \ MC EXPL 25-3398 BW 31650
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Stichting Cedin betwist de juistheid van de derdenverklaring van Zummitt Holding op grond van artikel 477a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv). Stichting Cedin heeft echter geen vordering op Zummitt. De vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 11741747 \ MC EXPL 25-3398 BW 31650

Vonnis van 25 februari 2026

in de zaak van

STICHTING CEDIN,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: Stichting Cedin,

gemachtigde: [B] ,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. W.F. Wienen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 mei 2025,- de conclusie van antwoord van 14 augustus 2025.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. Namens Stichting Cedin is de heer [A] (Financial Controller) verschenen, bijgestaan door de heer [B] en de heer [C] . Namens [gedaagde] is de heer [D] (bestuurder) verschenen, bijgestaan door mr. Wienen. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak tussen [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en [gedaagde] , met zaaknummer 11515361. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting met partijen is besproken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Waar gaat deze zaak over?

Tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) heeft tot 12 december 2024 een huurovereenkomst bestaan voor bedrijfsruimte aan het adres [adres] te [plaats] . [bedrijf 2] heeft een aanzienlijke huurachterstand laten ontstaan. Tijdens een zitting op 8 mei 2024 bij de Rechtbank Noord-Nederland hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in een proces-verbaal afspraken gemaakt, waarin onder meer een betalingsregeling is overeengekomen. [bedrijf 2] is die afspraken niet nagekomen, waarna op 12 november 2024 het proces-verbaal aan [bedrijf 2] is betekend. [bedrijf 1] heeft derdenbeslag laten leggen onder [gedaagde] (de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] ).

Stichting Cedin zegt dat zij de vorderingen van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] overgedragen heeft gekregen. Stichting Cedin betwist in deze procedure de derdenverklaring die [gedaagde] in de procedure tussen [bedrijf 1] en [gedaagde] heeft afgelegd (hierna: de verklaring).

Volgens Stichting Cedin voldoet die verklaring niet aan de wettelijke vereisten en moet [gedaagde] daarom veroordeeld worden om aan haar het bedrag (van € 66.093,81) waarvoor het beslag is gelegd, te betalen.

De kantonrechter wijst de vorderingen af, omdat Stichting Cedin niet de partij is die de (betalings)afspraken met [bedrijf 2] heeft gemaakt en ook niet het beslag heeft laten leggen. Uit de verkoopakte van het bedrijfspand blijkt ook niet dat de vorderingen die [bedrijf 1] op [bedrijf 2] heeft zijn overgedragen aan Stichting Cedin.

3. De beoordeling

In deze procedure betwist Stichting Cedin de juistheid van de verklaring van [gedaagde] op grond van artikel 477a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv). Volgens Stichting Cedin voldoet de verklaring niet aan de wettelijke vereisten, omdat [gedaagde] heeft volstaan met een niet-onderbouwde ontkenning.

In artikel 477a lid 2 Rv is bepaald dat indien de derde-beslagene een verklaring heeft afgelegd, de executant bevoegd is deze geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen. Overschrijding van deze termijn doet deze bevoegdheid vervallen.

De kantonrechter kan deze vordering inhoudelijk echter niet beoordelen, omdat [gedaagde] er terecht op heeft gewezen dat Stichting Cedin geen vordering heeft op [bedrijf 2] en ook niet degene is die het derdenbeslag heeft gelegd onder [gedaagde] . Dat is namelijk [bedrijf 1] .

Stichting Cedin zegt dat [bedrijf 1] de vorderingen die [bedrijf 1] had op [bedrijf 2] heeft overgedragen aan haar en dat dit blijkt uit de akte van verkoop en levering van het bedrijfspand. De kantonrechter volgt Stichting Cedin daarin niet.

In deze akte staat weliswaar dat het bedrijfspand waarvan [bedrijf 2] huurder is geweest eigendom is geworden van Stichting Cedin, maar uit deze akte blijkt niet dat daarbij de vorderingen die [bedrijf 1] had op [bedrijf 2] ook aan Stichting Cedin zijn overgedragen. Zoals [gedaagde] ook naar voren heeft gebracht zijn de vorderingen op [bedrijf 2] niet aan te merken als rechten die (zoals opgenomen in artikel 8.1 van die akte) overgaan op grond van artikel 6:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat artikel staat dat alle rechten van vrijwaring en andere rechten die [bedrijf 1] heeft tegen zijn rechtsvoorganger en/of derden mee overgaan. Daarvan is hier geen sprake.

[gedaagde] heeft meer specifiek gewezen op artikel 8.3 uit die akte. In dat artikel staat dat de vorderingen van [bedrijf 1] op de huurders uit hoofde van achterstallige huurpenningen en de overige rechten uit hoofde van de bestaande rechtsverhouding tussen [bedrijf 1] en de huurders, worden overgedragen aan Stichting Cedin. Vervolgens heeft [gedaagde] gewezen op de definities van huurder en huurovereenkomst zoals die in de akte staan vermeld. In de akte is een huurder gedefinieerd als “een huurder die krachtens een Huurovereenkomst een gedeelte van het Registergoed thans huurt.” en is een huurovereenkomst gedefinieerd als “de ter zake van het Registergoed met de huurders bestaande overeenkomsten van huur, welke overeenkomst van huur aan Partijen genoegzaam bekend zijn.”

De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat uit artikel 8.3, zeker in samenhang gelezen met de voorgaande geciteerde definities, niet blijkt dat de vorderingen van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] hiermee zijn overgedragen aan Stichting Cedin. De huurovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is namelijk per 12 december 2024 met wederzijds goedvinden beëindigd. Dat volgt uit de in het proces-verbaal vastgelegde afspraken en daarover zijn partijen het ook eens.

De akte van verkoop dateert van 7 februari 2025 en op dat moment was [bedrijf 2] al bijna twee maanden geen huurder meer. Deze akte is opgesteld door Trip Advocaten en Notarissen en tijdens de mondelinge behandeling heeft Stichting Cedin benadrukt dat Trip Advocaten en Notarissen ook volledig op de hoogte was van het voortraject en van de actuele situatie tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .Onder deze omstandigheden komt het voor rekening en risico van Stichting Cedin dat uit de akte niet blijkt dat de vorderingen op [bedrijf 2] als voormalig huurder worden overgedragen aan Stichting Cedin. Zowel de definities van huurder en huurovereenkomst als de tekst van artikel 8.3 maken duidelijk dat onder huurder en een huurovereenkomst alleen een nog bestaande huurder of huurovereenkomst wordt begrepen. Dat het wel de bedoeling is geweest van Stichting Cedin om deze vorderingen die voortkomen uit de voormalige huurovereenkomst met [bedrijf 2] over te nemen van [bedrijf 1] , maakt de uitkomst niet anders. Zeker gelet op het feit dat Stichting Cedin door een professioneel gemachtigde werd bijgestaan, had in de akte duidelijk moeten worden gemaakt dat ook de vorderingen op de voormalig huurder (waaronder [bedrijf 2] ) zouden worden overgedragen. Dat is niet gebeurd, zodat niet kan worden vastgesteld dat Stichting Cedin deze vorderingen van [bedrijf 1] overgedragen heeft gekregen.

De vorderingen van Stichting Cedin zullen daarom worden afgewezen.

Stichting Cedin moet de proceskosten betalen

Omdat Stichting Cedin in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . Daarbij wordt rekening gehouden met de gezamenlijke mondelinge behandeling waarbij ook de zaak tussen [bedrijf 1] en [gedaagde] is behandeld, zodat een half punt salaris voor de mondelinge behandeling wordt toegekend en een punt voor de conclusie van antwoord. De proceskosten worden vastgesteld op een bedrag van € 1.443,00 (1,5 punt x tarief € 866,00), bestaande uit € 1.299,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van Stichting Cedin af,

veroordeelt Stichting Cedin in de proceskosten van € 1.443,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Stichting Cedin niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?