RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11811548 \ AC EXPL 25-1752
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
1. de besloten vennootschap
[gedaagde sub 1] B.V., mede handelend onder de naam [handelsnaam 1],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gemachtigde: N. Tieben,
hierna te noemen: [handelsnaam 1]
2. de besloten vennootschap
[gedaagde sub 2] B.V., mede handelend onder de naam [handelsnaam 2],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gemachtigden: mr. drs. J.F. [A] en L.J. [B] ,
hierna te noemen: [handelsnaam 2] ,
gedaagde partijen.
1. De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om financial lease. [eiser] heeft van [handelsnaam 1] een offerte gekregen waarin staat dat hij tussentijds boetevrij kan aflossen. Na bemiddeling door [handelsnaam 1] heeft [eiser] met [handelsnaam 2] een financial leaseovereenkomst gesloten. In de algemene voorwaarden van [handelsnaam 2] staat dat bij vervroegde aflossing geen korting op de kredietvergoeding wordt gegeven. [eiser] wil de overeenkomst met [handelsnaam 2] vernietigen omdat hij heeft gedwaald over de mogelijkheid om boetevrij tussentijds af te lossen. Dat kan niet omdat de dwaling is veroorzaakt door een mededeling van [handelsnaam 1] , die geen partij is bij de financial leaseovereenkomst. Die mededeling is niet namens [handelsnaam 2] gedaan en [handelsnaam 2] was daarvan niet op de hoogte. [handelsnaam 1] is tekortgeschoten omdat zij [eiser] een financial leaseovereenkomst heeft aangeboden met de mogelijkheid om tussentijds boetevrij af te lossen. [handelsnaam 1] moet de schade die [eiser] daardoor heeft geleden vergoeden.
2. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaardingen met producties 1-17,
- de conclusie van antwoord van [handelsnaam 2] ,
- de conclusie van antwoord van [handelsnaam 1] ,
- het verzoek inzake overlegging van bescheiden en inlichtingen met producties 18-20,- reactie op het verzoek door [handelsnaam 2] met een bijlage,- reactie op het verzoek door [handelsnaam 1] ,- producties 21-28 van [eiser] .
De kantonrechter zal geen acht slaan op akte van [eiser] van 17 januari 2026 met een nadere toelichting op het verzoek, omdat er al een mondelinge behandeling was bepaald en [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld om nog te reageren op de reacties op zijn verzoek.
De mondelinge behandeling is gehouden op 27 januari 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die aan het proces-verbaal zullen worden gehecht. Bij de mondelinge behandeling was [eiser] aanwezig en namens [handelsnaam 2] waren [A] en [B] aanwezig. [A] vertelde dat een vertegenwoordiger van [handelsnaam 1] hem had gebeld dat hij per ongeluk in Amersfoort was, dat het een half uur zou duren voor hij in Utrecht kon zijn en dat hij twijfelde of hij nog zou komen. De mondelinge behandeling is begonnen om 9.00 uur en gesloten om 10.15 uur. Namens [handelsnaam 1] is niemand verschenen.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
Op 28 januari 2026 is per mail een brief binnengekomen van [handelsnaam 1] . Die brief wordt buiten beschouwing gelaten omdat al een datum voor vonnis was bepaald.
3. De feiten
[eiser] had een onderneming, [bedrijf 1] , en wilde daarvoor een bedrijfsbus kopen. Op 20 april 2023 heeft [eiser] een offerte financial lease van [handelsnaam 1] voor akkoord getekend. In die offerte staat bij het kopje ‘tussentijdse beëindiging’: Ja, het is mogelijk voortijdig boetevrij in te lossen. Onderaan de offerte staat: Let op, het betreft hier een Financial Lease offerte en is nog geen financieringsovereenkomst! Met het ondertekenen van deze offerte gaat u akkoord met de algemene voorwaarden van [handelsnaam 1] en geeft u opdracht aan [handelsnaam 1] om de financieringsovereenkomst voor u op te maken.
Op 22 april 2023 heeft [eiser] een Ford Transit Custom gekocht bij [bedrijf 2] B.V., met als betaalmethode financial lease.
[handelsnaam 1] heeft voor [eiser] een kredietaanvraag gedaan bij [handelsnaam 2] , die door [handelsnaam 2] is geaccepteerd. [handelsnaam 2] heeft op 24 april 2023 een leaseovereenkomst via Scrive eSing digitaal beschikbaar gesteld, aan [eiser] en [bedrijf 2] voor ondertekening en aan [handelsnaam 1] voor review. [eiser] is door [handelsnaam 1] gebeld dat hij de leaseovereenkomst digitaal kon ondertekenen, wat [eiser] op 25 april 2023 heeft gedaan. Tegelijk met de leaseovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van [handelsnaam 2] digitaal beschikbaar gesteld. In artikel 4.6 van die algemene voorwaarden staat: U kunt, als u dat wilt, uw krediet eerder aflossen dan afgesproken. Dat doet u door alle nog niet betaalde termijnen in één keer aan ons te betalen. Korting op de kredietvergoeding wordt niet verleend. Zodra u het volledige bedrag heeft betaald is het motorrijtuig uw eigendom. De kredietvergoeding is € 6.580,50 en bestaat uit de som van de rente die [eiser] betaalt als hij het krediet aflost in 59 maandelijkse termijnen van € 284,05 en een slottermijn van € 3.771,55.
In april 2024 heeft [eiser] aan [handelsnaam 2] laten weten dat hij het krediet eerder wilde aflossen. [handelsnaam 2] heeft daarop laten weten dat dat kan, maar dat er geen korting op de kredietvergoeding wordt verleend. [eiser] heeft het krediet niet vervroegd afgelost en heeft tot op heden telkens het maandbedrag van € 284,05 aan [handelsnaam 2] betaald.
4. Het geschil
[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - vernietiging althans ontbinding van de leaseovereenkomst en betaling van € 8.255,67, althans € 5.655,85. Meer subsidiair vordert [eiser] schadevergoeding nader op te maken bij staat en een verklaring voor recht. Daarnaast vordert [handelsnaam 1] € 3.700,00 aan immateriële schadevergoeding, met veroordeling van [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] in de proceskosten; alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente. [eiser] heeft in het incident afgifte gevraagd van een groot aantal bescheiden en om nadere inlichtingen verzocht.
[handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] voeren verweer. [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] vinden dat de vorderingen en verzoeken van [eiser] moeten worden afgewezen en willen dat [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld.
Op de standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan, waarbij eerst het incidentele verzoek en vervolgens de hoofdzaak wordt beoordeeld.
5. De beoordeling in het incident
Het verzoek om afgifte
[eiser] heeft zijn verzoek tijdig gedaan
[eiser] noemt in zijn verzoek art 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maar dat is vervallen. Het recht op afschrift of inzage is nu geregeld in de artikelen 194, 195 en 195a Rv. Die artikelen moeten worden toegepast op verzoeken die na 1 januari 2025 zijn ingediend. Een verzoek op grond van 195 Rv kan bij dagvaarding worden gedaan, maar mag ook later bij incidentele conclusie, zoals [eiser] heeft gedaan. Het verzoek is dus niet te laat gedaan, zoals door [handelsnaam 2] en [handelsnaam 1] was aangevoerd.
Het verzoek om afgifte wordt afgewezen
De verzoeken van [eiser] worden afgewezen omdat [handelsnaam 2] en [handelsnaam 1] voldoende hebben onderbouwd dat de gevraagde bescheiden niet bestaan of niet relevant zijn voor de beoordeling van deze zaak. De kantonrechter legt dat hierna uit per door [eiser] gehanteerde groep van bescheiden.
Als eerste vraagt [eiser] om afschrift van instructies, richtlijnen of acceptatiekaders die door of namens [handelsnaam 2] aan [handelsnaam 1] zijn verstrekt (of kenbaar zijn gemaakt) inzake doelgroepbepaling en klantkwalificatie (particulier/zakelijk), alsook eventuele product- of portefeuillerapportages die specifiek betrekking hebben op [handelsnaam 1]
en waarin de verhouding particulier/zakelijk is opgenomen of besproken. [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] schrijven dat er geen instructies, richtlijnen of acceptatiekaders zijn, zodat daarvan geen afschrift kan worden verstrekt. Over de doelgroepbepaling en klantkwalificatie (particulier/zakelijk), alsook eventuele product- of portefeuillerapportages heeft [eiser] niet toegelicht waarom die relevant zijn voor de beoordeling in deze zaak, zodat hij geen belang heeft bij afgifte.
Onder 2 vraagt [eiser] afschrift van onderlinge correspondentie en (marketing)afstemming tussen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] over de presentatie van het lease-product richting (klein)zakelijke afnemers en de verwijzingen naar Kifid/AFM (doel, reikwijdte, disclaimers), voor zover deze stukken specifiek betrekking hebben op
[handelsnaam 1] of door/aan [handelsnaam 1] zijn verstrekt. [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] schrijven dat over de door [eiser] genoemde onderwerpen geen correspondentie bestaat, zodat daarvan geen afschrift kan worden verstrekt.
Onder 3 vraagt [eiser] afschrift van interne stukken van [handelsnaam 1] (memo's, e-mails, briefing-/marketingdocumenten, webtekstwijzigingen of besluitnota's) over de betekenis, inzet en communicatie van de term 'boetevrij'/'boetevrij aflossen' in relatie tot het lease-product, inclusief eventuele interne definities, waarschuwingen of disclaimers, en de relatie tot art. 4.6 AV ('korting op de kredietvergoeding wordt niet verleend'). [handelsnaam 2] merkt daarover terecht op dat dit verzoek alleen aan [handelsnaam 1] is gericht. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] hiermee wil onderzoeken hoe [handelsnaam 1] tot haar uitleg van het begrip boetevrij aflossen is gekomen. [eiser] heeft geen hierbij geen belang, omdat de kantonrechter in de hoofdzaak de uitleg van [eiser] volgt.
Onder 4 vraagt [eiser] afschrift van stukken die zien op de totstandkoming van eisers overeenkomst (kenteken [kenteken] ), waaronder de offertevorming en het gebruik van de term 'boetevrij aflossen'. Het is de kantonrechter niet duidelijk van welke overeenkomst [eiser] de stukken die zien op de totstandkoming wil hebben. [eiser] heeft immers drie overeenkomsten gesloten, de opdracht tot bemiddeling met [handelsnaam 1] , de koopovereenkomst met [bedrijf 2] en de financial leaseovereenkomst met [handelsnaam 2] . Omdat alleen in de overeenkomst met [handelsnaam 1] een offerte is uitgebracht en de term boetevrij aflossen wordt gebruikt, gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiser] die overeenkomst bedoelt. [handelsnaam 1] heeft onderbouwd gesteld dat [eiser] al over alle stukken die zien op de totstandkoming van die overeenkomst beschikt, zodat [eiser] geen belang heeft bij zijn verzoek.
Onder 5 vraagt [eiser] afschrift van correspondentie met of over Kifid en/of AFM waarin de toepasselijkheid van klachtenafhandeling/toezicht op (klein)zakelijke afnemers aan de orde is, voor zover deze stukken betrekking hebben op [handelsnaam 1] of het betreffende product. [handelsnaam 2] schijft dat er geen correspondentie is met AFM of Kifid. [handelsnaam 1] schrijft dat er geen correspondentie bestaat met AFM en dat [eiser] de correspondentie met Kifid over de afhandeling van zijn klacht al heeft. De kantonrechter is het met [handelsnaam 1] eens dat [eiser] geen belang heeft bij de correspondentie van [handelsnaam 1] met Kifid over het door haar – ruim na totstandkoming van de overeenkomst tot opdracht – gedane verzoek tot aansluiting voor het loket voor kleinzakelijke ondernemers.
Onder 6 vraagt [eiser] afschrift van documenten uit de contractketen rond het voertuig ( [bedrijf 2] / [handelsnaam 1] / [handelsnaam 2] ): koop-/leveringsstukken, facturen/afleverbonnen en eventuele addenda/afspraken die de rol van [handelsnaam 1] in die keten regelen; uitsluitend [handelsnaam 1] -specifiek, en aangevraagd ter verificatie van de door [handelsnaam 2] ingenomen stelling dat sprake is van een 'drie-partijen-overeenkomst'. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] afschrift van deze stukken wenst om de door [handelsnaam 2] ingenomen stelling dat sprake is van een 'drie-partijen-overeenkomst’ onderbouwd te kunnen betwisten. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] hierbij geen belang heeft. [handelsnaam 2] heeft aangevoerd dat [eiser] ook [bedrijf 2] had moeten dagvaarden omdat die, naast [eiser] en [handelsnaam 2] partij is bij de financial leaseovereenkomst. [handelsnaam 2] heeft niet gesteld dat er een driepartijen-overeenkomst bestaat met [eiser] , [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] als partijen. Omdat de kantonrechter in de hoofdzaak van oordeel is dat financial leaseovereenkomst niet moet worden vernietigd of ontbonden, heeft [eiser] geen belang bij deze stukken.
Het verzoek om toelichting
[eiser] verzoekt ook op een aantal punten een toelichting, voor het geval de door hem gezochte informatie niet blijkt uit de documenten waar hij afgifte van heeft verzocht. [eiser] heeft zijn verzoek gegrond op artikel 22 Rv. Dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om partijen te bevelen stellingen toe te lichten of gegevens over te leggen. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] vraagt om van die bevoegdheid gebruik te maken. De kantonrechter zal dat niet doen omdat geen behoefte bestaat aan nadere inlichtingen.
De proceskosten in het incident
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] betalen. De proceskosten van zowel [handelsnaam 1] als [handelsnaam 2] worden begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde.
6. De beoordeling in de hoofdzaak
Ten aanzien van [handelsnaam 2]
De kantonrechter is van oordeel dat de leaseovereenkomst met [handelsnaam 2] niet kan worden vernietigd op grond van dwaling. Dat [eiser] heeft gedwaald bij het aangaan van de leaseovereenkomst is veroorzaakt door een mededeling van [handelsnaam 1] in de offerte. De kantonrechter stelt vast dat die mededeling niet namens [handelsnaam 2] is gedaan en dat [handelsnaam 2] daarvan niet op de hoogte was. Er is ook geen reden om de financial leaseovereenkomst te ontbinden, omdat [handelsnaam 2] haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen. [handelsnaam 2] hoeft dus niets aan [eiser] te betalen. De kantonrechter legt dat hierna uit.
[handelsnaam 1] is ingeschakeld door [eiser]
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij [handelsnaam 1] heeft gevonden door te googelen op ‘financial lease’. Hij heeft online en telefonisch contact gehad met [handelsnaam 1] en vervolgens de offerte van [handelsnaam 1] ontvangen en voor akkoord getekend. Pas op het moment dat hij de leaseovereenkomst zag, wist hij dat het krediet werd verstrekt door [handelsnaam 2] . Het is [eiser] geweest die opdracht heeft gegeven aan [handelsnaam 1] om te bemiddelen bij de totstandkoming van de leaseovereenkomst en niet [handelsnaam 2] . Het is dus niet zo dat [eiser] een kredietovereenkomst wilde sluiten met [handelsnaam 2] en door [handelsnaam 2] naar [handelsnaam 1] is verwezen. Pas nadat [eiser] de offerte van [handelsnaam 1] had getekend en vervolgens bij [bedrijf 2] de auto had gekocht, wist hij dat [handelsnaam 2] het krediet zou verstrekken.
[handelsnaam 2] kende de offerte van [handelsnaam 1] aan [eiser] niet
[handelsnaam 2] heeft toegelicht dat zij samenwerkt met 1.700 kredietbemiddelaars die aanvragen voor een krediet kunnen doen. Als een aanvraag binnenkomt wordt die door [handelsnaam 2] beoordeeld. [handelsnaam 2] kijkt daarbij met name naar de prijs van de auto, de hoogte van de aanbetaling en het soort bedrijf waarvoor de aanvraag wordt gedaan. [handelsnaam 2] weet niet wat er in de offerte van de kredietbemiddelaar staat. Dat [handelsnaam 2] invloed heeft gehad op wat er in de offerte van [handelsnaam 1] is vermeld, laat staan dat dit namens [handelsnaam 2] is vermeld, heeft [eiser] niet onderbouwd. Dat de offerte van [handelsnaam 1] vrijwel naadloos aansloot op de overeenkomst met [handelsnaam 2] is daarvoor niet voldoende. Het kan eenvoudig zo zijn dat [handelsnaam 1] de offerte heeft opgesteld uitgaande van de bij haar bekende tarieven van [handelsnaam 2] .
De overeenkomst met [handelsnaam 2] kan dus niet vernietigd worden op grond van dwaling, omdat geen van de drie dwalingsgevallen zich voordoet: de inlichting was niet afkomstig van [handelsnaam 2] en omdat [handelsnaam 2] de offerte niet kende ruste op haar ook geen mededelingsplicht en is er evenmin sprake van wederzijdse dwaling.
Er is geen grond voor ontbinding
[eiser] vordert subsidiair om de overeenkomst met [handelsnaam 2] te ontbinden. Maar [eiser] heeft niet gesteld dat en hoe [handelsnaam 2] zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, zodat er geen grond is om de overeenkomst te ontbinden of om [handelsnaam 2] te veroordelen om schadevergoeding aan [eiser] te betalen.
[eiser] moet de proceskosten van [handelsnaam 2] betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [handelsnaam 2] betalen. De proceskosten van [handelsnaam 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde (2 punten x € 432,00) € 864,00,
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening)
Totaal € 100800.
Ten aanzien van [handelsnaam 1]
De primaire en subsidiaire vordering tot terugbetaling van wat [eiser] op grond van de leaseovereenkomst heeft betaald en schadevergoeding zijn gegrond op respectievelijk vernietiging en ontbinding van de leaseovereenkomst. Deze vorderingen kunnen alleen worden gericht tegen de wederpartij bij de leaseovereenkomst en dat is [handelsnaam 1] niet. Op die gronden kunnen de vorderingen jegens [handelsnaam 1] dus niet worden toegewezen. Voor zover [eiser] bedoelt dat hij (ook) heeft gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst met [handelsnaam 1] , kan dat evenmin leiden tot toewijzing van de primaire of subsidiaire vordering. [eiser] heeft geen vernietiging gevraagd van de overeenkomst met [handelsnaam 1] en vernietiging van die overeenkomst zou er niet toe leiden dat [handelsnaam 1] aan [eiser] moet betalen wat [eiser] op grond van de financial leaseovereenkomst aan [handelsnaam 2] heeft betaald. Meer subsidiair heeft [eiser] schadevergoeding gevorderd, nader op te maken bij staat. Die vordering zal hieronder worden beoordeeld.
De kantonrechter vult de rechtsgronden van [eiser] aan
Uit het feitenrelaas zoals dat door [eiser] is gepresenteerd, maakt de kantonrechter op dat [eiser] van mening is dat [handelsnaam 1] niet heeft gedaan wat er volgens hem is afgesproken, namelijk voor hem een leaseovereenkomst afsluiten met de mogelijkheid om zonder extra kosten voortijdig af te lossen. Met aanvulling van de rechtsgronden zal de kantonrechter beoordelen of [handelsnaam 1] de overeenkomst met [eiser] is nagekomen en of zij een schadevergoeding aan [eiser] moet betalen.
De kantonrechter is van oordeel van [handelsnaam 1] is tekortgeschoten in haar verplichting om voor [eiser] een financieringsovereenkomst af te sluiten waarbij hij zonder extra kosten vervroegd kon aflossen. [handelsnaam 1] moet de schade vergoeden die [eiser] daardoor heeft geleden. Een verwijzing naar de schadestaatprocedure is niet nodig omdat de kantonrechter de schade zelf kan begroten. De schade wordt begroot op de kredietvergoeding die [eiser] verschuldigd is vanaf april 2024. De kantonrechter legt dat hierna uit.
[eiser] en [handelsnaam 1] hebben afgesproken dat [eiser] voortijdig boetevrij kan aflossen
Tussen [eiser] en [handelsnaam 1] is een overeenkomst tot stand gekomen waarin [handelsnaam 1] zich heeft verbonden om voor [eiser] een financieringsovereenkomst af te sluiten waarbij hij de mogelijkheid heeft om voortijdig boetevrij af te lossen. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de term boetevrij aflossen. De kantonrechter moet dit dus uitleggen aan de hand van de Haviltexnorm, waarbij van belang is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en welke kennis partijen hebben.
Welke betekenis heeft boetevrij in dit geval?
Om te kunnen begrijpen wat ‘boetevrij voortijdig aflossen’ betekent, moet eerst worden onderzocht wat wordt bedoeld met ‘boete bij voortijdig aflossen’. Een boete bij voortijdig aflossen is bedoeld om een kredietgever te compenseren voor het gemis aan rente-inkomsten dat hij heeft als het krediet sneller dan volgens het afgesproken schema wordt afgelost. Rente is immers normaal gesproken alleen verschuldigd over het nog openstaande bedrag. Als er eerder wordt afgelost, ontvangt de kredietgever minder rente en de boete is bedoeld om dat te compenseren. De betekenis die [handelsnaam 1] aan de term boetevrij geeft is gelet hierop niet te begrijpen. Volgens [handelsnaam 1] betekent het dat [eiser] bij voortijdig aflossen naast de volledige kredietvergoeding niet ook nog een boete hoeft te betalen. Dat zich in de praktijk de situatie zal voordoen dat naast de volledige kredietvergoeding ook nog een boete moet worden betaald als voortijdig wordt afgelost, acht de kantonrechter ondenkbaar. Dat zou immers betekenen dat de kredietgever, ondanks dat hij eerder dan afgesproken weer de beschikking krijgt over het door hem uitgeleende bedrag, een extra vergoeding krijgt voor het ter beschikking stellen van dat geld. Dat betekent dat de kantonrechter de uitleg van [eiser] volgt, namelijk dat is afgesproken dat hij voortijdig kon aflossen, dat hij vanaf het moment dat volledig was afgelost geen rente meer hoefde betalen en dat hij daarvoor geen boete zou hoeven betalen.
[handelsnaam 1] is tekortgeschoten en moet de schade van [eiser] vergoeden
De financial leaseovereenkomst die [handelsnaam 1] voor [eiser] heeft aangevraagd bij [handelsnaam 2] gaf niet de mogelijkheid om voortijdig boetevrij af te lossen in de betekenis die [eiser] daaraan mocht toekennen. Dat betekent dat [handelsnaam 1] is tekortgeschoten in haar verplichting uit de overeenkomst en de schade die [eiser] daardoor lijdt moet vergoeden. Die schade wordt door de kantonrechter vastgesteld op het rentedeel van de maandelijkse termijnen die [eiser] verschuldigd is aan [handelsnaam 2] na april 2024, omdat [eiser] vanaf dat moment voor het eerst heeft aangegeven dat hij voortijdig boetevrij wilde gaan aflossen en hem toen werd verteld dat dit niet mogelijk was. Uit het aflossingsschema blijkt dat dat in totaal € 4.912,05 is. Weliswaar is een deel van dat bedrag nog niet aan [handelsnaam 2] betaald, maar hierboven is geoordeeld dat de leaseovereenkomst in stand blijft, zodat vaststaat dat [eiser] de volledige kredietvergoeding aan [handelsnaam 2] zal moeten betalen. Het voordeel voor [eiser] dat [handelsnaam 1] eerder aan hem moet betalen dan dat hij aan [handelsnaam 2] moet betalen wordt tenietgedaan door het nadeel dat [eiser] heeft omdat hij grootste deel van het bedrag al voor de dagvaarding aan [handelsnaam 2] heeft betaald en pas met ingang van de datum van de dagvaarding daarover de wettelijke rente vordert. [eiser] vordert ook vergoeding van de door hem betaalde motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies, maar die kosten hoeft [handelsnaam 1] niet aan hem te betalen. Deze kosten hangen samen met het bezit van de auto en vloeien niet voort uit de financial leaseovereenkomst. Er is geen verband met de tekortkoming van [handelsnaam 1] .
[handelsnaam 1] moet de wettelijke rente betalen
[handelsnaam 1] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde (ingangsdatum van de) de wettelijke rente. [handelsnaam 1] moet de wettelijke rente over € 4.912,05 betalen met ingang van 3 juli 2025.
[eiser] krijgt geen vergoeding voor immateriële schade
[eiser] vordert een vergoeding van € 3.700,00 aan immateriële schade. [eiser] stelt dat hij sinds oktober 2024 te maken heeft met stressklachten en mentale uitval. Volgens hem is niet met zekerheid vast te stellen dat dit geschil de enige oorzaak is voor zijn psychische klachten, maar heeft het wel bijgedragen aan de psychische belasting.
De kantonrechter stelt voorop dat de lat voor de toekenning van immateriële schadevergoeding hoog is. Immateriële schadevergoeding kan volgens de wet alleen worden toegekend als er sprake is van lichamelijk letsel, iemands eer of goede naam is beschadigd, of als iemand op een andere manier persoonlijk is aangetast. De gestelde psychische klachten van [eiser] vallen niet onder één van de situaties zoals deze in de wet staan beschreven en zijn door [eiser] niet verder toegelicht of onderbouwd. [eiser] heeft dus onvoldoende gesteld om immateriële schadevergoeding toe te kennen. De vordering zal alleen al daarom worden afgewezen.
Er wordt geen verklaring voor recht gegeven
[eiser] heeft een verklaring voor recht gevraagd dat hij de overeenkomst rechtsgeldig heeft buitengerechtelijk vernietigd althans beëindigd per april 2024. Die verklaring wordt niet gegeven omdat de kantonrechter hierboven heeft vastgesteld dat de overeenkomst niet is vernietigd of geëindigd.
[handelsnaam 1] moet de proceskosten van [eiser] betalen
[handelsnaam 1] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 151,61
- griffierecht € 257,00
- verletkosten € 50,00
Totaal € 458,61
7. De beslissing
De kantonrechter
Ten aanzien van [handelsnaam 2]
in het incident:
wijst de verzoeken van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 288,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in de hoofdzaak
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig de proceskosten betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten voor de betekening betalen.
Ten aanzien van [handelsnaam 1]
in het incident
wijst de verzoeken van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 288,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig de proceskosten betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten voor de betekening betalen,
in de hoofdzaak
veroordeelt [handelsnaam 1] tot betaling van € 4.912,05, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 3 juli 2025 tot en met de dag waarop alles is betaald,
veroordeelt [handelsnaam 1] in de proceskosten van € 485,61 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [handelsnaam 1] niet tijdig aan dit vonnis voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [handelsnaam 1] ook de kosten voor de betekening betalen,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 7.7 en 7.8 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.