ECLI:NL:RBMNE:2026:852

ECLI:NL:RBMNE:2026:852

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer 11515361 \ MC EXPL 25-545 BW 31650
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Vordering op grond van artikel 476a juncto 476b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Gedaagde heeft alsnog verklaring afgelegd in deze procedure. Die verklaring heeft eiseres niet tijdig betwist. Afwijzing vordering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 11515361 \ MC EXPL 25-545 BW 31650

Vonnis van 25 februari 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: de heer [B] ,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. W.F. Wienen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 23 producties van 24 januari 2025,- de conclusie van antwoord van 7 april 2025,

-de akte overlegging producties 1-8 van [gedaagde] van 15 juli 2025.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. Namens [eiseres] is de heer [A] (Financial Controller) verschenen, bijgestaan door de heer [B] en de heer [C] . Namens [gedaagde] is de heer [D] (bestuurder) verschenen, bijgestaan door mr. Wienen. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak tussen Stichting Cedin en [gedaagde] , met zaaknummer 11741747. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting met partijen is besproken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Waar gaat deze zaak over?

Tussen [eiseres] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) heeft tot 12 december 2024 een huurovereenkomst bestaan voor een bedrijfsruimte aan het adres [adres] te [plaats] . [bedrijf] heeft een aanzienlijke huurachterstand laten ontstaan. Tijdens een zitting op 8 mei 2024 bij de Rechtbank Noord-Nederland hebben [eiseres] en [bedrijf] in een proces-verbaal afspraken gemaakt, waarin onder meer een betalingsregeling is overeengekomen. [bedrijf] is die afspraken niet nagekomen, waarna op 12 november 2024 het proces-verbaal aan [bedrijf] is betekend.

[eiseres] heeft derdenbeslag laten leggen onder [gedaagde] (de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] ). Omdat [gedaagde] (ondanks herhaalde aanmaningen) geen derdenverklaring heeft afgelegd in de zin van artikel 476a juncto 476b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maakt [eiseres] in deze procedure aanspraak op betaling van [gedaagde] van het bedrag van € 66.093,81 waarvoor het beslag is gelegd.

3. De beoordeling

Toetsingskader

De vraag die beantwoord moet worden is of [gedaagde] in deze procedure veroordeeld kan worden tot betaling aan [eiseres] van € 66.093,81, omdat zij geen derdenverklaring na beslaglegging heeft afgelegd.

[eiseres] baseert haar vordering op artikel 477a lid 1 Rv. In de eerste volzin is bepaald, kort gezegd, dat als de derde-beslagene geen verklaring doet, hij of zij kan worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar. Uit de tweede volzin volgt dat de derde-beslagene wordt toegelaten alsnog een gerechtelijke verklaring te doen.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord (ontvangen op 7 april 2025) en bij nadere akte van 15 juli 2025 alsnog een verklaring en bijbehorende producties afgelegd, waarin kort gezegd staat dat [gedaagde] geen gelden van [bedrijf] onder zich houdt.

Omdat [gedaagde] alsnog een verklaring heeft afgelegd, bestaat er geen grond (meer) om haar aansprakelijk te houden voor het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware zij daarvan zelf schuldenaar. Een verklaring derdenbeslag die alsnog wordt afgelegd, verhindert namelijk dat de derde-beslagene op grond van artikel 477a lid 1 Rv wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd.

Op grond van artikel 477a lid 2 Rv heeft [eiseres] twee maanden de tijd om die verklaring te betwisten. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. De bevoegdheid van [eiseres] om de verklaring te betwisten is dus vervallen.

Wel heeft Stichting Cedin op 23 mei 2025 een nieuwe dagvaarding uitgebracht tegen [gedaagde] en daarin de verklaring van [gedaagde] betwist op grond van artikel 477a lid 2 RV. Omdat die vordering door een andere rechtspersoon is ingesteld, kunnen die standpunten en processtukken niet in deze procedure betrokken worden.

De kantonrechter wijst tegelijkertijd met deze zaak een vonnis in de zaak tussen Stichting Cedin en [gedaagde] .

[gedaagde] moet de proceskosten (grotendeels) betalen

Omdat [gedaagde] alsnog, na dagvaarding, de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv heeft afgelegd komen de proceskosten, als nodeloos veroorzaakt, voor haar rekening. Dat staat in artikel 477a lid 1 Rv.

De door [eiseres] in dit verband gemaakte proceskosten worden begroot op € 2.595,30, bestaande uit € 1.461,00 aan griffierecht, € 124,30 aan kosten dagvaarding, € 866,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten.

De proceskosten voor de mondelinge behandeling moet [eiseres] betalen 3.5. De proceskosten die partijen hebben gemaakt voor de mondelinge behandeling komen voor rekening van [eiseres] . Nadat de verklaring door [gedaagde] in het geding was gebracht (en de juistheid daarvan door [eiseres] niet (tijdig) werd betwist) had [eiseres] geen belang meer bij haar vordering. De kosten voor de mondelinge behandeling zijn daarom nodeloos veroorzaakt (door [eiseres] ). Gelet op de gelijktijdige behandeling met de zaak tussen Stichting Cedin en [gedaagde] , zal het salaris gemachtigde voor de mondelinge behandeling worden vastgesteld op een half punt salaris (0,5 x € 866,00), te vermeerderen met de nakosten van € 144,00. Dat betekent dat [eiseres] voor de mondelinge behandeling wordt veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] ter hoogte van € 577,00.

4. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.595,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?