RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11855569 \ UC EXPL 25-6906
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: LegalSteps B.V.,
tegen
TW DE RAVEL B.V.,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Ravel,
gemachtigde: mr. L. van Waegeningh.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 21 juli 2025 met producties;
de conclusie van antwoord met producties;
de conclusie van repliek;
de conclusie van dupliek.
Daarna is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiser] heeft van De Ravel van oktober 2020 tot mei 2025 een onzelfstandige woonruimte gehuurd in het pand aan de [adres] in [plaats] . Zij heeft bij aanvang een waarborgsom betaald van in totaal € 594,00. In deze procedure vordert [eiser] terugbetaling van de waarborgsom, omdat De Ravel deze volgens haar onterecht heeft verrekend met schade die De Ravel stelt te hebben. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen.
3. De beoordeling
Bij aanvang van de huurovereenkomst in oktober 2020 heeft [eiser] een
waarborgsom van € 400,00 betaald aan De Ravel voor de huur van kamer [nummer 1] . Op 1 februari
2025 is [eiser] verhuisd van kamer [nummer 1] naar [nummer 2] en heeft zij aanvullend een waarborgsom betaald van € 194,00. Tussen partijen staat vast dat de totale waarborgsom niet aan [eiser] is terugbetaald na het einde van de huurovereenkomst.
De Ravel moet de waarborgsom van € 594,00 aan [eiser] terugbetalen
De bedoeling van een waarborgsom is volgens artikel 7:261b van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat de verhuurder aantoonbare gemaakte kosten voor herstel van de schade aan het gehuurde en de betalingsachterstand mag verrekenen met de waarborgsom. Voorwaarde voor de verrekening is dat verhuurder de huurder hiervan schriftelijk in kennis stelt en een volledige kostenspecificatie toestuurt aan huurder. De Ravel heeft de waarborgsom niet aan [eiser] terugbetaald, omdat De Ravel meent dat zij schade heeft geleden door [eiser] vanwege een incident op 27 maart 2025. Beide partijen hebben een eigen visie over wat er is gebeurd op 27 maart 2025. Voor de kantonrechter is echter niet relevant wat er is gebeurd op die avond. De door De Ravel gestelde schade, die zij heeft verrekend met de waarborgsom, ziet namelijk op een tijdsbesteding (‘de manuren’) die medewerkers van Gold Groep (door De Ravel ingehuurd voor het beheer van het gebouw) en medewerkers van De Ravel hebben gehad aan de afhandeling van dat incident. Deze gestelde schade, die [eiser] overigens ook betwist, kan niet worden verrekend met de waarborgsom. Dat blijkt immers uit artikel 7:261b BW waarin is bepaald dat alleen kosten voor herstel van schade aan het gehuurde of een betalingsachterstand mogen worden verrekend. De tijdsbesteding die verschillende medewerkers hebben gehad, houdt op geen enkele wijze verband met herstel van schade aan het gehuurde of een betalingsachterstand. Weliswaar stelt De Ravel dat de waarborgsom ook schade dekt die bestaat uit kosten die zijn gemaakt als gevolg van een tekortkoming door [eiser] , maar dat is nu juist niet wat er in artikel 7:261b BW is bepaald. De Ravel moet daarom de waarborgsom aan [eiser] terugbetalen.
De verwijzing van De Ravel naar artikel 9 lid 1 van de huurovereenkomst maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Van artikel 7:261b BW kan namelijk niet worden afgeweken, zo blijkt uit artikel 7:265 BW.
De over de waarborgsom van € 594,00 gevorderde wettelijke rente wordt vanaf
15 mei 2025 toegewezen, zoals ook is gevorderd.
De Ravel moet ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 89,10 aan [eiser] betalen
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 89,10 worden toegewezen.
De Ravel moet de proceskosten betalen
De Ravel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief
nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
226,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
708,35
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt De Ravel om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 594,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt De Ravel om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 89,10 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt De Ravel in de proceskosten van € 708,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als De Ravel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt De Ravel tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.