RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/591142 / HL ZA 25-86
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.H.J. Luijer,
tegen
WIJDEMEREN ONTWIKKELING B.V.,
te Loosdrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: WO,
advocaat: mr. G.K. Slagter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11,
- de mondelinge behandeling van 13 november 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Waar deze zaak over gaat
[eiser] heeft geld geleend aan WO en wil dat die lening wordt terugbetaald. WO vindt dat zij de lening nog niet hoeft terug te betalen. De rechtbank zal WO veroordelen tot terugbetaling van de lening.
3. De beoordeling
Achtergrond
Begin december 2018 heeft [eiser] een lening van € 350.000,- verstrekt aan WO. WO wilde met dat geld een jachthaven in Kortenhoef herontwikkelen tot een haven met alleen maar woonarken. Partijen zijn het niet eens of de lening schriftelijk is vastgelegd en wat de precieze voorwaarden van de lening waren. Waar partijen het wel eens over zijn, is dat het geld werd geleend tegen een rentepercentage van 3,5% per jaar.
Partijen zijn het ook eens dat de grond van de jachthaven en de woning daarop (hierna: de woning) in één of andere vorm als onderpand zou dienen voor de terugbetaling van de lening. Volgens [eiser] in de vorm van een hypotheek op de woning, volgens WO door verstrekking van een negatieve hypotheekverklaring en het verlenen van een hypotheek op de woning op eerste afroep door [eiser] . Tot slot staat vast dat [eiser] de woning mocht gebruiken en dat WO geen rente hoefde te betalen zolang [eiser] gebruik maakte van de woning. De huur voor de woning werd weggestreept tegen de door WO over de lening verschuldigde rente.
De lening is opeisbaar
WO heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen hebben afgesproken dat de leningsovereenkomst een looptijd van tien jaar zou hebben. Die periode is nog niet verstreken en daarom is de lening volgens WO nog niet opeisbaar. [eiser] meent dat partijen geen looptijd zijn overeengekomen. Of partijen een bepaalde duur van de leningsovereenkomst met elkaar hebben afgesproken, maakt voor de opeisbaarheid in dit geval niet uit. Als de lening voor onbepaalde tijd was afgesloten, zoals [eiser] zegt, dan was deze altijd al op elk moment opeisbaar. Maar ook als de lening voor een periode van tien jaar is afgesloten, zoals WO stelt, is deze opeisbaar geworden.
WO beroept zich voor de periode van tien jaar op een schriftelijk stuk waarin volgens WO de afspraken over de geldlening staan. Die periode van tien jaar is in dat schriftelijke stuk opgenomen. Maar in datzelfde stuk is ook opgenomen dat WO de lening in ieder geval zou terugbetalen uit de verkoopopbrengst van de woning. De duur van de lening volgens dit schriftelijke stuk was ook maximaal tien jaar. Korter kon dus ook, als de woning eerder werd verkocht. Op 24 juni 2024 heeft WO de woning, kennelijk zonder tegenprestatie, overgedragen aan een andere onderneming, een zustervennootschap. De lening van [eiser] is op dat moment niet afgelost en dat had volgens de afspraken uit het schriftelijke stuk waarop WO zich beroept wel gemoeten. Het schriftelijke stuk spreekt weliswaar over verkoop en niet over overdracht, maar de bedoeling van die afspraak was méér dan duidelijk. Zeker tegen de achtergrond van de afspraak dat de woning als onderpand (in welke vorm ook) voor terugbetaling van de lening zou dienen. Dat [eiser] nu terugbetaling van de lening vordert, komt dan neer op een beroep op nakoming van de afspraak dat terugbetaald moet worden als de woning wordt verkocht. De lening moet door WO worden terugbetaald aan [eiser] .
WO is rente verschuldigd
WO meent dat zij over de lening geen rente verschuldigd is, althans niet in de omvang zoals door [eiser] gevorderd. Volgens WO heeft [eiser] de woning tot en met maart 2021 gebruikt voor de huisvesting van Polen. Over die periode is WO dan sowieso geen rente verschuldigd. Daarnaast is WO op een gegeven moment in financieel zwaar weer geraakt. [eiser] heeft er volgens WO mee ingestemd dat WO toen geen rente betaalde. WO is door [eiser] ook lange tijd niet aangesproken op betaling van rente, aldus WO.
[eiser] heeft vanaf het moment dat de lening is verstrekt (in december 2018) tot juni 2019 geen rente in rekening gebracht. [eiser] erkent dat zij in die maanden van de woning gebruik maakte. WO was om die reden dan ook geen rente verschuldigd over die periode. [eiser] betwist dat zij de woning langer heeft gebruikt. WO beroept zich op de rechtsgevolgen van haar stelling dat zij tot en met maart 2021 geen rente is verschuldigd omdat de woning tot die tijd werd gebruikt door [eiser] . Dat betekent dat de stelplicht en, als daaraan zou worden toegekomen, de bewijslast van die stelling op WO rust. WO heeft de drempel niet gehaald.
Zij heeft het gelaten bij de blote (en betwiste) stelling dat [eiser] de woning langer in gebruik zou hebben gehad dan door [eiser] wordt erkend. WO heeft niets in het geding gebracht dat die stelling op welke wijze ook ondersteunt, terwijl dat wel op haar weg lag.
Sterker, desgevraagd heeft de bestuurder van WO op de mondelinge behandeling zelfs verklaard dat hij niet weet of de woning in 2020 werd gebruikt door [eiser] . De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van [eiser] en gaat uit van een gebruik van de woning door [eiser] tot juni 2019 en niet langer.
[eiser] betwist dat zij zou hebben afgezien van de rentebetalingen door WO vanwege de slechte financiële situatie. Daar blijkt ook niets van uit het dossier. [eiser] stelt dat zij ook in de periode dat WO in financieel zwaar weer zat, aanspraak heeft gemaakt op de rentebetaling, maar dat betaling domweg uitbleef. Maar ook ingeval [eiser] coulance zou hebben betracht ten aanzien van het moment van de rentebetalingen, heeft zij daarmee nog niet afgezien van de betalingen. De rente is vanaf juni 2019 onverkort verschuldigd door WO.
WO heeft geen opschortingsrecht voor de rentebetalingen
WO heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de aan [eiser] verschuldigde rentebetalingen heeft mogen opschorten. De natuurlijke personen achter beide partijen werkten, via andere vennootschappen, ook met elkaar samen in een ander ontwikkelingsproject (hierna: project Cannenburg). Volgens WO werden in het project Cannenburg de saneringskosten niet vergoed door de andere partij, terwijl dit wel was afgesproken.
Duidelijk is dat die verschillende samenwerkingen de discussie tussen partijen hebben vertroebeld. Maar voor de beoordeling van dit geschil is project Cannenburg niet relevant. Het is een ander project en geen van beide vennootschappen die in deze zaak partij is, is betrokken bij dat andere project. Het beroep op opschorting van betaling van rente van WO, omdat er ‘gedoe’ was in project Cannenburg gaat daarom niet op. Partijen hebben er zelf voor gekozen om de samenwerking in beide projecten via verschillende vennootschappen te laten verlopen.
WO is de wettelijke handelsrente verschuldigd
Op 14 november 2024 heeft [eiser] aanspraak gemaakt op terugbetaling van het restant van de lening. Zij was tot de ontdekking gekomen dat WO de woning een half jaar eerder had vervreemd. Zoals hierboven al overwogen, mocht [eiser] op dat moment terugbetaling van de lening verlangen van WO, ook als wordt uitgegaan van de door WO gestelde schriftelijke leningsovereenkomst. In dat geval hadden partijen immers afgesproken dat WO de lening zou terugbetalen uit de verkoopopbrengst van de woning. Dat WO door haar eigen handelwijze geen opbrengst heeft gegenereerd uit de vervreemding van de woning, is niet het probleem van [eiser] . Na opeising had WO een periode van zes weken om het geld terug te betalen. Dat heeft WO niet gedaan. Dat betekent dat zij vanaf het verstrijken van de betalingstermijn de wettelijke handelsrente verschuldigd is geworden, te weten vanaf 27 december 2024.
WO is maar een klein bedrag aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is sprake van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW die op of na 16 maart 2013 is gesloten. De wettelijke of overeengekomen betalingstermijn is verstreken. Daarom is WO op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW ook zonder aanmaning € 40,00 verschuldigd als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
Een hoger bedrag is niet toewijsbaar. [eiser] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.
WO moet de proceskosten betalen
WO is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
6.861,00
- salaris advocaat
€
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
12.589,35
4. De beslissing
De rechtbank
veroordeelt WO om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 226.956,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt WO om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt WO in de proceskosten van € 12.589,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als WO niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
4403