RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/027205-25; 16/054190-23 (vord. tul);
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: [verdachte] ).
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 27 januari 2026. Het onderzoek is, met instemming van de advocaat van [verdachte] en de officier van justitie, gesloten op 10 maart 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 25 januari 2025 te Almere samen met anderen met geweld goederen van [slachtoffer] heeft weggenomen
feit 2
op 25 januari 2025 te Almere samen met anderen [slachtoffer] door middel van bedreiging met geweld heeft gedwongen zijn pincode af te geven
feit 3
op 25 januari 2025 te Almere een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te weten een pistool (merk Colt, model 1911A1) voorhanden heeft gehad
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3
[verdachte] bekent dat hij de feiten 1 (diefstal met geweld), 2 (afpersing) en 3 (wapenbezit) heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van [verdachte] , afgelegd op de zitting van 27 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 januari 2025, opgenomen op pagina’s 1 tot en met 10 van voorgeleidingsdossier van politie eenheid Midden-Nederland met nummer MD2R025012 d.d. 27 januari 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [straat] [plaats] ), opgenomen op pagina 11 en 12 van forensisch dossier van politie eenheid Midden-Nederland met nummer 2025026041 d.d. 15 juli 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2025, opgenomen op pagina’s 77 en 78 van voornoemd forensisch dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 2] .
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverweging feiten 1 en 2 – medeplegen
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de feiten. De rechtbank oordeelt dat daarmee sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1 op 25 januari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee (met inhoud), sleutels, een Apple watch en een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:- achterin de auto van die [slachtoffer] te gaan zitten, en
- die [slachtoffer] naar verschillende locaties te laten rijden, en - een vuurwapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen de schouder, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te zetten en/of te houden en (daarmee) op het hoofd van die [slachtoffer] ) te slaan, en - te roepen dat ze pas weggaan als die [slachtoffer] aan hen 5000 euro zou geven, en- de telefoon, de Apple watch, de portemonnee (met inhoud) en de sleutels af te pakken, en - dit te filmen;
feit 2 op 25 januari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn pincode, die geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde, door: - achterin de auto van die [slachtoffer] te gaan zitten, en - die [slachtoffer] naar verschillende locaties te laten rijden, en - een vuurwapen, althans een op een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen de schouder, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te zetten en/of te houden en daarmee op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en
- daarbij te roepen dat ze pas weggaan als die [slachtoffer] aan hen 5000 euro zou geven en
- om zijn pincode hebben gevraagd, en - dit te filmen;
feit 3 op 25 januari 2025 te Almere een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een voorwerp dat voor wat betreft de vorm en afmeting sprekende gelijkenis vertoond met een vuurwapen, te weten een pistool (merk Colt, model 1911A1) voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1 medeplegen van diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
2 afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
3 handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid feiten en [verdachte]
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 106 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden en een contactverbod;
- een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat er geen langere jeugddetentie moet worden opgelegd dan de dagen in voorarrest. Het rapport van de Raad is leidend bij het bepalen van een straf. Naast een op te leggen deels voorwaardelijke jeugddetentie moet geen werkstraf meer volgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan [verdachte] een jeugddetentie op van 150 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 106 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden en een contactverbod met zowel de medeverdachten als het slachtoffer. Ook legt de rechtbank een taakstraf op van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Als de aangever naar de locatie van een zakelijke afspraak komt, wordt hij opgewacht door [verdachte] en zijn mededaders. De ware aard van de afspraak wordt dan snel duidelijk. [verdachte] en zijn mededaders stappen in de auto van de aangever en geven hem de opdracht naar diverse locaties te rijden. De aangever wordt door de daders bedreigd, er worden vuurwapens op hem gericht, hij wordt geslagen met één van de vuurwapens, zijn persoonlijke spullen worden afgepakt, hij wordt gedwongen zijn pincode af te geven en hij wordt gefilmd. Uit deze video’s en uit zijn verklaring bij de politie blijkt de angst die dit bij de aangever heeft opgeroepen. Enkel met het doel snel geld te verdienen, hebben [verdachte] en zijn mededaders het leven van de aangever getekend. De gevolgen voor hem blijken ook uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. Voor die gevolgen zijn [verdachte] en zijn mededaders verantwoordelijk.
Strafbare feiten als deze zorgen voor een schok en verontwaardiging in de samenleving. Jonge daders, die in een woonwijk worden gezocht met de hulp van een politiehelikopter, vuurwapens met zich meedragen en zich enkel laten motiveren door snel geld, brengen in toenemende mate gevoelens van angst en onveiligheid in onze maatschappij. Ook aan deze angst hebben [verdachte] en zijn mededaders bijgedragen.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft gekeken naar:
het strafblad van [verdachte] van 9 december 2025 – waaruit blijkt dat [verdachte] in 2023 veroordeeld is voor een soortgelijk feit;
een advies van de Raad van 20 januari 2025.
Uit het rapport van de Raad blijkt dat de schorsing van [verdachte] redelijk is verlopen, maar dat [verdachte] zich niet altijd aan zijn afspraken houdt. Het is (soms) moeilijk met hem in contact te komen, hij is vaak te laat, reageert traag en toont op sommige vlakken weinig inzet en initiatief. Sinds kort is hij gestart met een nieuwe opleiding, waar het contact met [verdachte] goed is. Hij heeft daar een doel voor ogen en vindt het belangrijk zijn diploma te halen. Hij heeft daarnaast weinig dagbesteding en geen bijbaan. Hiervoor zet hij zich onvoldoende in. Omdat [verdachte] dagelijks blowt, vindt de Raad dit een punt van zorg. Thuis gaat het goed. [verdachte] heeft een liefdevolle moeder en er is een betrokken netwerk. [verdachte] luistert naar de regels van zijn moeder. Alhoewel de Raad aangeeft dat de indruk is dat [verdachte] zich meer richt op positieve vriendschappen, geeft de jeugdreclasseerder op de zitting aan hier nog wel zorgen over te hebben.
Het rapport van de Raad beschrijft [verdachte] tegelijkertijd als een vriendelijke, beleefde, slimme en respectvolle jongen. Ter zitting is hij heel open over de feiten en zijn aandeel hierin en toont hij oprechte spijt.
Gezien de zorgen die de Raad om [verdachte] heeft, die worden bevestigd door zijn jeugdreclasseerder en de eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit, vindt de Raad een voorwaardelijke straf noodzakelijk. Zij adviseren daarom een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :
meewerkt aan begeleiding door Samen Sterk, voor zolang de jeugdreclasseerder dit nodig acht;
naar school gaat volgens het schoolrooster of een andere positieve dagbesteding heeft, in overleg met de jeugdreclasseerder;
een positieve vrijetijdsbesteding, in de vorm van een bijbaan, heeft, in overleg met de jeugdreclasseerder;
verboden wordt contact te leggen of te laten leggen met de medeverdachten, met uitzondering van eventuele perspectiefherstel gesprekken.
Strafkader
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten. Daarom is een jeugddetentie passend. En alhoewel uit het rapport van de Raad en het gesprek met de jeugdreclasseerder op de zitting blijkt dat er nog zorgen zijn om [verdachte] , ziet de rechtbank ook de positieve weg die voorzichtig is ingeslagen. Die weg wil de rechtbank niet doorkruisen door [verdachte] opnieuw naar de jeugdgevangenis te sturen.
[verdachte] , op de zitting was jij heel open over jouw aandeel in wat er gebeurd is op 25 januari 2025. Ook ben jij eerlijk geweest in wat jij nog lastig vindt in de hulpverlening en de begeleiding. In dit vonnis geeft de rechtbank jou een compliment voor die open en eerlijke houding. Wij hopen dat jij met de hulp van jouw betrokken jeugdreclasseerder de positieve weg verder inzet.
Het opleggen van een straf kent meerdere doelen. Eén van die doelen is vergelding. Omdat de feiten zo erg zijn, moet een straf volgen die voor [verdachte] voelbaar is. Dat betekent dat de rechtbank ook een taakstraf op zal leggen. De rechtbank ziet in de omstandigheden van de feiten geen reden tot het niet opleggen van die taakstraf. Zeker niet omdat [verdachte] een (nep) vuurwapen heeft meegenomen om de aangever te bedreigen. Een ander doel van straffen is het voorkomen van herhaling en dat is belangrijk om ervoor te zorgen dat [verdachte] niet weer in de fout zal gaan. Daarom zal de rechtbank de voorwaarden opleggen die door de Raad zijn geadviseerd.
Concluderend legt de rechtbank een jeugddetentie op van 150 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 106 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarbij legt de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf op voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de telefoons dienen te worden teruggegeven aan [verdachte] , het wapen dient te worden onttrokken aan het verkeer en de overige goederen dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 STK wapen (goednummer: G3472589), onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot dit voorwerp is bovendien het onder 3 bewezen verklaarde feit begaan.
Teruggave aan [verdachte]
De rechtbank zal teruggave gelasten aan [verdachte] van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
1 STK telefoontoestel (goednummer: 3472571);
1 STK telefoontoestel (goednummer: 3472575).
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
1 STK sleutelbos (goednummer: 3472577);
1 STK portemonnee (goednummer: 3472580);
1 STK bankbescheiden (goednummer: 3472583);
1 STK tankpas (goednummer: 3472585);
1 STK rijbewijs (goednummer: 3472640);
1 STK rijbewijs (goednummer: 3472639);
3 STK bankbescheiden (goednummer: 3472643);
1 STK horloge (goednummer: 3472568);
aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van deze voorwerpen kan worden aangemerkt.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.100,- voor feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer] kan worden toegewezen. Echter, gelet op de gevorderde contactverboden is het niet passend dat dit bedrag hoofdelijk wordt toegewezen. De officier van justitie heeft daarom in overweging gegeven de vordering per verdachte voor een vierde deel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer tegen de hoogte van de vordering. Wel verzoekt de advocaat om de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Ook volgt uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan dat [slachtoffer] in zijn persoon is aangetast. De gevolgen voor [slachtoffer] – geestelijk letsel – blijken uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is.
Omdat [verdachte] de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Volgens de regels van het civiele recht kan in deze situatie geen gelijke (pondspondsgewijze) verdeling van de schade worden toegewezen. Dit zal de rechtbank dus ook niet doen: [verdachte] en zijn medeverdachten zijn ieder voor het hele toegewezen bedrag aansprakelijk. Als een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen. Om te voorkomen dat dit leidt tot problemen in verband met het opgelegde contactverbod tussen [verdachte] en zijn medeverdachten, zal de rechtbank bij het contactverbod een uitzondering opnemen voor zover contact moet plaatsvinden over de onderlinge verdeling van de schadevergoeding door (professionele) derden.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 25 januari 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 1.100,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Geen gijzeling
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Vanwege de jonge leeftijd van [verdachte] vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt daarom dat geen gijzeling zal worden toegepast.
[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De kinderrechter van de deze rechtbank heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16/054190-23 op 9 november 2023 een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 20 uren voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat laat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
Oordeel van de rechtbank
Bij vonnis van de kinderrechter te rechtbank Midden-Nederland van 9 november 2023 (parketnummer 16/054190-23) is [verdachte] een taakstraf in de vorm van een werkstraf voorwaardelijk opgelegd. [verdachte] heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.
9. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;
straffen
jeugddetentie
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 150 (honderdvijftig) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 106 (honderdzes) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
* meewerkt aan begeleiding door Samen Sterk, voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
* naar school gaat volgens het schoolrooster, of een andere positieve dagbesteding heeft, in overleg met de jeugdreclassering;
* een positieve vrijetijdsbesteding heeft, in de vorm van een bijbaan, in overleg met de jeugdreclassering;
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [medeverdachte 1] (geboren [geboortedatum 1] 2009), medeverdachte;
- [medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum 2] 2008), medeverdachte;
- [medeverdachte 3] (geboren [geboortedatum 3] 2009), medeverdachte;
- [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 3] 1975), slachtoffer;
- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig Midden Nederland te Flevoland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
taakstraf
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van de werkstraf van 80 (tachtig) uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
1 STK wapen (goednummer: G3472589);
- gelast de teruggave aan [verdachte] van de volgende voorwerpen:
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende voorwerpen:
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2)
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.100,-, bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf 16/054190-23
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in de rechtbank bij vonnis van 9 november 2023 opgelegde voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 20 uren;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. van Haaren-Paulus, voorzitter, mr. H. den Haan en mr. H.J. van Woudenberg, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Bijlage I: Tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
1 hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee (met inhoud), sleutels, een Apple watch en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- achterin de auto van die [slachtoffer] te gaan zitten, en/of- die [slachtoffer] naar verschillende locaties te laten rijden, en/of- een of meerdere vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend voorwerp op/tegen de schouder, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te zetten en/of te houden en/of (daarmee) (op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] ) te slaan, en/of- (daarbij) te roepen dat ze pas weggaan als die [slachtoffer] aan hen 5000 euro zou geven- de telefoon, de Apple watch, de portemonnee (met inhoud) en/of de sleutels af te pakken, en/of- dit te filmen;
2hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn pincode, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door:- achterin de auto van die [slachtoffer] te gaan zitten, en/of- die [slachtoffer] naar verschillende locaties te laten rijden, en/of- een of meerdere vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend voorwerp op/tegen de schouder, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te zetten en/of te houden en/of (daarmee) (op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] ) te slaan, en/of- (daarbij) te roepen dat ze pas weggaan als die [slachtoffer] aan hen 5000 euro zou geven en/of om zijn pincode hebben gevraagd, en/of- dit te filmen;
3hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Almere een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een voorwerp dat voor wat betreft de vorm en afmeting sprekende gelijkenis vertoond met een vuurwapen, te weten een pistool (merk Colt, model 1911A1) voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.