RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605693 / KG ZA 26-22
Vonnis in kort geding van 6 maart 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] handelend onder de naam [naam 1] ,
in [plaats] ,
hierna te noemen: [naam 1] ,2. de besloten vennootschap [eiser sub 2] B.V.,
in [plaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 2] ,3. de vennootschap onder firma [eiser sub 3],
in [plaats] ,
hierna te noemen [eiser sub 3] ,4. de besloten vennootschap [eiser sub 4],
in [plaats] ,
hierna te noemen [eiser sub 4] ,5. [eiser sub 5] handelend onder de naam [naam 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen [naam 2]6. de vennootschap onder firma [eiser sub 6] '',
in [plaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 6] ,7. de vennootschap onder firma [eiser sub 7],
in [plaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 7] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de coffeeshops,
advocaat: mr. E.M. van Gelderen,
tegen
de rechtspersoon naar Belgisch recht
WORLDLINE N.V. / S.A.,
gevestigd in Brussel (België) en kantoorhoudend in Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Worldline,
advocaat: mr. E.J. van Praag.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties - de conclusie van antwoord met producties
- de aanvullende producties van de coffeeshops- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van de coffeeshops.
2. De kern van de zaak
Worldline is een Belgische betaalinstelling. Zij faciliteert de coffeeshops bij het accepteren van elektronische kaartbetalingen, zoals pinbetalingen, op basis van een met hen gesloten overeenkomst. Worldline maakt daarbij gebruik van een betaalrekening bij een buitenlandse bank. Worldline heeft de overeenkomsten met de coffeeshops opgezegd omdat die bank de verwerking van transacties van Nederlandse coffeeshops niet langer wil accepteren. In geschil is of Worldline contractueel bevoegd was de overeenkomsten op te zeggen en zo ja, of zij van die bevoegdheid gebruik mocht maken. De voorzieningenrechter beantwoordt de eerste vraag met ‘ja’ en de tweede vraag met ‘nee’ en wijst de vorderingen van de coffeeshops voor een deel toe.
3. De beoordeling
De Nederlandse rechter is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing
Worldline is gevestigd in België, waardoor het geschil tussen partijen een internationaal karakter heeft. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft (bevoegd is) en zo ja, welk recht van toepassing is.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 26 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo) bevoegd van het geschil kennis te nemen. Worldline is namelijk op de zitting verschenen zonder de bevoegdheid van de voorzieningenrechter te betwisten, ook niet nadat de voorzieningenrechter Worldline daar expliciet naar heeft gevraagd.
Partijen hebben ter zitting bevestigd dat in alle overeenkomsten het Nederlands recht van toepassing is verklaard. Voor zover dat niet het geval zou zijn, trekt de voorzieningenrechter hieruit de conclusie dat partijen in elk geval kiezen voor toepassing van het Nederlands recht.
De coffeeshops hebben spoedeisend belang bij hun vorderingen
Worldline heeft de overeenkomst met [eiser sub 7] opgezegd tegen 27 februari 2026 en de overeenkomsten met de overige coffeeshops tegen 31 maart 2026. Op de zitting heeft Worldline gezegd bereid te zijn ook [eiser sub 7] pas tegen 31 maart 2026 op te zeggen. Daarmee is het spoedeisend belang van de coffeeshops bij hun vorderingen gegeven. Die houden kort gezegd in dat Worldline de dienstverlening moet voortzetten en de overeenkomsten niet mag beëindigen totdat er een einduitspraak is gewezen in een bodemprocedure tussen partijen of totdat er een schikking is bereikt.
De opzegging moeten worden getoetst op basis van de toen bekende feiten en omstandigheden
In deze procedure heeft Worldline uitgelegd dat zij de overeenkomsten met de coffeeshops heeft opgezegd onder druk van haar acquiring bank. Dat is de bank waarbij Worldline een betaalrekening aanhoudt om de uit de kaartbetalingen voortvloeiende gelden te kunnen ontvangen en vervolgens weer door te kunnen betalen aan haar klanten (de coffeeshops). Volgens Worldline wil de acquiring bank pinbetalingen bij coffeeshops niet meer faciliteren en heeft zij meegedeeld dat zij de dienstverlening aan Worldline beëindigt als Worldline de geldstromen van coffeeshops niet per direct bij haar weghaalt. Worldline heeft daarom gebruik gemaakt van haar contractuele bevoegdheid om de overeenkomsten met de coffeeshops op te zeggen, aldus Worldline.
Deze reden is niet met zoveel woorden vermeld in de opzegbrieven van 20 november 2025. Daarin schrijft Worldline namelijk:
“As a part of Worldline’s permanently ongoing review of its customer portfolio Worldline has performed a review of your account. Following this comprehensive review of your business activities and the transactions processed, Worldline had determined that this business relationship does not fit within Worldline’s existing risk appetite and had concluded that the continuation of the Contract could be materially detrimental to Worldline’s reputation.”
De coffeeshops stellen dat bij de beoordeling van de opzegging alleen naar deze reden mag worden gekeken. Zij verwijzen daarvoor naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2019 in een zaak over het beëindigen van een bankrelatie. Daarin heeft het hof geoordeeld dat “naar de stand van zaken ten tijde van de opzegging (en in zoverre ex tunc)” beoordeeld moet worden of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de bank van haar contractuele opzegbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Hieruit volgt niet dat de rechter bij de beoordeling van de opzegging alleen de bij de opzegging genoemde reden mag betrekken. Het gaat erom of de opzegging gelet op de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend waren rechtmatig was.
Ter onderbouwing van haar stelling dat haar acquiring bank pinbetalingen bij coffeeshops niet meer wil faciliteren, heeft Worldline een e-mail overgelegd die is gericht aan haar Treasury team. Daarin staat onder meer:
“Our analysis of payment data has shown that we are still (this week) receiving flows for merchants with prohibited activities. We still see transactions to merchants active in [rechtbank: onleesbaar gemaakt] coffeeshops [rechtbank: onleesbaar gemaakt].
We request that you take the following steps as soon as possible:
Cease sending flows related to merchants categorized as [rechtbank: onleesbaar gemaakt] to [rechtbank: onleesbaar gemaakt]
Send a confirmation that you have stopped these flows and have taken measures to prevent this from happening again in the future.”
De naam van de afzender en de datum van verzending van deze e-mail zijn zwart gemaakt. Volgens Worldline is dat gedaan vanwege de vertrouwelijke aard van de contractuele samenwerking met de acquiring bank. Op de zitting heeft Worldline gezegd dat de e-mail is verzonden op 22 augustus 2025. De coffeeshops hebben dat niet weersproken. Zij hebben ook niet weersproken dat deze e-mail is gestuurd door de acquiring bank van Worldline en dat deze bank in september 2025 het in 3.5 genoemde ultimatum heeft gesteld. De voorzieningenrechter neemt dit alles daarom als vaststaand aan. Eén en ander speelde al vóór 20 november 2025. Deze feiten en omstandigheden moeten dan ook worden betrokken bij de toetsing van de opzegging door Worldline.
Worldline was (contractueel) bevoegd de overeenkomsten op te zeggen
[naam 2] [eiser sub 6] en [eiser sub 7]
Op de overeenkomsten met [naam 2] [eiser sub 6] en [eiser sub 7] zijn de Voorwaarden Kaartacceptatie V1-2021 (hierna: Voorwaarden Kaartacceptatie) van toepassing verklaard. Artikel 18 lid 1 sub 9 van deze voorwaarden luidt:
“Naast de beëindigings- en opschortingsmogelijkheden zoals genoemd in de Voorwaarden Algemeen is Worldline ook bevoegd om de overeenkomst gedeeltelijk of in zijn geheel met onmiddellijke ingang te beëindigen of de uitvoering van de werkzaamheden op te schorten, zonder rechterlijke tussenkomst en zonder tot betaling van enige schadevergoeding gehouden te zijn, indien:
(…) Een Betaalkaartmaatschappij, een Acquirer, de eigenaar van de Betaalmethode of een bevoegde autoriteit dit aan Worldline verzoekt of dit een gevolg is van het toepassen van
de toepasselijke wet- en regelgeving;”
Op grond van dit beding was Worldline bevoegd om op 20 november 2025 de overeenkomsten met [naam 2] [eiser sub 6] en [eiser sub 7] op te zeggen. De acquiring bank van Worldline had immers uitdrukkelijk verzocht om coffeeshops af te stoten, op straffe van beëindiging van de gehele relatie met Worldline. De opzegtermijn tot en met 31 maart 2026, waarvoor Worldline heeft gekozen – bij [eiser sub 7] op de zitting en bij de anderen eerder al per brief – doet de overeenkomsten met [naam 2] [eiser sub 6] en [eiser sub 7] dus in principe eindigen per 1 april 2026.
[naam 1] en [eiser sub 4]
In artikel 2.4 van de Algemene aansluitingsvoorwaarden V2016/01 (hierna: AAT 2016), die op de overeenkomsten met [naam 1] en [eiser sub 4] van toepassing zijn verklaard, is een soortgelijk beding opgenomen:
“Overeenkomstig de Beëindigingsmodaliteiten, heeft Worldline het recht het Contract
geheel of gedeeltelijk op te zeggen wanneer een Kaartschema, regulator of bevoegde autoriteit hierom verzoekt. Worldline zal de Acceptant van dergelijke beëindiging zoveel als mogelijk van tevoren in te lichten.”
Volgens Worldline mocht zij op grond van dit beding de overeenkomsten met [naam 1] en [eiser sub 4] opzeggen, ook al wordt een verzoek van de acquiring bank niet expliciet in het beding genoemd. Worldline geeft daarvoor als argument dat het beding is geschreven vanuit de gedachte dat zij haar dienstverlening alleen kan verrichten met medewerking van partijen hogerop in de keten. Maar zij legt niet uit waarom dat voor de coffeeshops, die niet met Worldline over de algemene voorwaarden hebben onderhandeld, duidelijk moet zijn geweest. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van een taalkundige uitleg van het beding. Dat brengt mee dat Worldline de overeenkomsten met [naam 1] en [eiser sub 4] niet op grond van dit beding kon opzeggen.
Worldline beroept zich in dat geval op de algemene opzeggingsbevoegdheid van artikel 2.1 sub 2 AAT 2016:
“Voor zover er niets anders is overeengekomen op het Bestelformulier/Cover Document of in (Gemeenschappelijke) Product/Dienst/Speciale Voorwaarden:
(…) wordt het Contract na de initiële termijn telkens verlengd met een nieuwe periode van
één jaar, tenzij een partij per aangetekend schrijven het Contract opzegt minstens zes-
tig dagen voor het einde van de initiële termijn of een nieuwe periode.”
De overeenkomst tussen Worldline en [naam 1] is ingegaan op 10 september 2019 en is vervolgens steeds met een jaar verlengd. Op 20 november 2025 kon Worldline de overeenkomst dus opzeggen per 10 september 2026. In de opzegging van 20 november 2025 staat als einddatum 31 december 2025 vermeld. In de brief van 24 december 2025 heeft Worldline deze datum opgeschoven naar 31 maart 2026. Beide data liggen vóór 10 september 2026. Worldline heeft dus niet de juiste opzegtermijn in acht genomen. Maar de opzegging kan worden geconverteerd (omgezet) in een opzegging tegen 10 september 2026, zodat de overeenkomst in principe per deze datum eindigt. Dat de opzegging niet per aangetekende brief is gedaan, doet daar niet aan af. [naam 1] heeft immers erkend de opzegging te hebben ontvangen. Het staat dus vast dat de opzegging [naam 1] heeft bereikt, zoals voor een rechtsgeldige opzegging is vereist. Voor zover het aangetekend zijn van de opzegging heeft te gelden als vormvereiste om over (de ontvangst van) de opzegging geen onduidelijkheid te laten bestaan, speelt die onduidelijkheid hier niet.
Worldline heeft de overeenkomst met [eiser sub 4] gesloten op 4 februari 2021. De overeenkomst is daarna steeds met een jaar verlengd. Op 20 november 2025 kon Worldline de overeenkomst dus opzeggen per 4 februari 2026. Ook hier geldt dat Worldline in de opzegging de verkeerde einddatum heeft genoemd (31 december 2025), maar dat deze datum kan worden geconverteerd in de juiste einddatum (4 februari 2026, maar verlengd tot 31 maart 2026). Verder is de omstandigheid dat de opzegging niet aangetekend is verstuurd ook hier geen bezwaar, gelet op wat daarover in 3.14 is overwogen. De overeenkomst tussen Worldline en [eiser sub 4] eindigt dus in principe per 1 april 2026.
[eiser sub 2] en [eiser sub 3]
Op de overeenkomsten met [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zijn de Algemene Voorwaarden Koop Worldline Terminal V1-2016 (hierna: AV KWT) van toepassing verklaard. In die voorwaarden is geen opzegbevoegdheid voor Worldline opgenomen. Maar volgens Worldline kan zij zich tegenover [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ook op de AAT 2016 beroepen, omdat zij al vijf jaar doorlopende diensten aan hen levert.
Die redenering gaat niet op. Algemene voorwaarden zijn van toepassing als partijen dat zijn overeengekomen. Worldline stelt niet dat zij met [eiser sub 2] en [eiser sub 3] (ooit stilzwijgend) is overeengekomen dat de AAT 2016 op hun overeenkomsten van toepassing zijn. Worldline kan deze voorwaarden dus niet tegenover [eiser sub 2] en [eiser sub 3] inroepen.
In artikel 10 AV KWT staat dat als in de overeenkomst niets anders is bepaald, de overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. Dat is hier het geval. Door de aard van de dienst van Worldline en de tijd dat de overeenkomsten gelden (vanaf 2020) zijn de overeenkomsten met [eiser sub 2] en [eiser sub 3] aan te merken als duurovereenkomsten. Uitgangspunt is dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd opzegbaar is. Wel kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen.
Worldline heeft de overeenkomsten met [eiser sub 2] en [eiser sub 3] op 20 november 2025 opgezegd tegen 31 december 2025 en heeft die termijn vervolgens verlengd tot 31 maart 2026. Dat komt neer op een opzegtermijn van 4 maanden. De voorzieningenrechter vindt dat een redelijke termijn. In de algemene voorwaarden van Worldline is namelijk een kortere opzegtermijn opgenomen: 60 dagen in de AAT 2016 en drie maanden in de Voorwaarden Kaartacceptatie. De overeenkomsten van Worldline met [eiser sub 2] en met [eiser sub 3] eindigen daardoor in principe per 1 april 2026.
Tussenconclusie
Worldline was dus (contractueel) bevoegd om de overeenkomsten met de coffeeshops op te zeggen. Worldline schoot door haar opzeggingen niet toerekenbaar tekort in de nakoming van de overeenkomsten, zoals de coffeeshops stellen.
Worldline mocht geen gebruik maken van haar opzeggingsbevoegdheid
Maar de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Worldline van haar (contractuele) opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt. De voorzieningenrechter is het met de coffeeshops eens dat zulke omstandigheden zich hier voordoen.
Hoewel Worldline er op zichzelf terecht op wijst dat zij geen bank is, brengt de aard van haar dienstverlening en positie binnen het betalingsverkeer mee dat ook van haar mag worden verlangd dat zij op zorgvuldige wijze omgaat met de belangen van degenen die van haar diensten gebruikmaken. In Nederland gebeurt het merendeel van de betalingen immers via pin. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het bij de coffeeshops gaat om meer dan 80% van de betalingen. Ook is niet in geschil dat de coffeeshops in de problemen komen met hun eigen banken als er te veel met contant geld wordt betaald, vanwege het door de banken gehanteerde integriteits- en risicobeleid. Voor de coffeeshops zijn pindiensten dus essentieel om hun onderneming te runnen.
De overstap naar een andere aanbieder van pindiensten lijkt vooralsnog niet mogelijk, althans niet op korte termijn. Weliswaar heeft onder meer betaaldienstverlener Mollie op LinkedIn aangegeven dat coffeeshops pindiensten bij haar kunnen afnemen, maar de coffeeshops hebben aan de hand van een printscreen van de website van Mollie voldoende aannemelijk gemaakt dat dit in de praktijk niet mogelijk is gebleken. Op die printscreen is te zien dat de aanvraag van pindiensten blokkeert bij het invoeren van de KVK gegevens van een coffeeshop. Dan volgt de mededeling: “Je bedrijfsactiviteit komt niet in aanmerking. In-person betalingen zijn momenteel niet beschikbaar voor je bedrijfsprofiel”. De coffeeshops kunnen voor pindiensten ook niet terecht bij CCV, Pintip.nl., Pin Vandaag, Sepay, Buckaroo, Pay.nl en ABN AMRO, zo blijkt uit de door de coffeeshops overgelegde afwijzingen. De coffeeshops hebben er dus groot belang bij dat Worldline de dienstverlening aan hen voortzet.
Tegenover dat belang is de reden die Worldline noemt om de dienstverlening te beëindigen onvoldoende. Ten eerste mocht Worldline de overeenkomsten helemaal niet opzeggen op grond van de door haar genoemde reden. Die reden komt erop neer dat Worldline de coffeeshops niet meer als klant wil, omdat het coffeeshops zijn. Worldline sluit dus coffeeshops als categorie uit, zonder te kijken naar de individuele risico’s. Weliswaar is deze uitsluiting ingegeven door het ultimatum van de vaste acquiring bank van Worldline, maar daar kan Worldline zich niet achter verschuilen. Categorale uitsluiting is niet toegestaan, ook niet door een betaalinstelling. Ten tweede heeft Worldline onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet bij een andere acquiring bank terecht kan. Vast staat dat Worldline de coffeeshops intussen bedient via een andere buitenlandse bank. Volgens Worldline biedt dit geen oplossing voor de lange termijn vanwege de (onwerkbare) voorwaarden die deze bank aan Worldline stelt, maar dat die voorwaarden onwerkbaar zijn, hebben de coffeeshops gemotiveerd betwist, terwijl de stelling van Worldline dat die andere buitenlandse bank niet een oplossing is ‘voor de lange termijn’ te vaag is. Daarnaast hebben de coffeeshops verklaard dat zowel Rabobank als ABN AMRO telefonisch hebben bevestigd dat zij wel pinbetalingen bij coffeeshops via een betaaldienstverlener zoals Worldline faciliteren.
De vorderingen worden gedeeltelijk toegewezen
Op basis van het bovenstaande schat de voorzieningenrechter in dat de bodemrechter zal oordelen dat Worldline de overeenkomsten niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Dat brengt mee dat Worldline de dienstverlening aan de coffeeshops in principe ongewijzigd moet voortzetten totdat er een einduitspraak is gewezen in een bodemprocedure tussen partijen, of er een schikking is bereikt, zoals de coffeeshops vorderen. Maar er kunnen zich in de tussentijd nieuwe omstandigheden voordoen die maken dat Worldline de overeenkomsten alsnog mag beëindigen. Het gevorderde verbod is dus te ruim geformuleerd en zal daarom worden afgewezen.
Ook het gevorderde verbod om de overeenkomsten met (ieder van) de coffeeshops te beëindigen in strijd met de contractuele voorwaarden en/of op categorale en/of discriminatoire gronden, totdat er een einduitspraak is gewezen in een bodemprocedure tussen partijen of er een schikking is bereikt, is te ruim geformuleerd. Dat beëindiging op deze gronden niet mag, spreekt voor zich. De coffeeshops hebben dan ook geen belang bij dit verbod. En óf een latere opzegging in strijd met zo’n grond is gedaan, kan niet worden beoordeeld op dit moment, want die opzegging is er nu niet. Wat wél kan worden beoordeeld en waar het ook om gaat in deze zaak is dat Worldline de overeenkomsten niet mag beëindigen op de in deze procedure aangevoerde grond, namelijk dat de acquiring bank de verwerking van transacties van Nederlandse coffeeshops niet langer wil accepteren. Het verbod zal daarom worden toegewezen zoals hierna in de beslissing geformuleerd.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat een overtreding van het verbod zou neerkomen op het opnieuw opzeggen van de overeenkomsten op dezelfde grondslag. Dat dit zal gebeuren ligt bijzonder weinig voor de hand.
Worldline moet de proceskosten betalen
Worldline is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de coffeeshops worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.226,57
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt Worldline de overeenkomsten met (ieder van) de coffeeshops te beëindigen op de grond dat de acquiring bank de verwerking van transacties van Nederlandse coffeeshops niet langer wil accepteren, totdat er een einduitspraak is gewezen in een bodemprocedure tussen de coffeeshops en Worldline, althans tussen Worldline en (een of meer van) de coffeeshops een definitieve minnelijke regeling ter oplossing van het geschil is getroffen,
veroordeelt Worldline in de proceskosten van € 2.226,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na aanschrijving,
veroordeelt Worldline tot betaling aan de coffeeshops van € 98,00 aan extra nasalaris plus de kosten van betekening, als Wordline niet de kosten van 4.2 binnen veertien dagen betaalde en het vonnis dan wordt betekend, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over beide bedragen vanaf de dag van de betekening,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.
4204