RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
De Burgemeester van de gemeente Huizen
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/1323 en UTR 23/1324
(gemachtigde: mr. M.J. Schimmel),
en
(gemachtigde: mr. M. Buitenhuis en R. van Zuiden).
Verder heeft als partij aan de zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
1. Deze uitspraak gaat over de sluiting van de woning van eisers vanaf 4 juli 2022 vanwege een acute en ernstige geweldsdreiging. De sluiting van de woning is vijf keer verlengd. Op 3 november 2022 mochten eisers hun woning weer in. Eisers vinden de sluiting van hun woning onterecht. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de burgemeester mocht besluiten tot het sluiten van de woning van eisers en tot vijf keer toe deze sluiting mocht verlengen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester telkens bevoegd was tot het sluiten van de woning en ook telkens redelijkerwijs van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. De burgemeester had eisers echter wel in de gelegenheid moeten stellen een zienswijze in te dienen voorafgaand aan de (verlengings)besluiten tot het sluiten van de woning. Omdat de burgemeester dit niet heeft gedaan, krijgen eisers op dit punt gelijk. Daarom is het beroep gegrond. Ondanks dat eisers op dat punt gelijk krijgen, oordeelt de rechtbank dus wel dat de burgemeester de woning mocht sluiten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 4 juli 2022 heeft de burgemeester de woning van eisers aan de [adres 1] in [woonplaats] voor 10 dagen gesloten vanwege een ernstige en acute geweldsdreiging. De burgemeester heeft de sluiting vijf keer verlengd. De woningsluiting is de laatste keer verlengd op 13 oktober 2022.
Op 25 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van eisers om de laatste verlenging op te heffen, toegewezen en bepaald dat eisers op 3 november 2022 weer hun woning in mogen.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen elk afzonderlijk (verlengings)besluit tot het sluiten van hun woning.
De burgemeester heeft vervolgens in twee afzonderlijke beslissingen op de bezwaren van eisers geconcludeerd dat de woningsluitingen terecht waren (de bestreden besluiten).
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De burgemeester heeft verschillende stukken overgelegd die betrekking hebben op de zaak. De burgemeester heeft ten aanzien van TCI-informatie in de bestuurlijke rapportages van 29 juli en 10 oktober 2022 verzocht om beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 17 juli 2025 heeft een bestuursrechter van deze rechtbank geoordeeld dat beperkte kennisname van de gelakte passages in deze stukken gerechtvaardigd is. Eisers hebben toestemming gegeven om de ongelakte versies van deze stukken bij de beoordeling te betrekken.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van de burgemeester. Eisers waren niet aanwezig. Een van de dochters van eisers was wel aanwezig om namens haar ouders te spreken.
Aanleiding bestreden besluiten
3. De burgemeester heeft de woning van eisers gesloten vanwege een door de politie gerapporteerde acute en ernstige geweldsdreiging, die mede is gericht aan het adres van eisers ( [adres 1] ). Deze geweldsdreiging bestaat omdat er een partij verdovende middelen is gestolen (ripdeal) en de criminelen die zijn bestolen deze partij terug willen. De ex-schoonzoon (tevens de vader van de kleinkinderen) van eisers wordt met deze ripdeal in verband gebracht. De dochter van eisers, waarvan haar ex dus in verband wordt gebracht met de ripdeal, woont in dezelfde straat als eisers, namelijk op [adres 2] . Op 10 juli 2022 heeft er een explosie plaatsgevonden bij die woning. In totaal hebben er vier explosies plaatsgevonden in verschillende gemeenten, die door de politie in verband worden gebracht met de betreffende ripdeal. Er zijn zowel voor als na deze explosies verdachten aangehouden in deze zaak.
De burgemeester heeft zich bij de woningsluitingen van eisers gebaseerd op informatie uit de bestuurlijke rapportages van de politie Eenheid Midden-Nederland, Dienst Regionale Recherche.
Beoordeling door de rechtbank
Hebben eisers procesbelang?
4. De burgemeester stelt allereerst dat eisers geen belang meer hebben bij deze procedure omdat zij destijds met de bezwaren hun woningsluiting probeerde ongedaan te maken, maar de woningsluiting inmiddels achter de rug is.
Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers gesteld dat eisers (immateriële) schade hebben geleden en daarom belang hebben bij deze procedure.
De rechtbank stelt vast dat eisers als gevolg van de sluiting niet in de woning hebben kunnen verblijven. Daarom is er sprake van een inbreuk op het woonrecht van eisers. Een rechterlijk oordeel over de vraag of die inbreuk onrechtmatig was, kan een grondslag vormen voor een aanspraak op schadevergoeding en dat is voldoende om procesbelang aan te nemen.
De rechtbank concludeert dat eisers belang hebben bij een rechterlijk oordeel over de woningsluitingen omdat zij hebben gesteld schade te hebben geleden.
Hadden eisers de mogelijkheid tot een zienswijze moeten krijgen?
5. Eisers hebben aangevoerd dat zij niet zijn gehoord door de burgemeester voordat hij de besluiten nam om hun woning te sluiten. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat eisers graag hun zienswijze voor ieder besluit hadden willen geven. Als de burgemeester die mogelijkheid aan eisers had geboden, hadden zij de burgemeester bijvoorbeeld kunnen laten weten dat ze een periode vanuit hun auto leefden. Een zienswijzegesprek had volgens hen veel kunnen ophelderen, maar die kansen zijn bij ieder besluit gemist.
De burgemeester stelt dat er voor het nemen van ieder besluit geen tijd was om een zienswijzegesprek met eisers te voeren. De bestuurlijke rapportages, op basis waarvan de burgemeester oordeelde of de woning gesloten moest worden of blijven, kwamen bij de burgemeester telkens binnen kort voordat de termijn van de vorige sluiting afliep. Vanwege de vereiste spoed kon de zienswijzemogelijkheid dus achterwege blijven.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de burgemeester een betrokkene in de gelegenheid moet stellen om een zienswijze in te dienen voordat hij een woning sluit. De burgemeester kan daarvan afzien indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. Het standpunt van de burgemeester dat van dergelijke spoed bij alle woningsluitingen sprake was, volgt de rechtbank niet. Dat er sprake was van dergelijke spoed bij de eerste woningsluiting op 4 juli 2022 vindt de rechtbank voorstelbaar. Maar vervolgens gaat het telkens om een verlenging van het oorspronkelijke besluit tot het sluiten van de woning. De rechtbank constateert dat de bestuurlijke rapportages, die aanleiding waren voor de verlengingsbesluiten, telkens een tot drie dagen zijn opgemaakt voordat de burgemeester besloot tot de verlenging van de woningsluiting en de vorige sluitingsperiode afliep. Gelet op het tijdsverloop sinds 4 juli 2022 valt niet in te zien dat de burgemeester bij de verlengingsbesluiten, die zich uitstrekken over een langere periode, niet kan bewerkstelligen dat de politie eerder een bestuurlijke rapportage opstelt, zonder daarbij afbreuk te doen aan de actualiteit van de daarin opgenomen informatie. Daarnaast had de burgemeester op zijn minst contact kunnen opnemen met eisers zodra hij respectievelijk een, twee of drie dagen voor afloop van de woningsluiting de bestuurlijke rapportage binnen had en voornemens was de woningsluiting te verlengen.
De stelling van de burgemeester dat hij eisers niet hoefde te horen omdat de bezwaren van eisers bij hem al bekend waren, gaat ook niet op. De situatie van eisers hoeft namelijk niet bij iedere verlenging van de woningsluiting hetzelfde te zijn en bovendien wordt er telkens een nieuwe bestuurlijke rapportage uitgebracht waarop eisers nog niet hebben kunnen reageren.
Het standpunt van de burgemeester dat dit gebrek door de rechtbank moet worden gepasseerd omdat het in de bezwaar- en beroepsfase zou zijn hersteld, volgt de rechtbank ook niet. Een woningsluiting maakt grote impact op de persoonlijke levenssfeer van eisers. Het is dan ook aan de burgemeester om de belangen van eisers daarbij zorgvuldig mee te wegen. De zienswijze is het moment waarop eisers hun actuele belangen kunnen toelichten en ook aan de burgemeester kunnen vertellen hoe het met hen op dat specifieke moment gaat. Die belangen en omstandigheden kan de burgemeester dan vervolgens meewegen bij zijn beslissing. Dat hij dat niet heeft gedaan, valt in dit geval niet meer achteraf te repareren omdat eisers al werden geconfronteerd met de feitelijke gevolgen van de verlengingen van de woningsluiting. Het gebrek kan dan ook niet worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb.
Omdat eisers bij de verlengingsbesluiten onterecht geen mogelijkheid is geboden een zienswijze in te dienen, is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt.
Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?
6. Eisers stellen kort gezegd dat de burgemeester niet bevoegd was tot het sluiten van hun woning op grond van artikel 175 van de Gemeentewet omdat er geen sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden. Volgens eisers was er namelijk bij alle besluiten tot het sluiten van hun woning geen actuele en concrete dreiging richting hun woning. Eisers staan in een te ver verwijderd verband met hun ex-schoonzoon om uit te kunnen gaan van een actuele en concrete dreiging richting hen. Bij de woning van hun dochter is weliswaar een explosief afgegaan, maar dat is niet gebeurd bij de woning van eisers. Daarbij verbleven de dochter en eisers kleinkinderen ook niet bij hen. De dochter had zelfs een gebiedsverbod om op het adres van eisers te komen.
De burgemeester meent daarentegen dat er ten tijde van het nemen van de besluiten op grond van de bestuurlijke rapportages van de politie wel sprake was van een ernstige vrees voor ernstige wanordelijkheden omdat er een actuele en concrete dreiging naar de woning van eisers uitging.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de burgemeester op grond van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet, in geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bevoegd is alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Dit wordt de bevoegdheid tot het geven van een noodbevel genoemd. Als voldaan is aan de vereisten van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de burgemeester met zo’n noodbevel ook een woning sluiten.
Bij de beoordeling of er sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan van ernstige wanordelijkheden heeft de burgemeester beoordelingsruimte. De rechtbank beoordeelt daarom of de burgemeester, op het moment dat hij besloot de woning te sluiten, in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat sprake was van ernstige wanordelijkheden, dan wel dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Bij deze toetsing gaat de rechtbank uit van de informatie die de burgemeester op dat moment ter beschikking kon staan. Daarbij is van belang dat de burgemeester in dit geval zes toetsingsmomenten had waarbij de vraag is of hij op die momenten mocht oordelen dat de woning moest worden gesloten (of gesloten moest blijven) vanwege ernstige vrees voor ernstige wanordelijkheden.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bij alle zes de besluiten in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat er sprake was van ernstige vrees voor ernstige wanordelijkheden op basis van de informatie die hij bij het nemen van die zes besluiten tot zijn beschikking had. Hij was dus bevoegd om een noodbevel te treffen en daarmee de woning van eisers te sluiten. Daarvoor is het volgende van belang.
In de eerste bestuurlijke rapportage van 4 juli 2022 staat dat er sprake is van een extreme geweldsdreiging vanuit het criminele circuit. De dreiging richt zich onder meer op de (ex)familie van de betrokkenen bij de ripdeal. In dit verband zijn er op 2 en 3 juli 2022 explosieven afgegaan bij betrokken families. Eisers zijn de ex-schoonfamilie van een betrokkene bij de ripdeal. De politie vindt het daarom zeer aannemelijk dat het geweld zich ook kan voordoen bij de woning van eisers. Het gebruiken van andere vormen van extreem geweld, zoals het gebruik van explosieven in een woonwijk waar bewoners zich veilig wanen in hun eigen woning, wordt door de politie gezien als ernstige verstoringen van de openbare orde.
In de daaropvolgende bestuurlijke rapportages heeft de politie uiteengezet dat de dreiging naar de woning van eisers onverminderd groot en actueel blijft. De politie concludeert dat onder meer omdat er in de nacht van 9 op 10 juli 2022 een explosief bij de woning van de dochter van eisers is afgegaan, die tegenover de woning van eisers ligt. Daarnaast werd bekend dat de bij de politie bekende personen die betrokken zouden zijn geweest bij de ripdeal veelvuldig voorkomen in politieonderzoeken naar zware criminaliteit, waaronder liquidatieonderzoeken en dat zij vanwege hun criminele activiteiten vele vijanden hebben gemaakt in meerdere organisaties die zich bezig houden met zware criminaliteit. Een gevaar van geweld of een aanslag op deze personen kan daardoor vanuit meerdere criminele organisaties tegen hen worden aangewend. Vanwege het feit dat de betrokken personen zelf kennelijk niet makkelijk traceerbaar zijn, concludeert de politie in de bestuurlijke rapportage van 10 juli 2022 dat er een acute dreiging op hun familieleden bestaat. Uit onderschepte berichten door de politie bleek verder dat als de geripte cocaïne niet binnen een dag terug zou worden gegeven, de bestolen criminelen iedereen zouden vinden, waaronder de ouders, kinderen en de hele familie van de betrokken personen. Deze berichten zijn volgens de politie zonder meer te duiden als een laatste waarschuwing dat als de geripte cocaïne niet per direct zou worden teruggebracht, er consequenties zouden volgen. Vervolgens heeft er op 29 juli 2022 in een andere gemeente wederom een explosie plaatsgevonden die volgens de politie verband houdt met deze ripdeal. In de bestuurlijke rapportage waarin deze explosie wordt genoemd, geeft de politie ook aan dat de explosieven die zijn gebruikt zelf geïmproviseerde explosieven zijn met een hoeveelheid springstof van 600 tot 1000 gram. Dat is 15 tot 25 keer hoger dan de gebruikelijke hoeveelheid bij granaten. Dit geeft ook de ernst en impact van de dreiging aan.
Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat de dreiging actueel en groot was richting eisers. Zij zijn namelijk ex-familie van een van de betrokkenen bij de ripdeal en zijn tevens de opa en oma van de kinderen van deze betrokkene. Daarbij woonde de ex-partner van deze betrokkene, namelijk de dochter van eisers, voor een korte periode bij eisers in de straat. In de eerste bestuurlijke rapportage is ook genoemd dat de dochter van eisers met haar kinderen tijdelijk bij eisers woonden vanwege een verbouwing van haar woning. Dat wordt door eisers weersproken, maar op de zitting is erkend dat de woning werd verbouwd. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de bevindingen uit de bestuurlijke rapportage. Verder hebben er rondom deze ripdeal ook daadwerkelijk verschillende explosies plaatsgevonden bij verschillende familieleden van de betrokkenen bij de ripdeal, waaronder ook een explosie bij de woning van de dochter van eisers. De explosies die zijn afgegaan, worden door de politie in verband gebracht met de ripdeal. Daarnaast zijn er in de loop van de eerste woningsluitingsbesluiten verdachten opgepakt in deze zaak, maar zijn er daarna nog steeds explosies afgegaan. Dat duidt erop dat met het oppakken van een verdachte nog altijd sprake is van een actuele en grote dreiging, althans dat het oppakken van de verdachte die dreiging in ieder geval niet wegneemt. Uit de bestuurlijke rapportages blijkt verder dat het feit dat na 29 juli 2022 geen explosies meer hebben plaatsgevonden die verband houden met deze ripdeal, nog geen garantie is dat het conflict is opgelost en zeker niet dat er geen vrees meer bestaat voor nieuwe incidenten. Vanuit het lopende opsporingsonderzoek heeft de politie telkens, ook in de latere bestuurlijke rapportages, geconcludeerd dat het dreigingsniveau onverminderd hoog en actueel is voor de woning van eisers. Dat blijkt ook uit de gelakte passages uit de bestuurlijke rapportages van 13 september en 10 oktober 2022, die de rechtbank heeft ingezien. De rechtbank ziet in de, zeker in de latere bestuurlijke rapportages genoemde, beknopte motivering van de conclusies van de politie dat het dreigingsniveau onveranderd is, geen aanleiding om aan die bevindingen en conclusies te twijfelen. Uit het feit dat de politie in de bestuurlijke rapportage van 10 oktober 2022 adviseert om in ieder geval het cameratoezicht (24 uur per dag en 7 dagen per week) in stand te houden in het geval de burgemeester ertoe besluit om de woningsluiting op te heffen, volgt volgens de rechtbank niet dat de politie de dreiging minder groot vond.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de burgemeester op basis van de informatie die hem telkens ter beschikking stond bij alle zes de besluiten in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat er een ernstige vrees bestond voor ernstige wanordelijkheden bij de woning van eisers vanwege een telkens actuele en grote geweldsdreiging. De burgemeester was daarom telkens bevoegd de woning te sluiten.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik maken?
7. Als met een noodbevel een woning wordt gesloten dan wordt daarmee het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners beperkt. Dat is aanvaardbaar omdat de burgemeester ook een positieve verplichting heeft om ervoor te zorgen dat het recht op leven van individuen wordt beschermd, zoals dat van eisers zelf en van bewoners in de wijk. Daarbij geldt als voorwaarde dat het noodbevel aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit moet voldoen. Bij subsidiariteit gaat het om de vraag of er minder verstrekkende middelen voorhanden zijn. Bij proportionaliteit gaat het om de vraag of het noodbevel niet verder gaat dan nodig is.
Subsidiariteit
Eisers stellen kort gezegd dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen minder verstrekkende maatregelen mogelijk waren, zoals het permanent bewaken van de woning of het blijven toepassen van camerabewaking. Volgens hen heeft de burgemeester te snel gebruik gemaakt van het meest ingrijpende middel, namelijk het sluiten van hun woning.
De rechtbank gaat niet mee in het betoog van eisers. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester in de bestreden besluiten voldoende toegelicht waarom minder verstrekkende maatregelen in dit geval niet mogelijk waren.
De burgemeester heeft terecht gesteld dat het aan hem is om in het concrete geval een inschatting te maken welke maatregel op dat moment het meest passend is. Hij heeft in dit geval vanwege de telkens actuele en grote geweldsdreiging en het advies van de politie om de bestaande maatregelen te handhaven, cameratoezicht een ontoereikende maatregel mogen vinden. Daarbij is cameratoezicht altijd al ingezet als maatregel naast de woningsluiting. Dat in de laatste bestuurlijke rapportage de politie aangaf dat als de burgemeester zou besluiten om de woningsluiting niet te verlengen, de politie dan in ieder geval het in stand houden van cameratoezicht adviseert, betekent volgens de rechtbank niet dat de burgemeester dit als alternatief moest zien. De rechtbank leest hierin dat de politie dit geen goede optie vindt omdat in de bestuurlijke rapportage geadviseerd wordt om de woningsluiting te verlengen vanwege de ongewijzigde geweldsdreiging. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester op basis daarvan dus kon beslissen dat cameratoezicht inderdaad geen toereikend alternatief was. De rechtbank kan daarnaast het standpunt van de burgemeester volgen dat surveillance gezien de landelijke beperkte beschikbaarheid praktisch onmogelijk was. Ook is het begrijpelijk dat de burgemeester het continue plaatsen van bewapende politiemensen in het kader van surveillance onwenselijk heeft geacht in een wijk met veel gezinnen met jonge kinderen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Proportionaliteit
Eisers vinden daarnaast dat de woningsluiting veel verder gaat dan noodzakelijk. De dreiging was namelijk niet tegen hen gericht. Daarbij is de woning wel vier maanden gesloten geweest, terwijl er meerdere maanden geen incidenten hebben plaatsgevonden.
De rechtbank volgt ook dit standpunt van eisers niet en oordeelt dat de burgemeester terecht heeft geoordeeld dat de woningsluitingen proportioneel waren. Hierboven heeft de rechtbank al toegelicht dat de burgemeester terecht heeft geoordeeld dat de woningsluitingen noodzakelijk waren. De sluitingen gingen wat dat betreft ook niet verder dan wat noodzakelijk was. De woningsluitingen werden namelijk telkens in tijd beperkt en hadden een einddatum. Daarmee heeft de burgemeester op zes verschillende momenten opnieuw gekeken naar de noodzaak om de woning van eisers te sluiten. De totale duur van de woningsluiting van zo’n vier maanden is weliswaar lang, maar de rechtbank oordeelt dat die niet langer was dan noodzakelijk. De burgemeester heeft telkens in overleg met de politie en middels nieuwe noodbevelen de belangen van eisers meegewogen en gekeken of een noodbevel nog steeds noodzakelijk was. De burgemeester heeft daarbij in de bestreden besluiten voldoende toegelicht welke algemene belangen hij heeft meegewogen in de afweging of de woningsluiting (nog) noodzakelijk was en waarom deze boven het persoonlijke belang van eisers gaan, namelijk de bescherming van eisers zelf maar ook de bescherming van de omgeving. Eisers wonen namelijk in een buurt met jonge gezinnen. De burgemeester heeft voldoende toegelicht dat die belangen zwaarder wegen dan het woonrecht van eisers. Kortom, de burgemeester heeft voldoende gemotiveerd dat op alle zes de momenten de woningsluiting niet verder ging dan noodzakelijk was.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was de woningsluiting evenredig?
8. Eisers vinden de woningsluiting ook niet evenredig. Eisers moesten hun huis verlaten terwijl zij een bedrijf moesten runnen en hun gezondheid achteruitging. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het algemeen belang van veiligheid boven het belang van eisers gaat om in hun huis te wonen. Ten slotte zou de burgemeester onvoldoende of te laat aan zijn zorgplicht hebben voldaan om een alternatieve woonruimte voor eisers te zoeken.
De rechtbank stelt allereerst vast dat bij deze belangenafweging twee grondrechten worden afgewogen. Enerzijds het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van eisers, namelijk hun woonrecht, en anderzijds de positieve verplichting voor de burgemeester om het leven van eisers en de omwonenden te beschermen. In dat kader mag een woningsluiting ook niet onevenredig lang duren.
De rechtbank oordeelt, zoals hierboven ook al genoemd, dat de burgemeester de belangen van eisers bij de besluitvorming voor alle woningsluitingen voldoende heeft meegewogen. De burgemeester heeft namelijk gemotiveerd waarom het algemeen belang van bescherming van de veiligheid van eisers zelf en omwonenden in een buurt met jonge gezinnen boven het persoonlijke belang van eisers moet gaan. De burgemeester heeft terecht gesteld dat de algemene belangen zwaarder wegen. Ook heeft de burgemeester telkens in zijn zorgplicht voldaan door alternatieve woonruimten voor eisers te faciliteren of daarin mee te denken en ze ook verschillende keren aan te bieden gebruik te maken van het Stelsel beveiligen en bewaken. Daarbij is de burgemeester snel in actie gekomen door eisers direct een tijdelijke vakantiewoning aan te bieden zodra hem de medische situatie van eisers bekend werd en het duidelijk werd dat eisers na terugkomst uit het buitenland vanuit hun auto leefden.
Daarnaast is ook de duur van de woningsluitingen niet onevenredig. De burgemeester heeft namelijk telkens opnieuw gekeken naar de ernstige vrees en de noodzaak om de woning te sluiten. Een totale duur van de woningsluiting van vier maanden is weliswaar lang, maar in het licht van een ongewijzigde en dermate ernstige dreiging, niet ongebruikelijk. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de afzonderlijke noodbevelen van beperkte duur waren (nooit langer dan 30 dagen) en er dus veel tussentijdse beoordelingsmomenten zijn geweest.
De rechtbank concludeert dat de burgemeester de belangen van eisers voldoende heeft meegewogen en de bestreden besluiten dus evenredig zijn.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag bestreden besluit
9. Eisers stellen verder dat de eerste woningsluiting een verkeerde grondslag heeft, namelijk naast artikel 175 van de Gemeentewet ook nog artikel 174a van de Gemeentewet. De burgemeester heeft die fout hersteld bij het eerste bestreden besluit, maar eisers vinden dat die beslissing op bezwaar, vanwege de foute wettelijke grondslag in het eerste woningsluitingsbesluit, gegrond had moeten worden verklaard en zij daarom ook recht hadden op een proceskostenvergoeding in bezwaar.
De rechtbank volgt het standpunt van eisers niet. Een bestuursorgaan dient naar aanleiding van een bezwaar een volledige heroverweging te doen van het besluit, in dit geval de eerste woningsluiting. Het staat een bestuursorgaan vrij om in het kader van die volledige heroverweging de grondslag van een besluit te wijzigen. De bezwaarprocedure is namelijk bij uitstek geschikt om gebreken in het primaire besluit te herstellen. Dat heeft de burgemeester hier gedaan. Daarbij heeft de burgemeester bij de eerste woningsluiting overigens ook de grondslag genoemd die hij vervolgens bij alle andere woningsluitingen heeft toegepast, namelijk artikel 175 van de Gemeentewet.
De rechtbank concludeert dat de burgemeester deze fout in bezwaar kon herstellen en daarmee terecht het besluit tot de eerste woningsluiting niet heeft herroepen. Dat betekent ook dat de burgemeester het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard en daarom ook het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar terecht heeft afgewezen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding
10. Eisers verzoeken ten slotte nog om een immateriële schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn.
De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar maximaal zes maanden, de behandeling van het beroep maximaal anderhalf en de behandeling van het hoger beroep maximaal twee jaar mag duren. Indien meerdere bezwaarschriften zien op hetzelfde onderwerp en in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld, daarvan is in deze zaak sprake, wordt slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd en wordt voor de bepaling van de redelijke termijn uitgegaan van het oudste bezwaarschrift.
In deze zaak betekent dat het volgende. Voor eisers geldt dat het eerste bezwaar door de burgemeester is ontvangen op 6 juli 2022. Het eerste bestreden besluit is genomen op 25 januari 2023. De termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep verliep dus op 6 juli 2024. Dat betekent dat die termijn met een jaar en acht maanden is overschreden. Deze overschrijding is voor 1/20e aan de burgemeester toe te rekenen en voor 19/20e aan deze rechtbank. Omdat de bezwaren waarop bij het tweede bestreden besluit is gereageerd, zien op hetzelfde onderwerp en in de rechterlijke fase tegelijk zijn behandeld, wordt alleen voor het bovenstaande het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Dat betekent dat eisers ieder afzonderlijk naar boven afgerond recht hebben op een schadevergoeding van € 2.000,-.
De rechtbank ziet echter aanleiding om het bedrag te matigen omdat eisers samen een procedure voeren en de zaken gezamenlijk zijn behandeld. Dit heeft een zodanig matigende invloed op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden is om de toe te kennen schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn te matigen. De rechtbank matigt de immateriële schadevergoeding per eiser met de helft omdat eisers de voor- en nadelen van een gezamenlijke behandeling met elkaar hebben kunnen delen en daarmee dus ook de mate van stress en ongemak door de langdurende procedure. Dat betekent dat eisers ieder afzonderlijk een bedrag van € 1.000,- vergoed krijgen, waarbij € 50,- zal worden vergoed door de burgemeester en € 950,- door de Staat der Nederlanden. Dat betekent dat de burgemeester in totaal € 100,- aan eisers moet vergoeden en de Staat der Nederlanden in totaal € 1.900,-.
Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
11. De beroepen zijn gegrond omdat de burgemeester eisers onterecht geen zienswijze heeft gevraagd. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten, maar laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt namelijk dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten en dat deze besluiten voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten kunnen daarom in stand worden gelaten.
Omdat het beroep gegrond is, moet de burgemeester het griffierecht vergoeden dat eisers in beide zaken hebben betaald. Ook krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Er is sprake van samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De proceskosten in bezwaar worden niet vergoed omdat de primaire besluiten niet worden herroepen wegens een aan de burgemeester te wijten onrechtmatigheid.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 26 januari 2023 en 28 februari 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 368- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van immateriële schadevergoeding van € 100,- aan eisers;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van immateriële schadevergoeding van € 1.900,- aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar (buitengriffier), griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.